202600437/1/A2.
Datum uitspraak: 9 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van bestuur van Hogeschool Inholland,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 9 april 2026 om 12:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. M. Rijsdijk
Jurist: mr. L.J.A. van Gils
Verschenen:
Het college, vertegenwoordigd door mr. C.W. Elbers, vergezeld van [persoon][.
====================================
Het beroep richt zich tegen een beslissing van het college van 14 januari 2026, waarbij het bezwaar van [appellant] tegen de beslissing van 17 november 2025 ongegrond is verklaard. Bij die beslissing heeft de centrale studentenadministratie, namens het instellingsbestuur, de inschrijving van [appellant] beëindigd wegens het niet voldoen aan de betalingsverplichting.
[appellant] betoogt dat zijn persoonlijke omstandigheden hem belemmerden om aan de eerder getroffen betalingsregeling te voldoen. Voor de persoonlijke omstandigheden is hij inmiddels een behandeling gestart en krijgt hij financiële ondersteuning van familie. De gevolgen van de beëindiging van de inschrijving zijn voor hem verstrekkend. Hij verblijft in Nederland met een studentenvisum.
Beslissing
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
Het college heeft zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de inschrijving van [appellant] mocht worden beëindigd. In wat hij in beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een andere conclusie dan het college te komen. De Afdeling voegt hier nog aan toe dat het college terecht de afweging heeft gemaakt dat het niet wenselijk is de schuld nog verder op te laten lopen, ondanks dat deze beslissing mogelijk gevolgen heeft voor de verblijfstitel van [appellant].
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
705-1043