202307260/1/R2.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en anderen, allen wonend in Sambeek, gemeente Land van Cuijk,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Land van Cuijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 28 september 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Torenstraat 41 Sambeek" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant A] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[partij A] B.V. en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 4 april 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Parkeernormen Land van Cuijk 2023" (parapluplan) vastgesteld.
[appellant A] en anderen hebben een nadere reactie en een nader stuk ingediend.
[partij A] en [partij B] hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 februari 2026, waar [appellant A], [appellant B] en [appellant C], bijgestaan door mr. P.J.G. Poels, advocaat in Nijmegen, en de raad, vertegenwoordigd door N.D. Siebers, zijn verschenen. Verder zijn daar [partij A] en [partij B], vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. J.A. Huijgen en mr. C.A.E. de Pous, advocaten in Den Haag, en vergezeld door [persoon], gehoord.
De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst om [appellant A] en anderen in de gelegenheid te stellen een reactie over het parapluplan in te dienen.
[appellant A] en anderen hebben een reactie ingediend.
[partij A] en [partij B] en de raad hebben daarop gereageerd.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft geen van de partijen verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 20 juli 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan voorziet in een verbouwing en modernisering van het voormalige kloostergebouw van de Dominicanessen van de heilige Catharina van Siena tot twaalf wooneenheden, alsmede ten zuiden van het kloostergebouw in nieuwbouw van een gebouw met zestien appartementen, op het perceel Torenstraat 41 in Sambeek. De woningen zijn alle vooral bedoeld voor senioren. [appellant A] en anderen wonen aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], aan de overzijde van de planlocatie, en vrezen voor nadelige gevolgen voor hun woon- en leefklimaat door de verbouw en de nieuwbouw. [partij A] en [partij B] zijn de initiatiefnemers van de woningbouwontwikkeling.
2.1. Met het parapluplan zijn de regels over parkeren in onder meer het onderhavige bestemmingsplan aangepast. Het parapluplan wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
Hoe toetst de Afdeling?
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Goede procesorde
4. [partij A] en [partij B] hebben op 12 februari 2026, elf dagen vóór de zitting, een verkeersnotitie van Iv-Infra van 23 januari 2026 ingezonden. [appellant A] en anderen hebben verzocht dit stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Zij stellen dat zij zich hierop onder meer wegens de vakantieperiode niet hebben kunnen voorbereiden. Strijd met de goede procesorde kan zich voordoen indien stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd. Ook al is de verkeersnotitie meer dan tien dagen vóór de zitting ingediend, is dat hier naar het oordeel van de Afdeling het geval. Zij zal de verkeersnotitie wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.
Intrekking beroepsgronden
5. [appellant A] en anderen hebben op de zitting hun beroepsgronden over de mogelijkheid van vergunningvrij bouwen aan de kant van de Torenstraat en over de voorwaardelijke verplichting voor de bouw van de kloostermuur, ingetrokken.
Parapluplan
6. Bij brief van 9 maart 2026 hebben [appellant A] en anderen te kennen gegeven dat met het parapluplan is tegemoetgekomen aan hun beroepsgrond dat artikel 3.1, onder f, van de planregels van het bestemmingsplan onjuist is geredigeerd. Hun van rechtswege ontstane beroep tegen het parapluplan is dus ongegrond.
Woningbehoefte
7. [appellant A] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgesteld. Er is niet aangetoond dat er een behoefte is aan seniorenwoningen. Bovendien ligt de planlocatie voor senioren op te grote afstand van voorzieningen. Het plan is niet in overeenstemming met de regionale en gemeentelijke woningbouwprogrammering, is strijdig met artikel 3.42 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov) en er is geen onderbouwing voor gegeven dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken als bedoeld in afdeling 5.4 van de Iov. Er zou volgens [appellant A] en anderen meer nadruk moeten worden gelegd op mogelijkheden tot herstructurering van bestaande bebouwing in de gemeente. Zij voeren verder aan dat de planregels niet voorzien in seniorenwoningen, maar in woningen in het algemeen, binnen de bestemming "Gemengd".
7.1. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro bepaalt dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien (de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking).
Artikel 3.42, eerste lid, van de Iov luidt: "Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:
a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;
b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is."
7.2. In de paragrafen 4.1.3, 4.2 en 4.3 van de toelichting bij het bestemmingsplan is beschreven dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking, de Iov, de Brabantse Omgevingsvisie en regionaal en gemeentelijk beleid. Daarbij is de raad ook ingegaan op afdeling 5.4 Regionaal samenwerken van de Iov. De raad stelt in de plantoelichting dat het plan past binnen de regionale en gemeentelijke woningbouwprogrammering, dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik omdat het een inbreidingslocatie binnen bestaand stedelijk gebied van Sambeek is, en dat de ontwikkeling past binnen de Structuurvisie Boxmeer 2030.
7.3. Het gaat hier om een kleinschalige ontwikkeling binnen de bebouwde kom. Waarom er elders in de gemeente wel, maar in Sambeek niet een behoefte zou bestaan aan de woningen, als voorzien in het plan, maken [appellant A] en anderen niet duidelijk. Uit de plantoelichting volgt dat, nog afgezien van de twaalf appartementen in het kloostergebouw, ook in Sambeek een woningbehoefte bestaat, namelijk aan 60 woningen tot 2040. [appellant A] en anderen bestrijden op zich ook niet dat er in Sambeek een kwantitatieve behoefte aan woningen bestaat. De raad is in de plantoelichting ingegaan op en heeft rekening gehouden met de Brabantse Agenda Wonen. Dat de woningbouwontwikkeling daarmee strijdig is, hebben [appellant A] en anderen niet aannemelijk gemaakt. In wat [appellant A] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan strijdig is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en artikel 3.42 van de Iov. Dat de woningen in het bestemmingsplan kwalitatief niet zijn gelabeld voor senioren, voor zover al mogelijk, leidt niet tot een andere conclusie omdat over het bestaan van een kwantitatieve behoefte aan woningen geen verschil van mening bestaat. Niet aannemelijk is dat bij andere doelgroepen geen behoefte aan woningbouw in Sambeek bestaat.
Het betoog slaagt niet.
Vorige bestemmingsplannen
8. Volgens [appellant A] en anderen staan de in het bestemmingsplan vastgelegde keuzes haaks op de planologische keuzes die zijn gemaakt in de voorheen geldende bestemmingplannen "Sambeek" uit 2013 en "Catharinaklooster e.o." uit 2015. Die keuzes zijn toen welbewust gemaakt. [appellant A] en anderen zijn van mening dat zij erop mochten vertrouwen dat die planologische situatie zou blijven bestaan. Met hun belangen heeft de raad geen rekening gehouden.
8.1. Het vorige planologische regime voor de planlocatie was het bestemmingsplan "Catharinaklooster e.o." en niet het bestemmingsplan "Sambeek". Op basis van het bestemmingsplan "Catharinaklooster e.o." konden ter plaatse van het kloostergebouw twaalf gestapelde woningen worden gebouwd. Ten zuiden daarvan konden twee halfvrijstaande woningen tot aan de Torenstraat worden gebouwd van maximaal 5,5 m hoog en één vrijstaande woning van maximaal 10 m hoog op een afstand van 4 m van de Torenstraat. Afgezien van die laatstbedoelde bouwmogelijkheid was voorzien in een wijzigingsbevoegdheid om ter plaatse zestien woningen mogelijk te maken. In zoverre maakte het vorige plan met maximaal zeventien woningen dus minder woningen mogelijk dan het voorliggende plan. Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zou geen verbinding voor gemotoriseerd verkeer tussen de woningen en de Torenstraat gecreëerd mogen worden. Het voorliggende plan voorziet wel in zo’n verbinding. In het algemeen kunnen evenwel aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat [appellant A] en anderen geen aanspraak kunnen maken op of vertrouwen kunnen ontlenen aan een planologisch ongewijzigde situatie.
Het betoog slaagt niet.
Op de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant A] en anderen door het nieuwe bestemmingsplan en de afweging die de raad heeft gemaakt, gaat de Afdeling hierna in.
Volume nieuwbouw
9. [appellant A] en anderen voeren aan dat het volume van de nieuwbouw in de vorm van gestapelde woningen niet past in de dorpse omgeving en niet aansluit bij het kloostergebouw.
Zij vinden verder dat de nieuwbouw op te korte afstand van de bestaande woningen aan de Torenstraat is voorzien.
[appellant A] en anderen voeren aan dat, ondanks de wat lagere bouwhoogte van 7 m van de nieuwbouw aan de kant van de Torenstraat, sprake zal zijn van een aantasting van hun privacy. Vanuit de appartementen zal vol op hun woningen en op de tuin van de woning met huisnummer [locatie 2]
worden uitgekeken. Dit is ook het geval vanaf de balkons die bij de appartementen kunnen komen, en vanaf de dakterrassen die op het lagere bouwdeel kunnen komen. Met dat laatste heeft de raad volgens hen geen rekening gehouden.
9.1. De nieuwbouw betreft een appartementencomplex van zestien woningen op een afstand van 7 m van de Torenstraat. Daarbij mag de eerste 9 m van het gebouw een maximale hoogte van 7 m hebben. Dat deel komt op een afstand van ongeveer 18-20 m van de woningen van [appellant A] en anderen. Voor zover de nieuwbouw 10,5 m hoog mag zijn, komt deze op 16 m van de Torenstraat en op een afstand van ongeveer 28 m van de woningen van [appellant A] en anderen. De nieuwbouw komt dus op een grotere afstand dan de bebouwing die het bestemmingsplan "Catharinaklooster e.o." bij recht mogelijk maakte. Met de wijzigingsbevoegdheid op basis van dat bestemmingsplan kon bovendien bebouwing met een hoogte van 10 m direct aan de Torenstraat mogelijk worden gemaakt.
De raad heeft een afweging gemaakt waarbij hij is ingegaan op de belangen van de omwonenden. Het bestemmingsplan is ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan als reactie op de zienswijzen gewijzigd vastgesteld. Daarmee wordt voorzien in bouwmogelijkheden met een kleinere inhoud, een lager deel aan de kant van de Torenstraat en twee appartementen minder (zestien in plaats van achttien). De raad acht de nieuwbouw een logische ontwikkeling in stedelijk gebied en niet onaanvaardbaar voor het woon- en leefklimaat van [appellant A] en anderen. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat de hiervoor genoemde afstanden niet ongebruikelijk zijn in stedelijk gebied. Hij heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat de nieuwbouw in omvang passend is bij en ondergeschikt is aan het kloostergebouw dat 15 m hoog is. Daarbij komt dat zich in de omgeving ook andere gebouwen met een vergelijkbare bouwhoogte als nu met het plan mogelijk wordt gemaakt, bevinden. Verder reikt het kloostergebouw tot aan de Torenstraat terwijl de voorziene nieuwbouw terugliggend van de Torenstraat is gesitueerd. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat de nieuwbouw stedenbouwkundig passend is.
Het bestemmingsplan staat er niet aan in de weg dat aan de nieuwbouw balkons komen. Daarvoor mag de grens van het bouwvlak worden overschreden, maar ingevolge artikel 5.2 van de planregels mag die overschrijding niet meer dan 1 m bedragen. Door de beperking tot 1 m diepte en gelet op de afstand tot de woningen van [appellant A] en anderen valt niet te verwachten dat die mogelijke balkons aan de naar hun woningen toegewende gevel van de nieuwbouw zullen leiden tot overlastgevend gebruik.
Voor de vrees van [appellant A] en anderen dat op het lagere bouwdeel van 7 m dakterrassen komen, biedt het bestemmingsplan geen ruimte. Een op dat bouwdeel te realiseren dakterras is vanwege een dan noodzakelijk hekwerk vergunningplichtig. Vergunningverlening op basis van het bestemmingsplan is niet mogelijk omdat met het hekwerk de maximale bouwhoogte van het bouwdeel wordt overschreden.
Het betoog slaagt niet.
De toren
10. [appellant A] en anderen komen op tegen het plandeel dat met een bouwhoogte van 15 m en een breedte van 11 m binnen de nieuwbouw een toren mogelijk maakt. [appellant A] en anderen vrezen voor inkijk vanuit en lichthinder door de toren. De gevel richting de Torenstraat zou blind worden uitgevoerd, maar dat is ten onrechte niet als voorwaardelijke verplichting in de planregels neergelegd. Ditzelfde geldt voor de galerijen van de toren naar het kloostergebouw. Er is bouwkundig een kleinere oplossing denkbaar met minder ruimtelijke gevolgen.
10.1. Het door [appellant A] en anderen bedoelde deel van de nieuwbouw, de toren, is mogelijk gemaakt op een afstand van ruim 40 m van hun woningen aan de overzijde van de Torenstraat. De toren is nodig in verband met hoogteverschillen tussen het kloostergebouw en de nieuwbouw. In de toren wordt de liftschacht aangebracht. Ook wordt hiermee een bij het klooster ooit aanwezige klokkentoren herbouwd. De omvang van het plandeel voor de toren is ingegeven door zowel de noodzakelijke ruimte voor de liftinstallatie, als de wens om bij de uitwerking nog enigszins te kunnen schuiven. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de toren en galerijen niet tot onevenredige overlast in de zin van inkijk en lichthinder voor [appellant A] en anderen zullen leiden. Gelet op de ruime afstand en de ligging in verstedelijkt gebied, heeft de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen aanleiding hoeven zien voor het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in het plan die erin voorziet dat er in de toren aan de kant van de Torenstraat geen ramen komen. Ook voor de galerijen tussen de toren en het kloostergebouw heeft de raad geen noodzaak voor het opnemen van een voorwaardelijke verplichting hoeven zien. De galerijen worden bovendien door het kloostergebouw en de voorziene nieuwbouw deels aan het zicht onttrokken.
Het betoog slaagt niet.
Bezonning
11. [appellant A] en anderen zijn van mening dat de bezonningsstudie tekortkomingen kent. De tekeningen van deze studie komen niet overeen met wat het bestemmingsplan mogelijk maakt. Ook is niet duidelijk of de toren van 15 m is meegenomen in de studie. De raad heeft verder niet onderkend dat het perceel [locatie 2] alleen een voortuin heeft waarop door de nieuwbouw op 21 juni een toename van schaduw komt te vallen. Ten onrechte is in de studie alleen het gevolg voor het tijdstip van 18.00 uur inzichtelijk gemaakt. Juist na dat tijdstip wordt gebruik gemaakt van de voortuin.
11.1. Als bijlage 1 is bij de plantoelichting de ‘Bezonningsstudie La Cour de Catherina Sambeek’ van BRO van 11 oktober 2022 gevoegd. In die studie is de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan, met daarop zichtbaar de hogere bouwhoogte voor de toren, weergegeven. Op de tekeningen van de analyse van de schaduwwerking is ook de toren zichtbaar. Daar is dus rekening mee gehouden.
In de bezonningsstudie is uitgegaan van de komst van achttien appartementen zonder een verlaagd voorste bouwdeel en dus niet van zestien appartementen met een tot 7 m verlaagd voorste bouwdeel. Hoewel met de studie dus niet precies de schaduwsituatie als gevolg van wat het vastgestelde bestemmingplan aan bebouwing mogelijk maakt, inzichtelijk is gemaakt, is dit voor [appellant A] en anderen niet nadelig omdat de schaduwgevolgen in de studie zijn overschat. Nog afgezien hiervan zouden de schaduwgevolgen groter zijn geweest als de bebouwing tot aan de Torenstraat zou worden gerealiseerd, die de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan "Catharinaklooster e.o." mogelijk maakt.
In de bezonningsstudie zijn de schaduwgevolgen voor 21 maart, 21 juni en 21 september om 09.00, 12.00, 15.00 en 18.00 uur weergegeven. Voor 21 juni zijn ook de gevolgen om 06.00 uur weergegeven. Voor 21 december zijn de gevolgen om 09.00, 12.00 en 15.00 uur weergegeven. Een beoordeling van de situatie op deze data en deze tijdstippen is gebruikelijk in bezonningsstudies. Dit geeft voldoende inzicht in de toekomstige situatie. Voor zover het gaat om de percelen van [appellant A] en anderen volgt uit de studie dat de voorziene ontwikkeling alleen op 21 juni om 18.00 uur tot enige extra schaduw leidt in een deel van de voortuin van de woning op het perceel [locatie 2]. Dat de schaduwwerking in die voortuin op 21 juni na 18.00 uur ruimer zal zijn, heeft de raad in de afweging van de belangen niet doorslaggevend hoeven achten. De mogelijkheden om van die tuin gebruik te maken, worden niet onevenredig beperkt. [appellant A] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de bezonningssituatie voor hen onevenredig zal verslechteren.
Het betoog slaagt niet.
Voorwaardelijke verplichtingen
12. [appellant A] en anderen betogen dat de voorwaardelijke verplichtingen in artikel 3.3 van de planregels tekortschieten en onduidelijk en rechtsonzeker zijn. De aanhef van de bepaling is ten onrechte beperkt tot het realiseren van het gebruik van de gebouwen. Er ontbreekt dat de voorwaardelijke verplichtingen ook betrekking hebben op het voortduren van het gebruik.
Verder maakt de voorwaardelijke verplichting onder a niet duidelijk welk erfbeplantingsplan moet worden uitgevoerd. Hier ontbreekt verder ook de instandhouding van het erfbeplantingsplan. Het verzekerd zijn van de uitvoering van het erfbeplantingsplan achten [appellant A] en anderen ontoereikend en te vrijblijvend.
In de voorwaardelijke verplichting in artikel 3.3, onder d, van de planregels is niet duidelijk wat wordt bedoeld met ‘het bestaande klooster’. Uit de nota van zienswijzen volgt zelfs dat een deel van het kloostergebouw wordt gesloopt.
12.1. Ingevolge artikel 3.3 van de planregels geldt ter plaatse van de aanduiding "overige zone - voorwaardelijke verplichting" dat het gebruik van gebouwen, niet zijnde bestaand gebruik van gebouwen, uitsluitend mag worden gerealiseerd indien:
a. de uitvoering van het erfbeplantingsplan verzekerd is;
b. de beplanting genoemd onder a vervolgens in stand gehouden wordt;
[…]
d. het bestaande klooster behouden blijft.
12.2. [appellant A] en anderen wijzen er terecht op dat de voorwaardelijke verplichtingen niet duidelijk zijn voor zover daarin wordt gesproken van het realiseren realiseren van het gebruik van gebouwen. Dit duidt immers alleen op het aanvangen van de ingebruikname van de woningen en verhoudt zich niet tot onderdeel d dat van een voortdurende situatie uitgaat. De planregel is niet zorgvuldig voorbereid.
Het betoog slaagt in zoverre.
12.3. Als bijlage bij de regels van het bestemmingsplan is een erfbeplantingsplan opgenomen. Hoewel de Afdeling geen aanleiding ziet om eraan te twijfelen dat het erf zal worden ingericht op de wijze zoals op de tekening van het erfbeplantingsplan is ingetekend en, anders dan [appellant A] en anderen aanvoeren, in artikel 3.3, onder b, van de planregels ook is voorzien in de instandhouding van de beplanting, stelt zij ook vast dat in onderdeel a geen dwingende verwijzing naar de bijlage met het erfbeplantingsplan is gemaakt. Verder is het verzekerd zijn van de uitvoering van het erfbeplantingsplan, zoals vermeld in onderdeel a, niet hetzelfde als het uitgevoerd zijn van dat plan wat de raad heeft bedoeld. Dit maakt dat [appellant A] en anderen terecht betogen dat de uitvoering van het erfbeplantingsplan niet is geborgd. De planregel is niet zorgvuldig voorbereid.
Het betoog slaagt in zoverre.
12.4. De raad wijst erop dat met ‘het bestaande klooster’ in onderdeel d het oorspronkelijke kloostergebouw wordt bedoeld. Het deel dat gesloopt wordt, is een aanbouw van latere datum. Daarop ziet de voorwaardelijke verplichting niet. Met de sloop van dat gedeelte kan de oorspronkelijke vorm van het kloostergebouw beter zichtbaar worden gemaakt. Het is de Afdeling niet duidelijk geworden waarom de raad niet heeft gekozen voor de woorden ‘oorspronkelijk kloostergebouw’. Op de zitting heeft de raad gezegd zich erin te kunnen vinden dat de tekst in die zin wordt aangepast. Ook deze planregel is niet zorgvuldig voorbereid.
Het betoog slaagt in zoverre.
Bomen en geparkeerde auto’s
13. [appellant A] en anderen voeren verder aan dat in het erfbeplantingsplan ten onrechte geen eisen zijn gesteld aan de hoogte van de te planten bomen op de gronden tegenover hun woningen. De bomen moeten bij aanplant voldoende hoog zijn om het zicht op de in het plangebied geparkeerde auto’s weg te nemen. Ook is niet bepaald dat de gronden voor het nieuwe gebouw niet voor parkeren in gebruik mogen worden genomen.
13.1. Het erfbeplantingsplan voorziet erin dat er drie stuks Parrotia persica ‘Vanessa’ (Perzisch ijzerhout) langs de Torenstraat worden aangeplant. Een van die bomen komt ter hoogte van de voorziene parkeervakken, zodat daarmee het zicht op de daar geparkeerde auto’s wordt beperkt. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling niet hoeven te voorzien in een minimumhoogte van die bomen. De bomen moeten in stand worden gehouden en zullen op den duur een maximale hoogte (van ongeveer 10 m) bereiken. Dat er een onaanvaardbaar zicht op geparkeerde auto’s zal ontstaan, hebben [appellant A] en anderen niet aannemelijk gemaakt.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
13.2. De gronden met een diepte van 7 m tussen de nieuwbouw en de Torenstraat zijn in het erfbeplantingsplan grijsgroen ingekleurd en deze zijn, zoals de raad in het verweerschrift heeft gesteld, bedoeld voor gras en uitdrukkelijk niet voor parkeren. Er zijn daar in het erfbeplantingsplan ook geen parkeervakken ingetekend. Niettemin maakt het bestemmingsplan hier ingevolge artikel 3.1, onder f, van de planregels parkeervoorzieningen mogelijk. Dat is niet wat de raad heeft bedoeld. Het bestemmingsplan is in zoverre niet zorgvuldig voorbereid.
Het betoog slaagt in zoverre.
Parkeren
14. [appellant A] en anderen betogen dat bij de berekening van de parkeerbehoefte ten onrechte niet is uitgegaan van een maximale invulling van het bestemmingsplan met appartementen in de categorie duur. Verder is de parkeerbehoefte van de functieaanduiding "specifieke vorm van gemengd - sociaal-culturele doeleinden" niet meegenomen en kunnen er hier ook gestapelde woningen komen. Een reductie voor dubbel gebruik is ten onrechte toegepast doordat de woningen voor senioren zijn bedoeld, die overdag veelal thuis zijn, en de parkeerplaatsen voor gehandicapten en elektrisch laden niet voor dubbel gebruik kunnen worden ingezet. Omdat zeventien parkeerplaatsen zijn voorzien op gronden van de gemeente ten noorden van het plangebied is er strijd met de gemeentelijke parkeernota. Als alle parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden aangelegd, zou het nieuwe gebouw kleiner moeten worden.
14.1. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor bouwen van de in het plan voorziene ontwikkeling aan de orde zal komen, dient de raad bij de vaststelling van het plan al wel te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen zou kunnen worden voorzien, en dat de raad zich om die reden niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
14.2. In paragraaf 5.6 van de plantoelichting is de raad ingegaan op de parkeerbehoefte. Hij heeft zich daarvoor gebaseerd op onderzoek van Megaborn, neergelegd in de ‘Notitie parkeeronderzoek’ van 17 juli 2023, bijlage 7 bij de plantoelichting. Megaborn is overeenkomstig gemeentelijk beleid uitgegaan van de parkeerkencijfers van het CROW.
14.3. Voor het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - sociaal-culturele doeleinden" heeft de raad geen parkeerbehoefte gerekend omdat de daar bedoelde recreatieruimte alleen is bedoeld voor de bewoners van de nieuwe woningen. De Afdeling acht dit uitgangspunt van de raad onjuist. Er is niet vastgelegd dat de sociaal-culturele doeleinden beperkt zijn tot de functie wonen door de bewoners van de nieuwe woningen. Een gebruik voor sociaal-culturele doeleinden valt aan te merken als een vorm van maatschappelijke voorzieningen als bedoeld in artikel 1.31 van de planregels wat erop wijst dat het een openbaar karakter heeft of kan hebben. De raad heeft onder meer de verkeersaantrekkende werking van die vorm van gebruik niet in ogenschouw genomen. Hij heeft zich niet op het standpunt kunnen stellen dat een dergelijke verkeersaantrekkende werking er niet is. Het bestemmingsplan is in zoverre niet zorgvuldig voorbereid. Op de zitting is dit aan de orde gesteld. Partijen hebben te kennen gegeven dat een vernietiging van de aanduiding en de regeling daarvoor in artikel 3.1, onder b, van de planregels niet op grote bezwaren stuit. Mochten ruimere gebruiksmogelijkheden in de toekomst alsnog nodig worden geacht, dan kan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd. De Afdeling zal hierna geen rekening houden met de hier bedoelde aanduiding.
Het betoog slaagt in zoverre.
14.4. Als uitgangspunten bij het onderzoek naar de parkeerbehoefte heeft Megaborn gehanteerd de realisatie van dure huurappartementen en middeldure koopappartementen ondanks de vermelding in figuur 1 bij variant 2 van dure koopappartementen. De gehanteerde parkeernorm van 1,9 ziet namelijk op middeldure koopappartementen. Bij zowel dure huur als middeldure koop is de norm 1,9 parkeerplaats per appartement. Voor zover het gaat om de doelgroep senioren valt niet in te zien dat met deze norm van een te lage parkeerbehoefte wordt uitgegaan. Samen met de kantoorfunctie binnen het plangebied (de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - kantoor zonder baliefunctie") zijn 60 parkeerplaatsen benodigd. Als uitgegaan moet worden van dure koopappartementen zouden dit, bij een parkeernorm van 2,1, enkele parkeerplaatsen meer moeten zijn.
Doordat een kantoor- en een woonfunctie deels afwisselend beslag leggen op de parkeerplaatsen, heeft de raad gerekend met een correctie voor dubbelgebruik. De Afdeling ziet niet in dat een dergelijke wijze van berekening, die overeenkomt met de aanbevelingen van het CROW, niet correct of niet representatief zou zijn. In totaal zijn er volgens de raad 53 parkeerplaatsen nodig. Bij een parkeernorm van 2,1 zouden dit er volgens de Afdeling iets meer moeten zijn. Er is volgens de raad voorzien in de aanleg van 57 parkeerplaatsen, meer dan volgens de parkeernorm van 1,9 nodig is: zeventien ten noorden van het plangebied op gemeentegrond wat de initiatiefnemers en de gemeente contractueel zijn overeengekomen, en 40 binnen het plangebied. De Afdeling heeft geen aanknopingspunten om eraan te twijfelen dat in het plangebied en de gronden ten noorden daarvan kan worden voorzien in 57 parkeerplaatsen. Op het erfbeplantingsplan zijn bovendien niet 40, maar 42 plaatsen ingetekend en voor het geval enkele plekken meer nodig zijn, is daarvoor op de gronden ten noorden van het plangebied ruimte. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat, ook als deels moet worden uitgegaan van de parkeernorm van 2,1, niet aan de gemeentelijke parkeernota kan worden voldaan en dat niet kan worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Daarbij overweegt zij nog dat de Nota Parkeernormen Boxmeer (2015) en ook de Nota Parkeernormen 2023 Gemeente Land van Cuijk die inmiddels ingevolge het parapluplan geldt, zich niet tegen aanleg van parkeerplaatsen buiten het eigen terrein verzetten.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
Verkeerssituatie
15. [appellant A] en anderen zijn van mening dat de Torenstraat uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet geschikt is als ontsluitingsweg. De straat is daarvoor te smal. Verder komen er binnen het plangebied haakse bochten en de weg loopt daar in noordelijke richting dood. Er kan daar met voertuigen niet worden gekeerd. Die situatie leidt mogelijk tot verkeerstechnisch ongewenst parkeren op de Torenstraat zelf. Ook is het lastig om vanaf de Torenstraat de Grotestraat op te rijden. De situatie daar zal verslechteren door het extra verkeer. In het bestemmingsplan "Catharinaklooster e.o." was in de wijzigingsbevoegdheid in artikel 11 van de planregels neergelegd dat er geen verbinding voor gemotoriseerd verkeer is toegestaan tussen de nieuwe woningen en de Torenstraat. De verkeerssituatie is sindsdien niet veranderd. De ontsluiting zou volgens [appellant A] en anderen ten minste deels via de Catharinalaan moeten lopen. Zij beroepen zich verder op een memo van SVA Stiphout Verkeersadvies van 15 november 2024 (verkeersmemo).
15.1. De Afdeling overweegt allereerst onder verwijzing naar wat zij onder 8.1 heeft overwogen, dat wat in een vorig bestemmingsplan staat, niet bepalend is voor een nieuw bestemmingsplan. De raad heeft met het voorliggende bestemmingsplan niet gekozen voor een in-/uitrit van en naar de Catharinalaan om sluip- en zoekverkeer tussen die laan en de Torenstraat te voorkomen en omdat die laan uitkomt op een fietsstraat waar auto’s te gast zijn. De gemaakte keuze heeft tot gevolg dat, voor zover het gaat om de parkeerplaatsen binnen het plangebied, op het terrein moet worden gekeerd. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat er hiervoor binnen wat op de tekening van het erfbeplantingsplan is aangegeven, voldoende ruimte is om dit veilig te kunnen doen.
Verder mag er, zoals de Afdeling onder 14.4 heeft overwogen, op voorhand van worden uitgegaan dat voorzien kan worden in voldoende parkeerplaatsen voor het kloostergebouw en de voorziene nieuwbouw, zodat niet aannemelijk is dat het bestemmingsplan leidt tot parkeeroverlast op de Torenstraat zelf.
Megaborn heeft een verkeersonderzoek gedaan, neergelegd in de ‘Notitie verkeersonderzoek’ van 17 juli 2023, bijlage 6 bij de plantoelichting. Uit dit onderzoek, waar de raad zich op baseert, volgt dat de Torenstraat en de omliggende wegen ruimschoots zijn berekend op het extra verkeersaanbod. Met de verkeersmemo komen [appellant A] en anderen tegen deze conclusie van Megaborn op.
In de verkeersmemo staat dat ten onrechte niet wordt uitgegaan van het gemiddelde kengetal voor dure koopappartementen. Verder staat in de verkeersmemo dat voor de verkeersintensiteit ten onrechte niet is uitgegaan van het werkdaggemiddelde. Volgens de verkeersmemo genereert het gebruik van het voormalige kloostergebouw geen verkeer, zodat daar geen rekening mee mag worden gehouden.
Nog daargelaten of hier dure dan wel middeldure koopappartementen komen, de raad heeft naar het oordeel van de Afdeling niet hoeven uit te gaan van een gemiddeld getal, maar kan kiezen voor een kencijfer aan de onderzijde van de bandbreedte. Als de kanttekeningen van de verkeersmemo worden meegenomen, dan zal de verkeersintensiteit op de Torenstraat toenemen met ongeveer 250 motorvoertuigen op een gemiddelde werkdag. Bij dit aantal is dat ongeveer één extra motorvoertuig per drie minuten in het drukste spitsuur. Dat is dus beperkt meer dan wat de raad met gemiddeld één voertuig per vier minuten heeft aangenomen.
Als er vervolgens van wordt uitgegaan, zoals in de verkeersmemo staat, dat het voormalige kloostergebouw geen verkeer genereert, zal de huidige verkeersintensiteit van 250 op de Torenstraat uitkomen op ongeveer 500 op een werkdag. De Afdeling stelt vast dat dit aantal ruim onder de voor erftoegangswegen, zoals de Torenstraat, aangenomen maximale verkeersverwerkingscapaciteit ligt. Door de beperkte breedte van de Torenstraat van ongeveer 3,7 m zal elkaar tegemoetkomend verkeer met gepaste snelheid moeten rijden. Een vlotte verkeersafwikkeling is daardoor wellicht, zoals de verkeersmemo stelt, niet altijd mogelijk, maar de Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat een overbelaste verkeerssituatie in de Torenstraat en aanliggende straten zich niet zal voordoen. Dat de verkeersveiligheid van vooral voetgangers hier ernstig in het gedrang komt, hebben [appellant A] en anderen met de verkeersmemo niet aannemelijk gemaakt. De maximumsnelheid op de Torenstraat bedraagt 30 km/uur en het wegprofiel is smal zodat hier met gepaste snelheid moet worden gereden. Dat het oprijden van de Grotestraat lastig wordt, lichten [appellant A] en anderen verder niet toe. Dit betekent dat de raad de ontsluiting via de Torenstraat aanvaardbaar heeft kunnen achten. Omdat een ontsluiting via de Catharinalaan niet zonder bezwaren is, ziet de Afdeling, mede gelet op de beleidsruimte van de raad bij de keuze voor de ontsluiting van een plangebied, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad uit ruimtelijk oogpunt had moeten kiezen, zoals in de verkeersmemo staat, voor een ontsluiting via de Catharinalaan.
Het betoog slaagt niet.
Geluidhinder
16. [appellant A] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met geluidhinder door het verkeer van en naar de planlocatie, mede gelet op het klankkasteffect van de Torenstraat.
16.1. Uit paragraaf 5.6 van de plantoelichting volgt dat het aantal verkeersbewegingen van motorvoertuigen van en naar de planlocatie ten opzichte van de oude situatie stijgt van 74 naar 191 per etmaal. In het drukste spitsuur (tussen 17.00 en 18.00 uur) worden ongeveer zeventien verkeersbewegingen van en naar de planlocatie verwacht (9% van 191), deels binnen het plangebied en deels ten noorden daarvan. Uit wat de Afdeling onder 15.1 heeft overwogen, volgt dat deze cijfers naar haar oordeel iets hoger uitvallen. Niettemin gaat het om een beperkte toename van autoverkeer, waardoor de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet valt in te zien dat bij de woningen van [appellant A] en anderen onaanvaardbare geluidhinder kan worden verwacht. Verder zal de groenstrook aan de voorzijde van de nieuwbouw weerkaatsing van geluid beperken zodat volgens de raad voor een onaanvaardbaar klankkasteffect door het kloostergebouw en de nieuwbouw ook niet hoeft te worden gevreesd. Dat dit anders ligt, hebben [appellant A] en anderen niet, met bijvoorbeeld een deskundig geluidsonderzoek, aannemelijk gemaakt.
Het betoog slaagt niet.
Lichthinder
17. [appellant A] en anderen voeren aan dat er meer lichthinder van inschijnende koplampen bij de woningen [locatie 2] en [locatie 3] zal ontstaan door de tegenover die woningen voorziene uitrit. De raad heeft dat volgens hen ten onrechte niet onderzocht.
17.1. Anders dan [appellant A] en anderen stellen, komt de uitrit van het plangebied niet direct tegenover de woningen [locatie 2] en [locatie 3] te liggen. Uit het erfbeplantingsplan volgt dat deze voor een beperkt deel tegenover de woning [locatie 2] komt te liggen. Het effect van inschijnende verlichting is al daarom gering. Omdat de in-/uitrit ook nu al wordt gebruikt voor het kloostergebouw en omdat ten noorden van het plangebied voor de daar aan te leggen parkeerplaatsen is voorzien in een tweede in-/uitrit, gaat het nu met het bestemmingsplan alleen om een deel van het extra autoverkeer door de planontwikkeling en op de momenten dat het donker is. De door de raad gehanteerde aantallen uitrijdend autoverkeer, dat zich vooral in de ochtend voordoet, zullen vermoedelijk wat hoger liggen, maar de raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het niettemin om geringe aantallen gaat zodat de gevolgen door lichtinschijning niet onevenredig zullen zijn. Van dergelijke hinder is overigens in de huidige situatie ook al niet gebleken.
Het betoog slaagt niet.
Financiële haalbaarheid
18. [appellant A] en anderen bestrijden het nut en de noodzaak van de nieuwbouw om de voorgestane herontwikkeling van het kloostergebouw kostentechnisch mogelijk te maken. De initiatiefnemers hebben het klooster zelf voor slechts € 110.000,00 kunnen kopen. Voor die aankoop heeft in strijd met het Didam-arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778, geen openbare procedure plaatsgevonden.
18.1. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.
18.2. Met wat [appellant A] en anderen aanvoeren, maken zij niet aannemelijk dat de nieuwbouw niet nodig is om de herontwikkeling van het kloostergebouw mogelijk te maken. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de lage aankoopsom van het kloostergebouw er niet aan afdoet dat in de herontwikkeling van het gebouw fors moet worden geïnvesteerd en dat een rendabele exploitatie alleen op langere termijn haalbaar is met daarbij de bouw van het voorziene appartementengebouw. Het renoveren van alleen het kloostergebouw zelf is financieel niet haalbaar gebleken. De Afdeling ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen.
Verder staat de koopovereenkomst uit 2018 inzake het kloostergebouw tussen de gemeente en [partij A] in deze procedure bij de bestuursrechter niet ter beoordeling. Daargelaten of kan worden geconcludeerd dat destijds niet aan de vereisten uit het nadien gewezen Didam-arrest is voldaan, betekenen de eventuele gevolgen van dit arrest voor die koopovereenkomst niet op voorhand dat het bestemmingsplan als zodanig niet uitvoerbaar is. Een bestemmingsplan regelt immers niet door welke gegadigde het wordt uitgevoerd. [appellant A] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad op voorhand had moeten inzien dat het bestemmingsplan niet kan worden uitgevoerd zonder dat de daarvoor benodigde gemeentelijke gronden in strijd met het gelijkheidsbeginsel, zoals nader is uitgewerkt in het Didam-arrest, aan [partij A] zouden zijn verkocht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1157, onder 9.3-9.4.
Het betoog slaagt niet.
Financieel alternatief
19. [appellant A] en anderen betogen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de financiële haalbaarheid van alternatieve varianten, zoals grondgebonden woningen, terwijl de raad wel heeft gesteld dat die varianten financieel niet haalbaar zijn.
19.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan financieel-economisch uitvoerbaar is. Het plan is voor de initiatiefnemers financieel haalbaar. Daarom is dat plan, dat ook uitgaat van de wens van de raad om het kloostergebouw te behouden, in procedure gebracht. Een plan met alleen grondgebonden woningen zou niet kunnen voorzien in het aantal woningen dat nu is vastgesteld. Of zo’n plan financieel uitvoerbaar zou zijn, heeft de raad al daarom niet hoeven te onderzoeken.
Het betoog slaagt niet.
Zienswijzen
20. [appellant A] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van hun zienswijzen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant A] en anderen hebben in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
21. In wat [appellant A] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling, gelet op wat zij onder 12.2, 12.3, 12.4, 13.2 en 14.3 heeft overwogen, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - sociaal-culturele doeleinden", artikel 3.1, onder b, van de planregels, het ontbreken van een verwijzing naar het erfbeplantingsplan in artikel 3.1, onder f, van de planregels en artikel 3.3, aanhef, onder a en onder d, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre moet worden vernietigd.
21.1. Omdat partijen op de zitting hebben ingestemd met aanpassing van de planregels en niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, namelijk door artikel 3.1, onder f, van de planregels aan het erfbeplantingsplan te koppelen, de aanhef van artikel 3.3 van de planregels te wijzigen, onder a van die bepaling naar de bijlage erfbeplantingsplan bij de planregels te verwijzen en onder d te verduidelijken dat het gaat om het oorspronkelijke kloostergebouw, en door te bepalen dat deze uitspraak wat deze planonderdelen betreft in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit in zoverre is vernietigd.
21.2. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
22. De raad moet de proceskosten vergoeden. Een vergoeding voor gemaakte kosten voor het opstellen van de verkeersmemo blijft achterwege omdat het betoog over verkeer niet slaagt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Land van Cuijk van 4 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Parkeernormen Land van Cuijk 2023" ongegrond;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Land van Cuijk van 28 september 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Torenstraat 41 Sambeek" gegrond;
III. vernietigt dat besluit voor zover het betreft:
a. onderdeel b van artikel 3.1 van de planregels;
b. de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - sociaal-culturele doeleinden" in de verbeelding;
c. onderdeel f van artikel 3.1 van de planregels;
d. de aanhef van artikel 3.3 van de planregels;
e. onderdeel a van artikel 3.3 van de planregels;
f. onderdeel d van artikel 3.3 van de planregels;
IV. bepaalt dat:
a. onderdeel f van artikel 3.1 van de planregels als volgt komt te luiden: ‘tuinen, erven en parkeervoorzieningen overeenkomstig het erfbeplantingsplan, zoals opgenomen in de bijlage bij de regels;’;
b. de aanhef van artikel 3.3 van de planregels als volgt komt te luiden: ‘Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - voorwaardelijke verplichting’ geldt dat het gebruik van gebouwen, niet zijnde bestaand gebruik van gebouwen, uitsluitend mag plaatsvinden indien:’;
c. onderdeel a van artikel 3.3 van de planregels als volgt komt te luiden: ‘a. het erfbeplantingsplan, zoals opgenomen in de bijlage bij de regels, uitgevoerd is;’;
d. onderdeel d van artikel 3.3 van de planregels als volgt komt te luiden: ‘d. het oorspronkelijke kloostergebouw behouden blijft.’;
V. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft onderdeel IV in de plaats treedt van het besluit van de raad van de gemeente Land van Cuijk van 28 september 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Torenstraat 41 Sambeek" voor zover dit onder III.c tot en met III.f is vernietigd;
VI. draagt de raad van de gemeente Land van Cuijk op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III en IV worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
VII. veroordeelt de raad van de gemeente Land van Cuijk tot vergoeding van bij [appellant A] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.401,43, waarvan € 2.335,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VIII. gelast dat de raad van de gemeente Land van Cuijk aan [appellant A] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Besselink
voorzitter
w.g. Bechinka
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
371