202505791/1/A2.
Datum uitspraak: 9 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Utrecht (CBE),
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 9 april 2026 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. M. Rijsdijk
Jurist: mr. L.J.A. van Gils
Verschenen:
Het CBE, vertegenwoordigd door [gemachtigde].
====================================
Het beroep richt zich tegen de beslissing van het CBE van 6 oktober 2025, waarbij de beslissing van 13 mei 2025 in stand is gelaten. In die beslissing is aan [appellante] medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een inhaaltoets voor het vak Diagnostiek in de klinische psychologie.
In beroep betoogt [appellante] dat met deze beslissing haar zonder goede reden een toetskans is ontzegd. De handleidingen bevatten volgens haar onjuiste informatie en hierdoor was zij niet volledig geïnformeerd over haar mogelijkheden.
Beslissing
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
Het CBE heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het beroepschrift geen gronden bevat en dat het beroep op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht dan ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Anders dan het CBE is de Afdeling van oordeel dat het beroepschrift een, zij het summiere, beroepsgrond bevat. Het beroep is daarom ontvankelijk.
Het CBE heeft zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de directeur het verzoek om een inhaaltoets mocht afwijzen. [appellante] is niet op de zitting verschenen. In wat zij in haar beroepschrift naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een andere conclusie dan het CBE te komen. De Afdeling voegt hier nog aan toe dat voor zover [appellante] zich beroept op persoonlijke dan wel bijzondere omstandigheden het ook op haar weg ligt om die aannemelijk te maken en dat heeft zij niet gedaan.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
705-1043