ECLI:NL:RVS:2026:2055

ECLI:NL:RVS:2026:2055

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 202405180/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 2 juli 2024 heeft de raad van de gemeente Oost Gelre het bestemmingsplan "Flierbeek fase 3 ’t Flierbos Lichtenvoorde" vastgesteld. Het plan heeft betrekking op fase 3 van de in ontwikkeling zijnde woonwijk Flierbeek. Fase 3 betreft het deelgebied ’t Flierbos waar ongeveer 70 woningen zijn voorzien. Ten noordwesten van het plangebied aan de [locatie] ligt het bedrijfsterrein waarop [appellante B] is gevestigd en dat in eigendom is van [appellante A]. Zij vrezen voor een belemmering in de bedrijfsvoering en daardoor een waardedaling van het perceel. [appellante A] en [appellante B] voeren aan dat op een afstand van ongeveer 20 m van hun bedrijfsterrein een ontmoetingsplaats in een voedselbos is voorzien. Dit betreft een geluidgevoelig object. Uit het "Akoestisch onderzoek bedrijf tbv woningbouw fase 3 Flierbeek Lichtenvoorde" van Adviesburo Van der Boom van 19 mei 2021 (akoestisch onderzoek uit 2021) volgt dat ter plaatse moet worden gevreesd voor geluidhinder van hun bedrijfsterrein. Dit betekent volgens [appellante A] en [appellante B] dat op de ontmoetingsplaats geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat zij zullen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Uitspraak

202405180/1/R4.

Datum uitspraak: 15 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en [appellante B], gevestigd in Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Oost Gelre,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Flierbeek fase 3 ’t Flierbos Lichtenvoorde" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante A] en [appellante B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante A] en [appellante B] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 januari 2026, waar [appellante A] en [appellante B], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. B. ten Have en B.G.W. Rondeel, zijn verschenen. Ook is op de zitting ProWonen, vertegenwoordigd door mr. S. Taqawi en mr. E.L.C. van de Vorle, beiden advocaat te Arnhem, en [gemachtigde C], als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek op de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en [appellante A] en [appellante B] in de gelegenheid gesteld om nadere inlichtingen te verstrekken.

[appellante A] en [appellante B] hebben bij brieven van 10 en 20 februari 2026 van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De raad heeft een reactie gegeven.

Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 15 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan heeft betrekking op fase 3 van de in ontwikkeling zijnde woonwijk Flierbeek. Fase 3 betreft het deelgebied ’t Flierbos waar ongeveer 70 woningen zijn voorzien. Ten noordwesten van het plangebied aan de [locatie] ligt het bedrijfsterrein waarop [appellante B] is gevestigd en dat in eigendom is van [appellante A]. Zij vrezen voor een belemmering in de bedrijfsvoering en daardoor een waardedaling van het perceel.

Toetsingskader

2.1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Ontmoetingsplaats voedselbos

3. [appellante A] en [appellante B] voeren aan dat op een afstand van ongeveer 20 m van hun bedrijfsterrein een ontmoetingsplaats in een voedselbos is voorzien. Dit betreft een geluidgevoelig object. Uit het "Akoestisch onderzoek bedrijf tbv woningbouw fase 3 Flierbeek Lichtenvoorde" van Adviesburo Van der Boom van 19 mei 2021 (akoestisch onderzoek uit 2021) volgt dat ter plaatse moet worden gevreesd voor geluidhinder van hun bedrijfsterrein. Dit betekent volgens [appellante A] en [appellante B] dat op de ontmoetingsplaats geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat zij zullen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

3.1. Een deel van de gronden in het plangebied is bestemd als "Groen". De voor "Groen" aangewezen gronden zijn op grond van artikel 3.1 van de planregels onder meer bestemd voor "groenvoorzieningen", "straatmeubilair" en "(dag)recreatieve mogelijkheden in de openlucht en speelvoorzieningen". Ter plaatse van gronden met de bestemming "Groen" zijn onder meer vier voedselbossen voorzien waarvan bewoners gebruik kunnen maken. In deze voedselbossen is tevens een ontmoetingsplaats voorzien. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze ontmoetingsplaats geen geluidsgevoelig object is als bedoeld in milieuregelgeving. Wel komt aan de ontmoetingsplaats een zekere bescherming tegen onaanvaardbare geluidhinder toe. Uit het akoestisch onderzoek uit 2021 volgt dat de etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op hoogtes van 1,5 en 5 m op de plangrens ter plaatse van het voorziene voedselbos naast het bedrijfsterrein, 48,6 en 51,4 dB(A) bedraagt. De raad heeft zich gelet hierop op het standpunt kunnen stellen dat het bedrijfsterrein en het voedselbos naast elkaar kunnen bestaan en dat [appellante A] en [appellante B] door de gebruiksmogelijkheden die binnen de bestemming "Groen" met het plan mogelijk zijn gemaakt niet zullen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Het betoog slaagt niet.

Shredder en geluidsafscherming

4. [appellante A] en [appellante B] wijzen tevens op de geluidbelasting ter plaatse van de voorziene woningen en stellen dat zij zullen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. In dit verband voeren zij aan dat ten onrechte niet de melding van [appellante B] op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer van 12 januari 2022 is betrokken bij de vaststelling van het plan. Deze melding betreft de plaatsing van een shredder in de zuidoostelijke hoek van het bedrijfsterrein en een 6 m hoog bijbehorend bouwwerk ten noordwesten daarvan. Voor een bijbehorend bouwwerk geldt volgens hen een maximale bouwhoogte van 6 m. Verder wijzen [appellante A] en [appellante B] erop dat de raad ten onrechte heeft gesteld dat de in het verleden gesloten privaatrechtelijke overeenkomsten in de weg staan aan de plaatsing van een shredder.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de realisering van een shredder planologisch is toegestaan, maar een L-vormige keerwand van 6 m hoog niet. Dit is immers een bouwwerk, geen gebouw zijnde, en hiervoor geldt een maximale bouwhoogte van 2 m. Daarom behoefde bij de beoordeling van de geluidbelasting in het plangebied geen rekening te worden gehouden met de realisering van een shredder met geluidsafscherming. Verder wijst de raad erop dat in het verleden tussen de gemeente Lichtenvoorde, in de hoedanigheid van verkoper, en [appellante B], in de hoedanigheid van koper, privaatrechtelijke overeenkomsten zijn gesloten met betrekking tot de percelen ter plaatse van het bedrijfsterrein en dat bepalingen uit deze overeenkomsten in de weg staan aan de plaatsing van een shredder op het bedrijfsterrein.

4.2. Het recycling- en groothandelsbedrijf van [appellante A] en [appellante B] ligt aan de [locatie]. Het plangebied ligt ten zuiden van het bedrijfsterrein. Op afstanden van ongeveer 33 en 39 m van de zuidoostelijke hoek van het bedrijfsterrein liggen het plandeel met de bestemming "Wonen" respectievelijk de aanduiding "bouwvlak". Tevens is aan de gronden ten zuiden van het bedrijfsterrein de aanduiding "geluidzone - industrie" toegekend. Deze contour ligt voor een klein deel over het plandeel met de bestemming "Wonen" maar niet over de aanduiding "bouwvlak". In de plantoelichting staat dat deze contour de 45 dB(A)-contour is.

4.3. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de voorziene woningen en dus ook bij de beoordeling of en in hoeverre [appellante A] en [appellante B] in hun bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van de voorziene woningen, geldt in beginsel het uitgangspunt dat niet alleen rekening wordt gehouden met de bestaande situatie, maar ook met de maximale planologische mogelijkheden van het plan (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:166). Daarbij is het uitgangspunt dat die beoordeling dient te worden gemaakt aan de hand van een representatieve invulling van wat ter plaatse planologisch maximaal is toegestaan (zie de uitspraken van de Afdeling van 17 november 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2579) en van 18 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1339).

4.4. Aan het bedrijfsterrein van [appellante A] en [appellante B] is in het bestemmingsplan "Woonwijken Lichtenvoorde" de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - recycling en groothandel in afval en schroot" toegekend. In artikel 4 staan de regels voor de gronden die als "Bedrijf" zijn bestemd.

Artikel 4.2.3 van de planregels luidt: "Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: […]

a. een bijbehorend bouwwerk mag zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

b. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend op minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;

c. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mag maximaal 70 m² bedragen, waarbij het bebouwingspercentage op het bouwperceel niet meer dan 50% mag bedragen;

d. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen;

e. de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen en mag niet hoger zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;

f. de afstand van bijbehorende bouwwerken tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt minimaal 1 m."

Artikel 4.2.4 luidt: "Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1 m bedragen en daar achter 2 m; […]"

b. in afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van antennes, vlaggenmasten, lantaarnpalen en vergelijkbare andere bouwwerken maximaal 10 m bedragen, met dien verstande dat het aantal vlaggenmasten niet meer dan 3 per bouwperceel mag bedragen."

Op grond van artikel 1.25 wordt onder bijbehorend bouwwerk verstaan: "uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak".

Op grond van artikel 1.32 wordt onder bouwwerk verstaan: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; […]

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat een shredder planologisch is toegestaan op het bedrijfsterrein. Evenmin is in geschil dat een shredder vanwege de geluidbelasting op reeds bestaande woningen in de directe omgeving van het bedrijfsterrein alleen kan worden gerealiseerd tezamen met een 6 m hoge geluidsafscherming. Tussen partijen is in geschil of deze geluidsafscherming planologisch is toegestaan. Op grond van de artikelen 4.2.3 en 4.2.4 van de regels van het bestemmingsplan "Woonwijken Lichtenvoorde" is een bouwhoogte van 6 m niet toegestaan als de geluidsafscherming wordt gerealiseerd in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, maar wel als deze wordt gerealiseerd in de vorm van een bijbehorend bouwwerk. Daarom wordt hierna onder 4.6 beoordeeld of kan worden voldaan aan de overige voorwaarden die gelden voor de realisering van een bijbehorend bouwwerk. In dit kader is van belang dat, anders dan partijen menen, niet doorslaggevend is of de geluidsafscherming die is genoemd in de melding van 12 januari 2022 op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft, maar welke geluidsafscherming planologisch mogelijk is. Zoals hiervoor onder 4.3 is overwogen, is voor de vraag met welke ontwikkelingen de raad rekening diende te houden bij de vaststelling van het bestemmingsplan immers bepalend wat een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden is.

4.6. In artikel 4.2.3 staan de regels die gelden voor bijbehorende bouwwerken. Op de zitting heeft de raad erop gewezen dat niet wordt voldaan aan één van de in dit artikelonderdeel opgenomen regels, namelijk de onder c opgenomen regel dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken maximaal 70 m2 mag bedragen. Uit de nadere stukken van [appellante A] en [appellante B] van 10 en 20 februari 2026 en van de raad van 19 februari 2026, blijkt echter dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Flierbeek fase 3 ’t Flierbos Lichtenvoorde" deze 70 m2 nog niet was benut. Dit betekent dat het primaire standpunt dat de raad op de zitting heeft ingenomen, dat de bouwmogelijkheden op het terrein reeds volledig waren benut zodat de realisering van de shredder en een bijbehorend bouwwerk planologisch niet was toegestaan en dus geen representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden is, onjuist is.

4.7. Evenmin volgt de Afdeling het subsidiaire standpunt van de raad dat ook na realisering van de shredder in het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbare geluidbelasting ter plaatse van de voorziene woningen. De raad heeft in dit verband verwezen naar twee varianten op variant C die in de notitie "Flierbeek Lichtenvoorde aanvullende berekeningen geluid" van Adviesburo Van der Boom" van 7 mei 2024 (geluidnotitie uit 2024), zijn berekend. Bij deze varianten is uitgegaan van de realisering van een 5 m hoog geluidsscherm op het bedrijfsterrein ten zuiden van de gewenste shredder al dan niet tezamen met een 2 m hoog L-vormig scherm in plaats van het door [appellante A] en [appellante B] gewenste bijbehorende bouwwerk van 6 m hoog. Zoals [appellante A] en [appellante B] ter zitting terecht hebben betoogd, is een 5 m hoog geluidsscherm gelet op artikel 4.2.4, onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Woonwijken Lichtenvoorde" niet toegestaan. Het standpunt van de raad dat desondanks een aanvaardbare geluidbelasting ter plaatse van de voorziene woningen kan worden gerealiseerd, omdat het geluidsscherm op de gemeentelijke gronden net buiten het bedrijfsterrein planologisch is toegestaan en kan worden gerealiseerd, volgt de Afdeling niet reeds omdat niet is onderzocht hoe hoog de geluidbelasting dan zal zijn ter plaatse van de voorziene woningen.

Het betoog slaagt.

4.8. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit niet voorbereid met de vereiste zorgvuldigheid. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd.

4.9. De Afdeling ziet aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand kunnen worden laten. In dit kader is van belang dat [appellante A] en [appellante B] op de zitting hebben toegelicht dat op 11 oktober 2023 een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een bouwwerk en het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van een overkapping/kapschuur voor het stallen van het wagenpark. Deze is volgens hen nodig in verband met diefstal. In het nadere stuk van 10 februari 2026 hebben [appellante A] en [appellante B] aangegeven dat deze overkapping/kapschuur in maart 2025 is gerealiseerd. Uit de nadere stukken van [appellante A] en [appellante B] en de raad van 10, 19 en 20 februari 2026 blijkt dat deze overkapping/kapschuur voor ongeveer 163 m2 buiten het bouwvlak ligt. Dit betekent dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak meer is dan de maximale 70 m² die is opgenomen in artikel 4.2.3 van de regels van het bestemmingsplan "Woonwijken Lichtenvoorde", welk bestemmingsplan vanaf 1 januari 2024 op grond van artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Oost Gelre als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet. De bouw van nieuwe bijbehorende bouwwerken is op grond van het omgevingsplan dan ook niet meer toegestaan.

4.10. Daarnaast is het, anders dan [appellante A] en [appellante B] betogen, op grond van de artikelen 22.26 en 22.35 van het omgevingsplan gemeente Oost Gelre niet mogelijk om vergunningsvrij een bouwwerk van 6 m hoog op te richten.

4.11. Gelet op hetgeen onder 4.6, 4.9 en 4.10 is overwogen, is het planologisch niet toegestaan om een bijbehorend bouwwerk van 6 m hoog te realiseren op de zuidoostelijke hoek van het perceel waar geen bouwvlak ligt. Dit betekent dat de realisering van een shredder evenmin mogelijk is, nu het bijbehorend bouwwerk noodzakelijk is om bij gebruik van de shredder te voldoen aan de geluidgrenswaarden ter plaatse van de bestaande woningen. De realisering van een shredder en een gebouw van 6 m hoog zijn daarom geen representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Gelet hierop hoeft de vraag of de in het verleden gesloten overeenkomsten in de weg staan aan de realisering van een shredder, niet te worden beantwoord.

4.12. Het oordeel in 4.11 betekent dat voor de beoordeling van de geluidbelasting ter plaatse van de voorziene woningen kan worden uitgegaan van het akoestisch onderzoek uit 2021 waarin de realisering van een shredder niet is meegenomen. De raad heeft dan ook terecht het in opdracht van [appellante B] opgestelde rapport "[VOF} [locatie] te Lichtenvoorde, Akoestisch onderzoek industrielawaai" van F. Bouwmans Ingenieursburo van 27 december 2021 waarin de geluidbelasting als gevolg van een shredder is berekend, buiten beschouwing gelaten.

4.13. In het akoestisch onderzoek uit 2021 staat dat een recycling- en groothandelsbedrijf valt onder milieucategorie 3.2. Hiervoor geldt op grond van stap 1 van de toetsingssystematiek van de VNG-brochure een richtafstand van 100 m tot woningen binnen het gebiedstype "rustige woonwijk". Aan deze afstand wordt niet voldaan. Gelet hierop heeft de raad op grond van stap 2 beoordeeld of ter plaatse wordt voldaan aan de geluidswaarden zoals opgenomen in paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure. De toegestane geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen bedraagt voor een rustige woonwijk in eerste instantie 45 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, 65 dB(A) etmaalwaarde voor het maximale geluidsniveau en 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking. In het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat aan deze waarden wordt voldaan. De in dit onderzoek berekende geluidcontour van 45 dB(A) is op de verbeelding aangeduid met "geluidzone - industrie". Ter zitting hebben [appellante A] en [appellante B] desgevraagd bevestigd dat zij - indien geen rekening moet worden gehouden met de plaatsing van een shredder met geluidsafscherming - de juistheid van deze geluidcontour niet betwisten.

4.14. Gelet hierop heeft de raad zich, naar het oordeel van de Afdeling, op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de voorziene woningen sprake zal zijn van een aanvaardbare geluidbelasting en dat [appellante A] en [appellante B] niet zullen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Hierbij betrekt de Afdeling dat zij het standpunt van [appellante A] en [appellante B] dat overeenkomstig de VNG-Brochure een richtafstand van 100 m moet worden aangehouden tussen haar bedrijfsterrein en woningen niet volgt, nu wordt voldaan aan de geluidbelasting die volgens paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure aanvaardbaar is. Wel begrijpt de Afdeling de vrees van [appellante A] en [appellante B] voor klachten wegens geluidoverlast, maar nu ter plaatse van de voorziene woningen wordt voldaan aan de geluidbelasting die geldt in een "rustige woonwijk" als bedoeld in de VNG-Brochure, heeft de raad aan deze vrees geen doorslaggevend gewicht hoeven toe te kennen.

4.15. De Afdeling ziet, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.9 tot en met 4.14, aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 2 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten.

Conclusie

5. Het beroep is gegrond. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Flierbeek fase 3 ’t Flierbos Lichtenvoorde" moet wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd. Gelet op hetgeen onder 4.9 tot en met 4.14 is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. Het bestemmingsplan blijft dus gelden.

6. De raad moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oost Gelre van 2 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Flierbeek fase 3 ’t Flierbos Lichtenvoorde";

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Oost Gelre tot vergoeding van bij [appellante A] en [appellante B]. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1938,74, waarvan een bedrag van € 1868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V. gelast dat de raad van de gemeente Oost Gelre aan [appellante A] en [appellante B]. het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 371,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.

w.g. Kaajan

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026

559

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?