ECLI:NL:RVS:2026:2057

ECLI:NL:RVS:2026:2057

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 202306777/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 21 september 2023 heeft de raad van de gemeente Nijkerk het bestemmingsplan "Nijkerkerveen Deelplan 3, 2023" vastgesteld. In de plantoelichting staat dat de raad op 15 maart 2007 heeft besloten de kern van Nijkerkerveen te ontwikkelen. Deze ontwikkeling is in fases opgeknipt. Het bestemmingsplan "Nijkerkerveen Deelplan 3, 2023" maakt deelplan 3 van de uitbreiding van de kern van Nijkerkerveen in planologische zin mogelijk. Het plangebied bestaat met name uit agrarische percelen. Ook staan er al enkele woningen. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om op de gronden die op de verbeelding de bestemming "Woongebied" hebben gekregen maximaal 343 nieuwe woningen te bouwen. Dit maximum aantal woningen is geborgd in artikel 8.2.2, onder a, van de planregels. Daarnaast biedt het bestemmingsplan ruimte voor zeven nieuwe woningen op de gronden met de bestemming "Wonen". [appellant sub 3] betoogt dat de raad het beginsel van fair play heeft geschonden. In het ontwerpplan was voor de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - cluster 2" één geluidsscherm voorgeschreven van 2 m hoog en 28 m lang.

Uitspraak

202306777/1/R4.

Datum uitspraak: 15 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend in Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend in Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

3. [appellant sub 3], wonend in Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

4. [appellante sub 4], gevestigd in Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

5. [appellante sub 5], gevestigd in Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Nijkerk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijkerkerveen Deelplan 3, 2023" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4] en [appellante sub 5] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 19 september 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijkerkerveen Deelplan 3, 2023" gewijzigd vastgesteld.

[appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellante sub 4] en [appellante sub 5] hebben gronden over het besluit van 19 september 2024 naar voren gebracht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellante sub 5] en de raad hebben een zienswijze daarop naar voren gebracht.

Bij besluit van 22 mei 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijkerkerveen Deelplan 3, 2023" gewijzigd vastgesteld.

[appellant sub 3] heeft gronden over het besluit van 22 mei 2025 naar voren gebracht.

[appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellante sub 4] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 januari 2026, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. W.M. Janse, advocaat in Harderwijk, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellante sub 4], vertegenwoordigd door G.G. Prinsen, rechtsbijstandsverlener in Amersfoort, [appellante sub 5], ook vertegenwoordigd door G.G. Prinsen, en de raad, vertegenwoordigd door J.J. Grobben, J.W. Bomhof, B. van den Hoven, J. van der Mark en J. van der Burg, bijgestaan door mr. J.H. Meijer, advocaat in Arnhem, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 24 november 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet (de Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. In de plantoelichting staat dat de raad op 15 maart 2007 heeft besloten de kern van Nijkerkerveen te ontwikkelen. Deze ontwikkeling is in fases opgeknipt. Het bestemmingsplan "Nijkerkerveen Deelplan 3, 2023" maakt deelplan 3 van de uitbreiding van de kern van Nijkerkerveen in planologische zin mogelijk. Het plangebied bestaat met name uit agrarische percelen. Ook staan er al enkele woningen. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om op de gronden die op de verbeelding de bestemming "Woongebied" hebben gekregen maximaal 343 nieuwe woningen te bouwen. Dit maximum aantal woningen is geborgd in artikel 8.2.2, onder a, van de planregels. Daarnaast biedt het bestemmingsplan ruimte voor zeven nieuwe woningen op de gronden met de bestemming "Wonen".

3. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] wonen nabij het plangebied. [appellante sub 4] en [appellante sub 5] zijn naast het plangebied gevestigd. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan en hebben beroep ingesteld. Omdat enkele beroepsgronden overlappen, zal de Afdeling de beroepen per onderwerp behandelen. Hierbij is nog het volgende van belang.

Bij besluit van 19 september 2024 en bij besluit van 22 mei 2025 heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Het beroep over het besluit van 21 september 2023 gaat van rechtswege ook over het besluit van 19 september 2024 en over het besluit van 22 mei 2025. Dat regelt artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling gaat daarom bij de bespreking van de beroepen uit van de nieuwste versie van het plan. Dat is de versie zoals is vastgesteld op 22 mei 2025. Daarna zal worden bekeken of nog belang bestaat bij de beoordeling van het besluit van 19 september 2024 en het besluit van 21 september 2023.

4. In deze uitspraak wordt verwezen naar wet- en regelgeving. Als deze wet- en regelgeving niet in de overweging staat, staat deze regelgeving in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.

Toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

De beroepsgronden

Ingetrokken beroepsgronden

6. Op de zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgrond over de verhouding tussen artikel 9.1 van de planregels en de Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013 en zijn beroepsgrond over de keuze van de raad het plangebied te beperken tot deelplan 3 ingetrokken.

Nieuwe beroepsgronden

7. In hun nadere stuk van 5 november 2024 betogen [appellante sub 4] en [appellante sub 5] dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar lichthinder die bij de nieuwe woningen wordt veroorzaakt door de koplampen van vrachtverkeer.

[appellant sub 1] heeft op de zitting aangevoerd dat het aantal benodigde parkeerplaatsen niet juist is berekend.

7.1. De Afdeling stelt vast dat [appellante sub 4], [appellante sub 5] en [appellant sub 1] deze beroepsgronden niet in hun beroepschrift naar voren hebben gebracht. Op deze procedure is de Chw van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. In de bekendmaking van het besluit van 21 september 2023 of in het besluit van 21 september 2023 zelf staat ten onrechte niet dat de Chw van toepassing is. Daarom heeft de Afdeling bij brief van 3 juli 2024 appellanten ervan op de hoogte gesteld dat de Chw van toepassing is. Sinds deze brief van 3 juli 2024 wisten appellanten dat de Chw van toepassing is en dat, met uitzondering van de in de brief van 3 juli 2024 geboden termijn van drie weken, geen nieuwe beroepsgronden buiten de beroepstermijn kunnen worden aangevoerd. Daarom laat de Afdeling de hierboven onder 7 genoemde beroepsgronden buiten beschouwing.

Procedurele bezwaren

Onzorgvuldige procedure

8. [appellant sub 3] betoogt dat de raad het beginsel van fair play heeft geschonden. In het ontwerpplan was voor de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - cluster 2" één geluidsscherm voorgeschreven van 2 m hoog en 28 m lang. Nadat de zienswijzetermijn is verstreken, heeft de raad ervoor gekozen een plan vast te stellen waarin op deze gronden de bouw wordt voorgeschreven van twee geluidsschermen van 4,5 m hoog en 95 m lang respectievelijk 4,5 m hoog en 17 m lang. Dit is een dusdanige wijziging, dat [appellant sub 3] meent dat het plan opnieuw als ontwerp ter inzage had moeten worden gelegd. Daarnaast wijst [appellant sub 3] erop dat de gemeente tijdens de beroepstermijn een brief heeft gestuurd aan omwonenden waarin het beeld werd geschetst dat nog geen definitief besluit was genomen over de geluidsschermen.

8.1. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Alleen als de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, moet de wettelijke procedure opnieuw worden doorlopen.

De raad heeft in dit geval het plan vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar aard en omvang niet zo groot dat een wezenlijk ander plan voorligt. De Afdeling betrekt hierbij het volgende. Op de verbeelding van het ontwerpplan heeft een deel van het plangebied de bestemming "Woongebied", met de aanduiding "specifieke vorm van woongebied-cluster 2". Een kleine strook heeft de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - geluidwerende voorziening 2". Deze strook biedt ruimte voor een geluidsscherm van ongeveer 28 m lang. Op grond van artikel 8.1, onder d, van de ontwerpplanregels mag dit scherm maximaal 2 m hoog worden. Op de verbeelding van het bestemmingsplan heeft een aanzienlijk groter gedeelte van de gronden de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - geluidwerende voorziening 2" gekregen. Er wordt nu ruimte geboden voor een geluidsscherm van zo’n 95 m lang en een geluidsscherm van zo’n 17 m lang. Op grond van artikel 8.1, onder d, van de planregels mogen deze schermen maximaal 4,5 m hoog worden. De Afdeling onderkent dat deze wijziging van belang is voor en gevolgen heeft voor [appellant sub 3]. Maar ten opzichte van het plan als geheel is deze afwijking naar aard en omvang niet dusdanig groot dat moet worden gesproken van een wezenlijk ander plan.

Het betoog slaagt niet.

Verbod van détournement de pouvoir

9. [appellant sub 3] betoogt dat de raad het verbod van détournement de pouvoir heeft geschonden. De geluidsschermen zijn niet met het oog op een goede ruimtelijke ordening in het plan opgenomen, maar vanuit het belang van de gemeente Nijkerk als projectontwikkelaar. Dat blijkt uit een telefoongesprek met een medewerker van de gemeente op 14 september 2023, waarin werd bevestigd dat niemand zit te wachten op de realisatie van geluidsschermen van deze omvang. Ook blijkt dat uit de ongedateerde brief van de gemeente die rond 3 november 2023 aan omwonenden is gestuurd, waarin staat dat de realisatie van geluidsschermen niet definitief is. Verder wijst [appellant sub 3] op de keuze van de gemeente om een privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten met de ontwikkelaar, waarin is bepaald dat de raad opnieuw in het proces moet worden betrokken als de schermen toch worden geplaatst. Tot slot wijst [appellant sub 3] erop dat hij heeft geprobeerd in overleg te treden met de gemeente om woningbouw mogelijk te maken op zijn perceel. De wijze waarop is omgegaan met dit overleg en de onvolledige informatieverstrekking, toont aan dat de gemeente enkel bezig is met het behartigen van haar belangen als projectontwikkelaar.

9.1. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad in strijd heeft gehandeld met het verbod van détournement de pouvoir. Anders dan wat [appellant sub 3] stelt, zijn de geluidsschermen in het plan opgenomen met het oog op een goede ruimtelijke ordening. De geluidsschermen hebben namelijk als doel ervoor te zorgen dat de bewoners van de nieuwe woningen geen geluidsoverlast ervaren van de naastgelegen bedrijven. Dat is bij uitstek een belang dat wordt meegenomen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dat de geluidsschermen ook ruimtelijke effecten hebben op de omgeving, is een belang dat ook moet worden meegewogen. Dat de raad desondanks een zwaarder gewicht heeft toegekend aan woningbouw, maakt niet dat de raad in strijd met het verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld. De opmerkingen over het overleg en de onvolledige informatieverstrekking geven geen aanleiding voor een ander oordeel.

Het betoog slaagt niet.

Ladder voor duurzame verstedelijking

10. [appellant sub 1] betoogt dat het plan in strijd met artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgesteld. Er is niet gemotiveerd in welke behoefte wordt voorzien en waarom deze ontwikkeling in landelijk gebied moet worden gerealiseerd. Dit terwijl het aantal woningen wel meermaals is verhoogd, waardoor de bebouwingsdichtheid is verhoogd. Het is niet duidelijk waarom deze verdichting nodig is.

10.1. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.

10.2. In paragraaf 4.1 van de plantoelichting staat dat de woningbouw die door het plan mogelijk wordt gemaakt nodig is om in de Nijkerkse woningbouwopgave van de komende jaren te kunnen voorzien. Ook staat in de plantoelichting dat Bureau Ontwerp & Omgeving in juni 2021 de woningbouwontwikkeling heeft getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Omdat het aantal woningen daarna is verlaagd van 400 naar 350 woningen, is deze toets in september 2022 geactualiseerd. Het rapport "Toets Ladder voor duurzame verstedelijking" van Buro Ontwerp & Omgeving van 3 september 2022 is als bijlage 2 bij de plantoelichting gevoegd. De Afdeling stelt vast dat in dit rapport uitgebreid wordt beschreven dat het plan voorziet in zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte aan de 350 woningen die door het plan mogelijk worden gemaakt. Dat in het verleden wellicht plannen bestonden voor minder woningen, geeft geen aanleiding om te oordelen dat niet aan de laddertoets is voldaan. Ook staat in het rapport dat de ontwikkeling niet in bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Geluid

Gevolgen bedrijfsvoering [appellante sub 4] en [appellante sub 5]

11. [appellante sub 4] en [appellante sub 5] betogen dat de raad bij het vaststellen van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van hun bedrijven. Het plan maakt het mogelijk dat op zeer korte afstand van beide bedrijven woningen worden gebouwd. Deels worden de woningen zelfs tot tegen de grens van de bedrijfspercelen mogelijk gemaakt. Beide bedrijven vrezen dat de nieuwe woningen geluidsoverlast gaan ervaren door hun bedrijven. [appellante sub 4] wijst er daarbij op dat de raad er ten onrechte vanuit gaat dat haar bedrijf in milieucategorie 2 valt. Het bedrijf valt in milieucategorie 3.1. Ook wijst [appellante sub 4] erop dat er een geluidsscherm van 6 m nodig is, maar het plan staat maximaal een scherm van 5 m hoog toe. Verder wijzen beide bedrijven erop dat de in het plan voorgeschreven geluidsschermen en dove gevels geen duurzame oplossing bieden. De bewoners van de nieuwe woningen zullen hun ramen open willen zetten. Ook vrezen beide bedrijven dat het geluid gaat weerkaatsen tegen de in het plan voorgeschreven geluidsschermen, wat overlast veroorzaakt bij de al aanwezige woningen. De raad had er volgens hen beter voor kunnen kiezen de woningen op grotere afstand van beide bedrijven te situeren.

11.1. [appellante sub 4] is gevestigd aan de [locatie 1] in Nijkerkerveen. Haar bedrijfsperceel ligt op zo’n 20 m afstand van het plangebied. Voor een klein stukje grenst het bedrijfsperceel aan het plangebied.

[appellante sub 5] is gevestigd aan de [locatie 2] in Nijkerkerveen. Haar bedrijfsperceel ligt deels op zo’n 18 m afstand van het plangebied en grenst deels aan het plangebied.

11.2. In paragraaf 4.7 van de plantoelichting wordt ingegaan op de vraag of de woningbouw die het plan mogelijk maakt, valt te rijmen met de al bestaande bedrijvigheid in de omgeving. Er is aansluiting gezocht bij de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009.

Over [appellante sub 4] staat in de plantoelichting dat de afstand tussen [appellante sub 4] en de nieuwe woningen minder is dan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure. Daarom is aanvullend onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting van het bedrijf op de nieuwe woningen. De bevindingen zijn neergelegd in het onderzoek "Akoestisch onderzoek industrielawaai [locatie 1], Nijkerkerveen" van Buro Ontwerp & Omgeving van 9 september 2022. Dit akoestisch onderzoek is als bijlage bij de toelichting van het plan gevoegd. In het onderzoek is vastgesteld dat bij de nieuwe woningen kan worden voldaan aan de richtwaarden die horen bij stap 3 uit de VNG-publicatie en aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarvoor is het wel nodig dat maatregelen worden getroffen om de geluidsbelasting op de nieuwe woningen te verlagen. Dit betekent dat een geluidsscherm van 4 m hoog en 65 m lang en een geluidsscherm van 6 m hoog en 45 m lang moeten worden gerealiseerd. Ook moeten een aantal woningen die het dichtstbij het bedrijf zijn gelegen aan enkele zijden op de tweede verdieping worden voorzien van een dove gevel.

Ook de afstand tussen [appellante sub 5] en de nieuwe woningen is minder dan de aanbevolen richtafstand. In het onderzoek "Akoestisch onderzoek industrielawaai [locatie 2], Nijkerkerveen" van Buro Ontwerp & Omgeving van 13 april 2023, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, is nader onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting van het vleeshandelsbedrijf. Ook hier luidt de conclusie dat bij de nieuwe woningen kan worden voldaan aan de richtwaarden die horen bij stap 3 uit de VNG-publicatie en aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Maar dan moeten er wel maatregelen worden getroffen. Er moet een geluidsscherm van 4,5 m hoog en 95 m lang worden gerealiseerd en een geluidsscherm van 4,5 m hoog en 17 m lang. Daarnaast moeten ook nabij het vleeshandelsbedrijf enkele woningen op de tweede verdieping worden voorzien van een dove gevel.

11.3. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad bij het vaststellen van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [appellante sub 4] en [appellante sub 5]. De woningen worden vlakbij de bedrijven mogelijk gemaakt. Maar uit de akoestische onderzoeken blijkt dat als de geluidsbeperkende maatregelen worden gerealiseerd, ter plaatse van de woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. [appellante sub 4] en [appellante sub 5] hoeven daarom niet te vrezen dat zij in hun bedrijfsvoering worden geschaad. In artikel 9.2 en artikel 8.7 van de planregels is geregeld dat de woningen niet mogen worden gebouwd en niet mogen worden verbouwd, als de geluidsschermen en dove gevels niet worden gerealiseerd. Dat de bewoners van de nieuwe woningen misschien liever geen geluidsschermen of een dove gevel willen realiseren, doet daar niet aan af.

De horecagroothandel heeft er verder op gewezen dat in het akoestisch onderzoek er ten onrechte van uit wordt gegaan dat haar bedrijf in milieucategorie 2 valt. Dat geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Zoals de STAB ook heeft vastgesteld, maakt het in dit geval voor de beoordeling of ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, niet uit of uit wordt gegaan van een bedrijf uit milieucategorie 2 of milieucategorie 3.1.

Verder merkt de Afdeling op dat naar aanleiding van het beroep van de horecagroothandel en de opmerkingen van de STAB de raad het plan heeft aangepast. Artikel 8.2.4 van de planregels is aangepast zodat een geluidsscherm van 6 m hoog is toegestaan. Daarnaast heeft de raad artikel 9.2 van de planregels aangepast, zodat het geluidsscherm in geluidsabsorberend materiaal moet worden uitgevoerd. Daardoor wordt weerkaatsing van het geluid beperkt. Tot slot is in de plantoelichting gemotiveerd dat in het akoestisch onderzoek van 9 september 2022 voor wat betreft de situering van de woningen al een worst-case scenario in beeld is gebracht. Daarom ziet de Afdeling ook op deze punten geen gebreken in het besluit van 22 mei 2025.

De betogen slagen niet.

Geluidsschermen - [appellant sub 3]

12. [appellant sub 3] betoogt dat de raad er ten onrechte voor heeft gekozen twee grote geluidsschermen op te nemen in het plan. [appellant sub 3] voert aan dat de akoestische onderzoeken die de raad ten grondslag heeft gelegd aan het plan, niet deugen. De geluidsbelasting van [appellante sub 5] is daarin niet goed in kaart gebracht. Ook meent [appellant sub 3] dat de raad de betrokken belangen niet zorgvuldig heeft afgewogen.

Over het onderzoek "Akoestisch onderzoek industrielawaai" van Buro Ontwerp & Omgeving van 30 augustus 2021 merkt [appellant sub 3] op dat dat onderzoek uitgaat van de uitkomsten van een in 2005 door NIBAG in opdracht van het vleeshandelsbedrijf uitgevoerd onderzoek. [appellant sub 3] meent dat deze zestien jaar oude gegevens niet als uitgangspunt hadden mogen worden genomen. Dit gebrek kleeft ook aan het onderzoek "Akoestisch onderzoek industrielawaai" van Buro Ontwerp & Omgeving van 25 april 2023. Daardoor is de geluidsbelasting van de koelinstallaties van [appellante sub 5] niet juist meegenomen. Daarnaast wordt in het akoestisch onderzoek van 25 april 2023 uitgegaan van onjuiste aantallen vervoersbewegingen. [appellant sub 3] heeft de vervoersbewegingen geteld en komt op een hoger aantal uit dan waarvan wordt uitgegaan in het akoestisch onderzoek van 25 april 2023. Verder beschikt [appellante sub 5] over 7 vrachtwagens en 2 bestelauto’s, in plaats van 4 vrachtwagens en 2 bestelauto’s waar in het akoestisch onderzoek vanuit is gegaan. Daarbij is het geluid van het laden niet goed onderzocht. Het laden gebeurt ’s ochtends vroeg en de raad had moeten onderzoeken welke geluidsbelasting het laden in het loading dock veroorzaakt. Ook is in het akoestisch onderzoek geen rekening gehouden met het effect van de schermen op naastliggende woningen. [appellant sub 3] vreest voor geluidsoverlast doordat het geluid zal weerkaatsen richting zijn huis. De raad stelt in het verweerschrift dat volgens Buro Ontwerp & Omgeving geen sprake is van een dergelijke weerkaatsing, maar dat wordt volgens [appellant sub 3] niet onderbouwd. Bovendien bevat het bestemmingsplan geen waarborgen ten aanzien van de uitvoering van de schermen. Verder wordt in het akoestisch onderzoek van 25 april 2023 ten onrechte de parkeerplaats betrokken. Deze is recent aangelegd, maar dat is in strijd met het bestemmingsplan gebeurd. Tot slot is in het akoestisch onderzoek ten onrechte uitgegaan van de richtwaarden die gelden in gemengd gebied. Volgens [appellant sub 3] had in het akoestisch onderzoek moeten worden uitgegaan van de richtwaarden die gelden voor een rustige woonwijk.

12.1. Zoals onder 11.2 is beschreven, heeft Buro Ontwerp & Omgeving onderzoek gedaan naar het geluid dat [appellante sub 5] produceert richting de nieuw te bouwen woningen. Daarbij is de representatieve bedrijfssituatie als uitgangspunt genomen. In het onderzoek van Buro Ontwerp & Omgeving wordt het "Akoestisch onderzoek [appellante sub 5] te Nijkerkerveen" van NIBAG van 22 september 2005 genoemd. Verder staat in het onderzoek van Buro Ontwerp & Omgeving dat het vleeshandelsbedrijf heeft opgemerkt dat de bedrijfsactiviteiten sinds het onderzoek van NIBAG zijn toegenomen. Daarom is het bedrijf tweemaal bezocht om de bedrijfssituatie te inventariseren. Ook zijn enkele bronvermogens bepaald door middel van geluidsmetingen.

12.2. Over de opmerkingen van [appellant sub 3] over het akoestisch onderzoek van 30 augustus 2021 merkt de Afdeling op dat die op zichzelf niet kunnen leiden tot een gebrek in het plan. Het akoestisch onderzoek van 30 augustus 2021 is namelijk als bijlage bij de plantoelichting van het ontwerpplan gevoegd, maar niet als bijlage bij de plantoelichting van het bestemmingsplan. Bij de keuze van de raad het bestemmingsplan vast te stellen, heeft het onderzoek van 30 augustus 2021 in zoverre dan ook geen zelfstandige rol gespeeld. De raad heeft bij zijn keuze het plan vast te stellen, wel de bevindingen uit het akoestisch onderzoek van 25 april 2023 betrokken. Over de kritiekpunten van [appellant sub 3] op dit rapport, overweegt de Afdeling het volgende.

Zoals de STAB ook heeft opgemerkt, is het niet ongebruikelijk om bij een akoestisch onderzoek een eerder opgesteld akoestisch onderzoek van hetzelfde bedrijf te gebruiken. De Afdeling acht hierbij van belang dat Buro Ontwerp & Omgeving nader onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van de opmerking van het vleeshandelsbedrijf dat haar bedrijfsactiviteiten zijn toegenomen.

[appellant sub 3] meent om verschillende redenen dat Buro Ontwerp & Omgeving de representatieve bedrijfssituatie niet juist in beeld heeft gebracht. Daarover overweegt de Afdeling het volgende. De STAB heeft vastgesteld dat de koelinstallaties op de juiste wijze zijn meegenomen in het onderzoek. Dat [appellant sub 3] in reactie hierop meent dat de koelinstallaties moeten worden betrokken bij het beoordelen in hoeverre geluid weerkaatst op de geluidsschermen, is geen onderdeel van de vraag of de representatieve bedrijfssituatie van het vleeshandelsbedrijf juist in beeld is gebracht. De Afdeling gaat verderop in deze overweging in op de weerkaatsing van geluid. Over het loading dock heeft de STAB opgemerkt dat als de vrachtwagens hierin worden geladen, en niet in de open lucht, dit geen relevante geluidbijdrage zal opleveren. [appellant sub 3] heeft in zijn zienswijze over het deskundigenbericht opgemerkt dat het gebruik van het loading dock wel leidt tot productie van geluid. Dat maakt echter niet dat niet van het deskundigenbericht van de STAB kan worden uitgegaan, omdat daarin wordt gesteld dat dit niet gaat om een relevante geluidbijdrage aan het geluid dat het bedrijf in de representatieve bedrijfssituatie produceert. Ook heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling voor kunnen kiezen de parkeerplaats mee te nemen bij de beoordeling van het geluid dat het vleeshandelsbedrijf veroorzaakt. Deze activiteiten vinden immers, of zij planologisch toegestaan zijn of niet, in ieder geval feitelijk plaats en zorgen voor productie van geluid. Vergelijk ook overweging 4.3 van de uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1789.

Over het hoger aantal voertuigbewegingen en het aantal voertuigen merkt de Afdeling het volgende op. De raad heeft naar aanleiding van de tellingen van [appellant sub 3] het memo "Beoordeling zienswijze verkeerbewegingen [appellante sub 5] ([locatie 2])" van Buro Ontwerp & Omgeving van 6 augustus 2025 overgelegd. Daarin is aan de hand van de tellingen van [appellant sub 3] opnieuw bekeken of de geluidsschermen nog steeds voldoen bij een hoger aantal voertuigbewegingen. In het memo wordt geconcludeerd dat dat het geval is. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om daar aan te twijfelen.

Ten aanzien van het aspect van de weerkaatsing heeft de Afdeling onder 11.2 al overwogen dat artikel 9.2 van de planregels is aangepast, waardoor is bepaald dat de geluidsschermen in geluidsabsorberend materiaal moeten worden uitgevoerd. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat het deel van het geluid dat alsnog reflecteert, voor [appellant sub 3] wordt afgeschermd door de bebouwing op het perceel met het adres [locatie 3].

Verder stelt de Afdeling vast dat in de tabellen in paragraaf 2.1.1 van het onderzoek van 25 april 2023 inderdaad "gemengd gebied" staat, maar dat is een verschrijving. De in de tabellen genoemde richtwaarden horen namelijk bij het gebiedstype "rustige woonwijk".

Gelet op het bovenstaande, ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat de raad niet uit heeft mogen gaan van de bevindingen uit het akoestische onderzoek van Buro Ontwerp & Omgeving van 25 april 2023.

Het betoog slaagt niet.

Geluidsoverlast bestaande woningen

13. [appellant sub 3] betoogt dat de raad had moeten onderzoeken of [appellante sub 5] ten aanzien van de al bestaande woningen kan voldoen aan het Activiteitenbesluit. Daarbij had moeten worden afgewogen of het plaatsen van geluidsschermen wel de oplossing is voor het ontstane ruimtelijke probleem. Het is volgens [appellant sub 3] niet zinvol de enorme geluidsschermen te plaatsen, als tegelijkertijd een voor de bestaande woningen onaanvaardbare situatie blijft voortbestaan.

13.1. De Afdeling overweegt dat in deze procedure het bestemmingsplan "Nijkerkerveen Deelplan 3, 2023" voorligt. Dat betekent dat de Afdeling ook alleen een oordeel kan geven over dit bestemmingsplan. De bestaande woningen waar [appellant sub 3] op wijst en het vleeshandelsbedrijf maken geen onderdeel uit van het plangebied. Het bestemmingsplan gaat dus niet over deze percelen. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten onderzoeken of het vleeshandelsbedrijf ten aanzien van de bestaande woningen kan voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit.

Het betoog slaagt niet.

Stikstof

14. [appellant sub 1] betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan of sprake is van significante negatieve effecten door stikstofdepositie. Aan het plan is geen AERIUS-berekening ten grondslag gelegd. Verder voert [appellant sub 1] aan dat de referentiesituatie niet juist is bepaald.

14.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

14.2. De Afdeling overweegt dat de bepalingen in de Wet natuurbescherming (Wnb) strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat de individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen.

Deze situatie doet zich in dit geval niet voor. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, namelijk De Veluwe, ligt op een afstand van zo’n 11 km van de woning van [appellant sub 1]. Dit betekent dat het Natura 2000-gebied geen deel uitmaakt van de woon- en leefomgeving van [appellant sub 1]. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de normen uit de Wnb niet strekken tot de bescherming van de individuele belangen van [appellant sub 1]. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk behandelen.

Water

Waterhuishoudkundig plan

15. [appellant sub 1] betoogt dat het waterhuishoudkundig plan een aantal gebreken bevat. Hij wijst erop dat de afstroming van de al bestaande wijk niet lijkt te zijn betrokken in het onderzoek. Ook is onduidelijk welke gevolgen de ophoging van het gebied heeft voor de waterhuishouding van de bestaande wijk. Verder zijn de infiltratie-eigenschappen van de ondergrond bepaald door een paar boringen te verrichten. Dat is geen afdoende wijze. Ook zijn het tijdseffect tussen het vallen van een bui, het afstromen naar de hemelwaterberging en de infiltratie/afstroming niet in samenhang met elkaar bekeken. Verder is niet betrokken dat door de combinatie van hoogwater op de Laak en hoge afvoer in het gebied ophoping van water kan ontstaan. [appellant sub 1] wijst er verder op dat het geohydrologisch onderzoek onvolledig is verricht. Om de leeglooptijd van de wadi’s te bepalen, is uitgegaan van een doorlatendheid van 0,5 m/dag. Dit is niet in het veld bepaald en kan afwijken. Ook de doorlatendheid die bepalend is voor de drainafstand is niet in het veld bepaald. Verder is de infiltratiecapaciteit van de wadi’s niet juist bepaald. [appellant sub 1] voert verder aan dat door de aanleg van het oppervlaktewater en van greppels de gemiddeld hoogste grondwaterstand (de GHG) zal worden verlaagd. Niet duidelijk is of hiermee een GHG van maximaal 2,7 m+NAP wordt bereikt. Tot slot merkt [appellant sub 1] op dat de GHG en gemiddeld laagste grondwaterstand (de GLG) niet deugdelijk zijn bepaald. Om die te bepalen moet namelijk gedurende vijf jaar, op zeven locaties binnen het plangebied, de grondwaterstand worden opgenomen. Tot slot wijst [appellant sub 1] erop dat de raad niet op alle punten over waterhuishouding die hij in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, is ingegaan.

15.1. In paragraaf 4.10 van de plantoelichting wordt ingegaan op het aspect "water". Hierin staat dat Buro Ontwerp& Omgeving in 2021 een waterhuishoudkundige analyse heeft uitgevoerd. Op basis hiervan is in juli 2022 een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Dit waterhuishoudkundig plan is in april 2024 geactualiseerd. Het geactualiseerde waterhuishoudkundig plan is als bijlage bij de planregels gevoegd. Daarin wordt de waterhuishoudkundige inrichting van het plangebied verder uitgewerkt.

15.2. Eén van de uitgangspunten uit het waterhuishoudkundig plan is dat hemelwater verwerkt wordt in het plangebied. In het waterhuishoudkundig plan is uitgewerkt welke hemelwatervoorzieningen hiervoor nodig zijn. Afstroming naar de bestaande woonwijk is daarbij niet aan de orde. Hierbij is de verhoging van het plangebied betrokken. Over de afstroming van water uit de bestaande wijk naar het plangebied merkt de Afdeling op dat de raad om dit te voorkomen in de nieuwste versie van het waterhuishoudkundig plan heeft opgenomen dat een stuw moet worden geplaatst in de oostelijke watergang. Dit compenseert de eventuele nadelige gevolgen van de stuw die voor het plan moet worden verwijderd.

Voor wat betreft de opmerkingen van [appellant sub 1] over het in samenhang beoordelen van de duur tussen het vallen van een bui en het afstromen naar de berging en de afvoer naar de Laak, merkt de Afdeling op dat de STAB in het deskundigenbericht heeft toegelicht dat deze aspecten op de juiste wijze in het waterhuishoudkundig plan zijn onderzocht. [appellant sub 1] heeft in zijn zienswijze op het deskundigenverslag niet gereageerd op deze beoordeling van de STAB. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de hiervoor genoemde aspecten onvoldoende in het waterhuishoudkundig plan zijn onderzocht.

De doorlatendheid van de bodem is inderdaad niet door middel van metingen vastgesteld. In plaats daarvan is aan de hand van de bodemopbouw een grove schatting gemaakt van de doorlatendheid van de bodem. In het waterhuishoudkundig plan staat dat in algemene zin wordt verwacht dat de bodem een goede tot zeer goede doorlatendheid heeft, met uitzondering van de humeuze lagen en de veenlagen. Verder staat er dat het de bedoeling is om te zijner tijd op de plekken waar waterbergvoorzieningen worden gerealiseerd, alsnog metingen te doen. Dat is op dit moment nog niet mogelijk, omdat nog niet helemaal zeker is waar alle waterbergvoorzieningen precies worden gerealiseerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee voldoende onderbouwd dat het, gelet op de eigenschappen van de bodem in het plangebied, mogelijk is daar waterbergvoorzieningen te realiseren. De Afdeling acht het niet noodzakelijk dat in deze fase al metingen worden verricht.

Over de methode om de GHG en GLG vast te stellen heeft de raad aan de hand van het memo "Verweer op beroep tegen bestemmingsplan Nijkerkerveen, Deelplan 3, waterhuishuishouding" van Buro Ontwerp & Omgeving van 25 april 2024 toegelicht dat het inderdaad gebruikelijk is dat gedurende een periode van vijf jaar op zeven locaties te meten. Maar dat is vaak niet haalbaar bij nieuwbouwplannen. Het duurt vaak geen vijf jaar om een bestemmingsplan vast te stellen. Daarom is in dit geval korter gemeten. Wel is in de nabijheid van het plangebied langer gemeten. Deze langere meetreeksen zijn te vergelijken met de nieuw ingerichte grondwatermetingen. Zij tonen een vergelijkbaar beeld. In het memo wordt daarom geconcludeerd dat een langere periode geen wezenlijk ander beeld zou geven. Gelet op deze toelichting, ziet de Afdeling ook op deze punten geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan.

[appellant sub 1] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. De Afdeling weegt hier mee dat de raad, anders dan [appellant sub 1] lijkt te betogen, in de Nota beoordeling zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Nijkerkerveen is ingegaan op de door hem opgeworpen vragen. [appellant sub 1] heeft in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het betoog slaagt niet.

Voorwaardelijke verplichting

16. [appellant sub 1] betoogt dat de in artikel 9 van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting niet voldoet. De voorwaardelijke verplichting is niet voldoende duidelijk en handhaafbaar. De verplichting is namelijk gekoppeld aan "de ontwikkeling van het plangebied tot een nieuw woongebied", maar niet aan een concrete activiteit. Verder voert [appellant sub 1] aan dat een aantal inconsistenties zitten in artikel 9.1 van de planregels. Zo wordt onder 1 abusievelijk verwezen naar pagina 35 van het waterhuishoudkundig plan en wordt ook onder 2 verwezen naar een onjuist paginanummer van het waterhuishoudkundig plan, namelijk pagina 69 in plaats van 63.

Verder is artikel 9.1 onduidelijk, omdat in paragraaf 6.5 van het waterhuishoudkundig plan niet is omschreven om welke bestaande watergangen het gaat en het onder 4 niet duidelijk is om welke ondergrondse verbindingen en duikers het gaat.

Tot slot wijst [appellant sub 1] erop dat de voorwaardelijke verplichting ziet op gronden buiten het plangebied. Dat kan alleen als wordt aangetoond dat de verplichting uitvoerbaar is. Daarin is de raad niet geslaagd.

16.1. Artikel 9.1 van de planregels luidt:

"De bouw van de woningen in de bestemming "Woongebied" mag eerst dan een aanvang nemen wanneer er voldoende zekerheid bestaat, dat er voldaan zal worden aan de eisen ten aanzien van de waterhuishouding, zoals opgenomen in het waterhuishoudkundig plan, dat als Bijlage 1 is opgenomen; er is sprake van voldoende zekerheid in de zojuist bedoelde zin, indien het grondverzet en de aanleg van de hoofd(water)structuur voor een zodanig substantieel gedeelte zijn uitgevoerd, dat de ontwatering van het plangebied afdoende is geborgd; daartoe moeten de volgende werkzaamheden zijn verricht:

1. de handhaving van de bestaande watergangen rond het plangebied als omschreven op pagina 34 paragraaf 6.5 "Aangrenzende percelen" van het waterhuishoudkundig plan;

2. de aanpassing van de bestaande watergangen in het plangebied als bedoeld in Bijlage 2 "Tekening inmeting DTM" van het waterhuishoudkundig plan;

3. de aanleg van een centrale waterpartij, nieuwe watergangen, greppels en wadi's in het plangebied als bedoeld in Bijlage 4 "Themakaarten water incl. profielen" van het waterhuishoudkundig plan;

4. de aanleg van ondergrondse verbindingen en duikers;

5. de aanleg van twee nieuwe stuwen als bedoeld op "Afbeelding 14: Oppervlaktewater binnen 'Deelplan 3" op pagina 37 van het waterhuishoudkundig plan".

16.2. De Afdeling stelt vast dat in de nieuwste versie van de planregel de voorwaardelijke verplichting aan de bouw van de woningen is gekoppeld en dat de onjuiste paginanummers zijn gewijzigd. In zoverre ziet de Afdeling dan ook geen gebrek in het plan.

De raad heeft verder toegelicht dat de bestaande watergangen die moeten worden gehandhaafd op grond van dit artikel grotendeels in eigendom zijn van de gemeente. Voor zover de watergangen dat niet zijn, geldt dat op basis van de legger van het waterschap is geborgd dat deze in stand moeten worden gehouden. De Afdeling ziet daarom geen aanknopingspunten om aan de uitvoerbaarheid van de voorwaardelijke verplichting te twijfelen.

Voor zover [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat het niet duidelijk is welke bestaande watergangen worden aangepast, heeft de raad toegelicht dat door bijlage 2 van het waterhuishoudkundig plan te vergelijken met bijlage 4 van het waterhuishoudkundig plan kan worden vastgesteld welke watergangen worden aangepast. Op bijlage 2 bij het waterhuishoudkundig plan is namelijk ingetekend wat de bestaande situatie is. Door bijlage 4 te raadplegen, wordt duidelijk wat de nieuwe situatie wordt. De Afdeling ziet ook hierin geen gebrek in het plan.

Over de onduidelijkheid waar de ondergrondse verbindingen en duikers worden gerealiseerd, merkt de Afdeling op dat de raad een kaart heeft overgelegd waarop zichtbaar is waar de ondergrondse verbindingen en duikers worden aangelegd. Op de zitting heeft de raad verzocht deze kaart aan de planregel toe te voegen. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt in zoverre. Tot welke conclusie dat leidt voor het beroep en het plan komt aan de orde onder 26 en 27.

Verdwijnen sloot [appellanten sub 2]

17. [appellanten sub 2] kunnen zich niet verenigen met de keuze van de raad de sloot achter hun perceel te laten verdwijnen. Zij vrezen voor wateroverlast. Ook heeft het verdwijnen van de sloot invloed op de veiligheid van hun perceel en op hun privacy.

17.1. De Afdeling stelt vast dat op de verbeelding van het plan aan de strook achter het perceel van [appellanten sub 2] de bestemming "Water" is toegekend. Op grond van artikel 6.1 van de planregels zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor waterberging, waterhuishouding, waterlopen, waterwegen en/of vijvers en groenvoorzieningen. Hoewel de bestemmingsomschrijving meer mogelijk maakt dan een sloot, hoeven [appellanten sub 2] niet te vrezen dat de sloot verdwijnt. Op grond van artikel 9.1, onder 1, van de planregels, moet de sloot namelijk worden gehandhaafd.

Het betoog slaagt niet.

Afwatering

18. [appellante sub 4] en [appellante sub 5] vrezen voor wateroverlast. De horecagroothandel en het vleeshandelsbedrijf vermoeden dat de sloot tussen hun perceel en de geluidsschermen zal worden gedempt. Anders is het niet mogelijk onderhoud uit te voeren aan de geluidsschermen.

18.1. Zoals de STAB ook in haar deskundigenbericht heeft vastgesteld, voorziet het waterhuishoudkundig plan niet in het dempen van afwaterende sloten in de buurt van de percelen van appellanten. Voor zover de horecagroothandel en het vleeshandelsbedrijf vrezen dat de sloten moeten worden gedempt om onderhoud te kunnen plegen aan de geluidsschermen, merkt de Afdeling op dat de raad heeft toegelicht dat de geluidsschermen niet direct tegen de sloten aan hoeven te worden gerealiseerd. De aanduiding "specifieke vorm van woongebied - geluidwerende voorziening 1" en de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - geluidwerende voorziening 2" zijn dusdanig breed dat het mogelijk is ruimte te behouden voor een onderhoudspad.

De Afdeling ziet daarom geen reden om aan te nemen dat het plan zal zorgen voor wateroverlast op de percelen van [appellante sub 4] en [appellante sub 5].

Het betoog slaagt niet.

Verkeer

19. [appellant sub 1] vreest dat het plan zal leiden tot verkeersoverlast en verkeersonveilige situaties. De Laakweg kampt al met sluipverkeer en met groot materieel dat gebruik maakt van de weg. Ook zijn de aansluitingen op de omliggende wegen niet goed geregeld. Daarbij wijst [appellant sub 1] erop dat naast het bestreden plan op grond van een ander plan ook al 39 woningen mogelijk worden gemaakt. [appellant sub 1] vreest voor een chaotische verkeerssituatie, waar met name kwetsbare verkeersdeelnemers de dupe van zullen zijn. De in opdracht van de raad opgestelde verkeersanalyse van Roelofs houdt ten onrechte geen rekening met de diverse soorten verkeersdeelnemers en de impact hiervan op de aangelegen bedrijven, woningen en gebouwen. Ook is uitgegaan van verouderde en niet meer bruikbare data.

Ook [appellanten sub 2] vrezen voor verkeersoverlast. Zij wijzen erop dat de Laakweg een landelijk karakter heeft en dat de Nieuwe Kerkstraat al enkele jaren vol belast wordt. De raad heeft niet onderbouwd dat de wegen de toename van het autoverkeer kunnen verwerken en het verkeersveiligheidsrisico niet toeneemt. Dat is volgens [appellanten sub 2] in strijd met het Landelijk Actieplan Verkeersveiligheid 2022-2025. Ook heeft de raad geen rekening gehouden met de Uitvoeringsagenda Verkeersveiligheid Gelderland 2022-2023. Voor zover de raad zich baseert op de Regionale Veiligheidsdienst, merken [appellanten sub 2] op dat dat geen erkende dienst is voor het beoordelen van verkeersplannen. [appellanten sub 2] voeren verder aan dat recente telgegevens ontbreken en dat het percentage autonome groei van 0,5% achterhaald is. In het bijzonder maken [appellanten sub 2] zich zorgen om de keuze de wijk te ontsluiten op de Nieuwe Kerkstraat. De raad gaat hierbij volgens [appellanten sub 2] uit van een te beperkte groei van verkeer. Ook heeft de raad er onvoldoende rekening mee gehouden dat de wijk via een T-splitsing wordt ontsloten.

19.1. Op de verbeelding van het plan is aan een deel van de gronden de bestemming "verkeer" toegekend. Dit biedt de mogelijkheid het plangebied te ontsluiten op de Nieuwe Kerkstraat, de Jacob de Boerweg en de Laakweg.

In paragraaf 4.3 van de plantoelichting wordt het aspect "verkeer" besproken. Hier staat dat in oktober 2021 een verkeerskundige analyse is uitgevoerd. Deze analyse is in juli 2022 en in april 2023 geactualiseerd. De laatste versie van de analyse is de notitie "Verkeerstoets woningbouw Nijkerkerveen" van Roelofs van 25 april 2023. Deze notitie is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. Op basis van het onderzoek wordt in de plantoelichting geconcludeerd dat de Nieuwe Kerkstraat, de Jacob de Boerweg en de Laakweg in staat zijn het verkeer af te wikkelen. De verkeersveiligheid komt daarbij niet in het gedrang.

19.2. Over het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2B] dat de raad het aantal verkeersbewegingen dat na realisatie van het plan ontstaat, heeft onderschat, overweegt de Afdeling het volgende. Om de gevolgen voor de verkeerssituatie te beoordelen, heeft Roelofs aan de hand van de kencijfers uit de CROW-publicatie "toekomstig bestendig parkeren - kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" de verkeersgeneratie van het plan berekend. Vervolgens heeft Roelofs bekeken hoe dit verkeer zich verdeelt over de Nieuwe Kerkstraat, de Jacob de Boerweg en de Laakweg. Om te beoordelen of die wegen de extra verkeersbewegingen aan kunnen, heeft Roelofs de huidige intensiteiten op de Nieuwe Kerkstraat, Jacob de Boerweg en de Laakweg aan de hand van tellingen uit 2018 en 2019 bepaald. Deze intensiteiten zijn met een autonoom groeipercentage van 0,5% per jaar opgehoogd naar 2030. Hierbij zijn de intensiteiten als gevolg van de nieuwe woningen opgeteld, waarna de intensiteit op een werkdag in 2030 inclusief plan is bepaald. De raad heeft toegelicht dat ervoor is gekozen om tellingen uit 2018 en 2019 te gebruiken, omdat de verkeersanalyse is opgesteld tijdens de coronaperiode. Het verkeersbeeld was op dat moment niet representatief. Daarom is geen nieuwe telling verricht, maar zijn de tellingen uit 2018 en 2019 gebruikt. De Afdeling ziet geen aanleiding te oordelen dat deze cijfers ten tijde van het vaststellen van het plan dusdanig waren verouderd dat de raad er niet langer vanuit mocht gaan. Over het groeipercentage heeft de STAB opgemerkt dat een groeipercentage van 0,5% in beginsel laag is, maar in dit geval is het percentage afgeleid uit de "Verkeersnotitie Nijkerkerveen, Actualisatie verkeersonderzoek woonuitbreiding" van 16 april 2018. Hierin staat dat uit telgegevens volgt dat de intensiteiten op de wegen nauwelijks zijn gegroeid. [appellanten sub 2] hebben aan hun betoog niet ten grondslag gelegd dat sinds 2018 in de directe omgeving nieuwe woningbouwontwikkelingen zijn opgeleverd die een relevante invloed kunnen hebben gehad op de intensiteiten ter plaatse. De Afdeling acht hiermee voldoende onderbouwd waarom voor een autonoom groeipercentage van 0,5% is gekozen. Over de nieuwe woningen die op het voormalige Filippoterrein zijn gebouwd, heeft de STAB vastgesteld dat de geringe verkeersgeneratie die door dat plan ontstaat, niet zal leiden tot andere conclusies over de verkeersafwikkeling.

Al met al ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het aantal verkeersbewegingen heeft onderschat.

19.3. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aarzeling uitgesproken of de omliggende wegen geschikt zijn het verkeer af te wikkelen en vrezen dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt. In de notitie van Roelofs van 25 april 2023 staat hierover dat het door het plan wel drukker wordt, maar dat dat, gelet op de inrichting van de wegen, geen onacceptabele verkeerssituatie creëert. Over de Laakweg, Jacob de Boerweg en de Hogebrinkweg heeft de STAB ook geconcludeerd dat het plan niet zal leiden tot gebruik van wegen dat niet past bij de functie van erftoegangsweg met een limiet van 30 km/u (ETW30). De STAB heeft over de Nieuwe Kerkstraat opgemerkt dat deze weg niet voldoet aan de inrichtingseisen die gelden voor een gebiedsontsluitingsweg met een limiet van 30 km/u (GOW30). De raad heeft toegelicht dat in de notitie van Roelofs abusievelijk staat dat de Nieuwe Kerkstraat een GOW30 is. De Nieuwe Kerkstraat is een ETW30 en voldoet in die hoedanigheid wel aan de inrichtingseisen. Over de verenigbaarheid tussen het verkeer dat op de wegen aanwezig is vanwege de bedrijven aan de Laakweg, de Jacob de Boerweg en de Hogebrinkstraat en kwetsbare verkeersdeelnemers, heeft de STAB opgemerkt dat de geringe toename van verkeer die het plan veroorzaakt hier geen noemenswaardige gevolgen zal hebben voor de verkeersveiligheid. [appellant sub 1] en [appellant sub 2B] hebben niet gereageerd op de analyse van de STAB in het deskundigenbericht. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding te twijfelen of de wegen in staat zijn het verkeer op een verkeersveilige manier af te wikkelen. Tot slot overweegt de Afdeling dat [appellanten sub 2] niet hebben geconcretiseerd met welke aspecten uit de door hen genoemde beleidsstukken de raad rekening had moeten houden bij het vaststellen van het bestemmingsplan.

De Afdeling ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft bekeken of de om het plangebied liggende wegen de toename van de verkeersbewegingen op een verkeersveilige wijze kunnen afwikkelen.

19.4. Het betoog slaagt niet.

Parkeren

20. [appellant sub 1] wijst erop dat de raad stelt dat gebruik is gemaakt van de Nota Parkeernormen 2021. In het rapport van Roelofs wordt echter een berekening gemaakt conform de parkeernormen 2019.

20.1. De Afdeling stelt vast dat bij de toelichting van het ontwerpplan de notitie "Verkeerstoets woningbouw Nijkerkerveen" van Roelofs van 20 juli 2022 is gevoegd. Daarin is het benodigde aantal parkeerplaatsen berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen 2019 van de gemeente Nijkerk. Bij de toelichting van het plan is de notitie "Verkeerstoets woningbouw Nijkerkerveen van Roelofs van 25 april 2023 gevoegd. Daarin staat dat is aangesloten bij de Nota Parkeernormen 2021. Anders dan [appellant sub 1] stelt, is de parkeerbehoefte dus wel beoordeeld aan de hand van de Nota Parkeernormen 2021.

Het betoog slaagt niet.

Dorps en landelijk

21. [appellant sub 1] betoogt dat de bebouwing die het plan mogelijk maakt niet valt te rijmen met de thema’s dorps en landelijk.

[appellant sub 3] betoogt dat de geluidsschermen niet passen bij de door de raad in de kaderstelling woningbouw voor Deelplan 3 te Nijkerkerveen vastgestelde uitgangspunten en randvoorwaarden. Daarin staat namelijk dat het plangebied te verdelen valt in een "dorps" gedeelte en een "landelijk" gedeelte. In het "landelijk" gedeelte mag minder worden gebouwd dan in het "dorpse" gedeelte, zodat sprake is van een geleidelijke overgang naar het omliggende landelijk gebied. De geluidsschermen bevinden zich op de grens van het plangebied, ofwel het "landelijk" gedeelte van het plan. Maar de afmetingen van de geluidsschermen passen niet bij het uitgangpunt dat sprake moet zijn van een geleidelijke overgang.

21.1. In paragraaf 2.2.3 van de plantoelichting staat dat de nieuwe woonwijk wordt verdeeld in een noordelijk deel en een zuidelijk deel. Het deelgebied direct aansluitend aan de kern krijgt een dorps karakter, het andere deelgebied krijgt een meer landelijk karakter. Dat betekent niet dat het landelijke deel eenzelfde uitstraling zal krijgen als het buitengebied. Het belangrijkste verschil tussen "dorps" en "landelijk" betreft de woningdichtheid. Door in het landelijke deelgebied een lagere woningdichtheid aan te houden zal dit deelgebied een groenere uitstraling krijgen.

21.2. Dat [appellant sub 1] wellicht een wat andere invulling van het plangebied verwacht bij het gebruik van begrippen als "dorps" en "landelijk", betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen. In paragraaf 2.2.3 van de plantoelichting is uitgewerkt wat in dit geval onder "dorps" en "landelijk" moet worden verstaan. Ook de door het plan mogelijk gemaakte geluidsschermen, waar [appellant sub 3] op wijst, zijn naar het oordeel van de Afdeling niet onverenigbaar met de begrippen "dorps" en "landelijk" zoals deze in de plantoelichting zijn geduid.

Het betoog slaagt niet.

Aantasting uitzicht door geluidsschermen

22. [appellant sub 3] betoogt dat de te plaatsen geluidsschermen zijn uitzicht onaanvaardbaar aantasten. Dergelijk grote geluidsschermen horen niet thuis in een landelijke omgeving. Daarnaast stelt de raad dat het geluidsscherm landelijk kan worden ingepast door groen te planten. [appellant sub 3] wijst erop dat het geluidsscherm direct op de erfgrens mogelijk wordt gemaakt, waardoor geen ruimte is voor een dergelijke groene inpassing.

22.1. In paragraaf 4.7 van de plantoelichting staat dat de geluidsschermen eenvoudig kunnen worden voorzien van groene klimplanten, waardoor binnen korte tijd een 'groen scherm' kan ontstaan. Hierdoor wordt het geluidsscherm makkelijker in het landschap opgenomen en zal het geluidsscherm deel gaan uitmaken van het landschapsbeeld. Dergelijke geluidsschermen zijn volgens de raad vanuit landschappelijk (ruimtelijk) oogpunt aanvaardbaar.

22.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geluidsschermen geen onevenredige aantasting van het uitzicht van [appellant sub 3] opleveren. Daarvoor is wel vereist, zo blijkt uit de plantoelichting, dat de schermen groen worden uitgevoerd. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de gemeente eigenaar is van de gronden en dat de gemeente er als eigenaar van de gronden op toe zal zien dat de geluidsschermen groen worden uitgevoerd. Maar als de raad de groene uitvoering van de geluidsschermen noodzakelijk acht uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, dan moet de groene uitvoering van de geluidsschermen in de planregels worden geborgd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie overweging 27.4 van de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076, moet dat ook als de gemeente eigenaar is van de gronden. Het plan is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld.

Het betoog slaagt. Tot welke conclusie dit leidt voor de beroepen en het plan komt hierna aan de orde onder 26 en 27.

Uitvoerbaarheid

Uitvoerbaarheid soortenbescherming

23. [appellant sub 1] betoogt dat hij al tijdens de zienswijzeprocedure een tabel heeft overgelegd met in het plangebied aangetroffen bijzondere dieren, maar de raad heeft vooralsnog niet duidelijk gemaakt of er een ontheffing is verkregen op grond van de Wnb of dat een activiteitenplan is opgesteld.

23.1. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In paragraaf 4.12 van de plantoelichting staat dat onderzoek is gedaan naar de in het plangebied aanwezige soorten. Uit dit onderzoek volgt dat in het plangebied een gecombineerd zomer-/paarverblijf voor de gewone dwergvleermuis aanwezig is en een kwetterbosje voor de huismus. Dit zijn beschermde functies. Als gevolg van de werkzaamheden worden hierdoor mogelijk bepalingen uit de Wnb overtreden. Daarvoor is een ontheffing nodig. Voor de ontheffingsaanvraag is een activiteitenplan opgesteld. Met de uitvoering van een activiteitenplan wordt de ontheffing naar verwachting verleend. Voor zover [appellant sub 1] heeft betoogd dat geen activiteitenplan is opgesteld, stelt de Afdeling vast dat dat wel al het geval is. Het activiteitenplan is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. Daarnaast is het voor de vraag of het plan uitvoerbaar is, niet nodig om ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan al te beschikken over een ontheffing.

Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog slaagt niet.

Financiële uitvoerbaarheid

24. [appellant sub 1] betoogt dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is aangetoond. Bepaalde uitgangspunten zijn inmiddels achterhaald, doordat verschillende kosten, waaronder bouwkosten, zijn gestegen. [appellant sub 1] voert aan dat de grondexploitatie daardoor onder druk moet staan.

[appellante sub 4] en [appellante sub 5] betogen dat de financiële haalbaarheid van het plan niet is aangetoond, omdat het niet zeker is dat de geluidsschermen worden gerealiseerd. Zonder deze schermen kunnen geen woningen in de buurt van de bedrijfspercelen worden gebouwd.

24.1. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.

In paragraaf 6.1 van de plantoelichting staat dat een samenwerkings- en realisatieovereenkomst is gesloten tussen de grondeigenaren, gemeente Nijkerk en Van de Mheen. Partijen zijn overeengekomen om voor gezamenlijke rekening en risico de grondexploitatie voor het deelplan te voeren. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat hierin ook de realisatie van de geluidsschermen is meegenomen. Voor de particuliere initiatieven is de economische uitvoerbaarheid verzekerd met de anterieure exploitatieovereenkomst die is afgesloten met deze perceeleigenaren.

Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn waarom het plan op voorhand niet uitvoerbaar is.

Dit betoog slaagt niet.

Conclusie

Besluit van 22 mei 2025

25. De beroepen van [appellanten sub 2], [appellante sub 4] en [appellante sub 5] tegen het besluit van 22 mei 2025 zijn ongegrond.

26. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] tegen het besluit van 22 mei 2025 zijn gegrond. Het besluit van 22 mei 2025 moet worden vernietigd, voor zover:

a. in artikel 9.1, onder 4, van de planregels niet aan de hand van een kaart inzichtelijk is gemaakt waar de ondergrondse verbindingen en duikers worden aangelegd; en

b. in artikel 9.2 van de planregels niet is geborgd dat de geluidwerende voorzieningen groen worden uitgevoerd.

27. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat:

a. artikel 9.1, onder 4, van de planregels als volgt komt te luiden:

"de aanleg van ondergrondse verbindingen en duikers, zoals weergegeven in bijlage 5 "Presentatietekening Waterhuishouding";

b. de tekening "Presentatietekening Waterhuishouding", van 16 december 2025, opgesteld door Civil works, tekeningnummer P05475-Vg-NI-01-D, als bijlage 5 bij de regels van het plan wordt gevoegd;

c. aan artikel 9.2 van de planregels de volgende alinea wordt toegevoegd:

"De in dit artikel genoemde geluidwerende voorzieningen moeten groen worden uitgevoerd".

28. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 22 mei 2025, voor zover dat wordt vernietigd.

29. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan, dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.

Besluit van 19 september 2024 en besluit van 21 september 2023

30. Niet is gebleken dat [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4] en [appellante sub 5] nog belang hebben bij het inhoudelijk beoordelen van hun beroepen tegen het besluit van 19 september 2024 en het besluit van 21 september 2023. Hun beroepen gericht tegen deze besluiten zijn daarom niet-ontvankelijk.

Proceskosten

31. De raad hoeft de proceskosten van [appellanten sub 2] niet te vergoeden. De raad moet de proceskosten van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] vergoeden. Omdat de raad met het besluit van 22 mei 2025 deels tegemoet is gekomen aan de beroepen van [appellante sub 4] en [appellante sub 5], moet de raad ook de proceskosten die zij hebben gemaakt vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3], [appellante sub 4] en [appellante sub 5] tegen het besluit van de raad van de gemeente Nijkerk van 21 september 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Nijkerkerveen Deelplan 3, 2023" niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3], [appellante sub 4] en [appellante sub 5] tegen het besluit van de raad van de gemeente Nijkerk van 19 september 2024 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Nijkerkerveen, deelplan 3, 2023" niet-ontvankelijk;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellante sub 4] en [appellante sub 5] tegen het besluit van de raad van de gemeente Nijkerk van 22 mei 2025 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Nijkerkerveen Deelplan 3, 2023" ongegrond;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van de raad van de gemeente Nijkerk van 22 mei 2025 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Nijkerkerveen Deelplan 3, 2023" gegrond;

V. vernietigt het onder IV genoemde besluit, voor zover:

a. in artikel 9.1, onder 4, van de planregels niet aan de hand van een kaart inzichtelijk is gemaakt waar de ondergrondse verbindingen en duikers worden aangelegd;

b. in de planregels niet is geregeld dat de geluidsschermen groen moeten worden uitgevoerd;

VI. bepaalt dat:

a. artikel 9.1, onder 4, van de planregels als volgt komt te luiden:

"de aanleg van ondergrondse verbindingen en duikers, zoals weergegeven in bijlage 5 "Presentatietekening Waterhuishouding";

b. de tekening "Presentatietekening Waterhuishouding", van 16 december 2025, opgesteld door Civil works, tekeningnummer P05475-Vg-NI-01-D, als bijlage 5 bij de regels van het plan wordt gevoegd;

c. aan artikel 9.2 van de planregels de volgende alinea wordt toegevoegd:

"De in dit artikel genoemde geluidwerende voorzieningen moeten groen worden uitgevoerd.";

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 22 mei 2025;

VIII. draagt de raad van de gemeente Nijkerk op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel VI wordt verwerkt op de landelijke voorziening;

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Nijkerk tot vergoeding van de bij de hierna genoemde appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 2.335,00 aan [appellant sub 1], geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. € 47,69 aan [appellant sub 3];

c. € 2.802,00 aan [appellante sub 4], geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. € 2.802,00 aan [appellante sub 5], geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat de raad van de gemeente Nijkerk aan de hierna genoemde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 184,00 aan [appellant sub 1];

b. € 184,00 aan [appellant sub 3];

c. € 365,00 aan [appellante sub 4];

d. € 365,00 aan [appellante sub 5]

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Perlot, griffier.

w.g. Besselink

voorzitter

w.g. Perlot

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026

952

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:69a:

" De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Crisis- en herstelwet

Artikel 1.6a:

" Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd."

Besluit Ruimtelijke ordening

Artikel 3.1.6, tweede lid:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

Regels van het ontwerpbestemmingsplan "Nijkerkerveen Deelplan 3"

Artikel 8.1:

"De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen;

b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - cluster 3' tevens voor een woonzorgvoorziening met bijbehorende ondergeschikte horeca;

c. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - geluidwerende voorziening 1" een geluidwerende voorziening met een maximale hoogte van 6 m;

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - geluidwerende voorziening 2" een geluidwerende voorziening met een maximale hoogte van 2 m;

met daarbij behorende:

e. erven en erfontsluitingswegen;

f. fiets- en wandelpaden;

g. groenvoorzieningen;

h. speelvoorzieningen;

i. nutsvoorzieningen;

j. parkeervoorzieningen;

k. tuinen;

l. waterhuishoudkundige voorzieningen zoals waterpartijen, waterbergingsvoorzieningen, oevers en taluds.

Regels van het bestemmingsplan "Nijkerkerveen Deelplan 3, 2023"

Artikel 6.1:

"De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. waterberging;

b. waterhuishouding;

c. waterlopen, waterwegen en/of vijvers;

d. groenvoorzieningen,

met daarbij behorende:

e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

f. kruisingen met wegen, waaronder bruggen;

g. dammen;

h. duikers;

i. nutsvoorzieningen."

Artikel 8.1:

"De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen;

b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - cluster 3' tevens voor een woonzorgvoorziening met bijbehorende ondergeschikte horeca;

c. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - geluidwerende voorziening 1" een geluidwerende voorziening met een maximale hoogte van 6 m;

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - geluidwerende voorziening 2" een geluidwerende voorziening met een maximale hoogte van 4,5 m;

met daarbij behorende:

e. erven en erfontsluitingswegen;

f. fiets- en wandelpaden;

g. groenvoorzieningen;

h. speelvoorzieningen;

i. nutsvoorzieningen;

j. parkeervoorzieningen;

k. tuinen;

l. waterhuishoudkundige voorzieningen zoals waterpartijen, waterbergingsvoorzieningen, oevers en taluds.

Artikel 8.2.4:

"Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

a. indien het voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 meter bedragen;

b. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2 meter bedragen, met uitzondering van geluidwerende voorzieningen, waarvan de hoogte maximaal 6 meter mag bedragen."

Artikel 8.7:

"In het gebied, dat op de plankaart nader is aangeduid met een 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' mogen uitsluitend dan woningen worden gerealiseerd en/of verbouwd indien deze woningen op de 2e verdieping aan de geluidsbelaste zijden worden voorzien van dove gevels, tenzij:

a. op basis van een akoestische berekening kan worden aangetoond, dat op de 2e verdieping voldaan kan worden aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit;

b. op een andere wijze de akoestische hindercirkel rond één of beide bedrijven op het adres [locatie 2] en [locatie 1] wordt opgeheven."

Artikel 9.2:

"De bouw van woningen op de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - cluster 1" voor zover binnen dit cluster tevens de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - geluidwerende voorziening 1" is geprojecteerd mag eerst dan een aanvang nemen wanneer de geluidwerende voorziening, uitgevoerd in geluidsabsorberend materiaal, zoals bedoeld in artikel 8.1c is gerealiseerd, een en ander zoals aangegeven in Bijlage 3, tenzij alsdan de noodzaak tot het aanleggen van deze geluidwerende voorziening is opgeheven.

De bouw van woningen op de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - cluster 2" voor zover binnen dit cluster tevens de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - geluidwerende voorziening 2" is geprojecteerd mag eerst dan een aanvang nemen wanneer de geluidwerende voorziening, uitgevoerd in geluidsabsorberend materiaal, zoals bedoeld in artikel 8.1d is gerealiseerd, een en ander zoals aangegeven in Bijlage 2, tenzij alsdan de noodzaak tot het aanleggen van deze geluidwerende voorziening is opgeheven."

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?