202500536/1/A3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 december 2024 in zaken nrs. 23/1761 en 23/5274 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Nationale ombudsman.
Procesverloop
Bij besluiten van 30 juni 2022 en 23 maart 2023 heeft de Nationale ombudsman beslist op verzoeken van [appellant] om verstrekking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Bij besluiten van 3 november 2022 en 4 juli 2023 heeft de Nationale ombudsman beslist op de daartegen door [appellant] gemaakte bezwaren.
Bij uitspraak van 23 december 2024 heeft de rechtbank de daartegen door [appellant] ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, bepaald dat de Nationale ombudsman geen nieuw besluit hoeft te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2022 en de Nationale ombudsman opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2023.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Verder heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Bij besluit van 7 februari 2025 heeft de Nationale ombudsman opnieuw beslist op het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2023.
Hiertegen heeft [appellant] beroepsgronden ingediend.
De Nationale ombudsman heeft een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 december 2025, waar de Nationale ombudsman, vertegenwoordigd door mr. L.L. Scheppink, is verschenen.
Overwegingen
1. Bij brief van 30 april 2020, door de Nationale ombudsman ontvangen op 3 mei 2022, heeft [appellant] verzocht om verstrekking van informatie over door hem bij de Nationale ombudsman ingediende klachten. Dit verzoek heeft geleid tot de besluiten van 30 juni en 3 november 2022.
Bij brief van 24 januari 2023 heeft [appellant] een vergelijkbaar verzoek gedaan. Dit verzoek heeft geleid tot de besluiten van 23 maart en 4 juli 2023.
De rechtbank heeft de in beroep bestreden besluiten vernietigd, maar de Nationale ombudsman alleen in de tweede procedure opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dit omdat het tweede verzoek volgens de rechtbank een herhaling is van het eerste verzoek en een nieuw besluit over het eerste verzoek opgaat in een nieuw besluit over het tweede verzoek.
2. De Nationale ombudsman heeft de documenten waarvan hij verstrekking heeft geweigerd vertrouwelijk aan de Afdeling overgelegd. Ingevolge artikel 8:29, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), neemt alleen de Afdeling kennis van deze documenten.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank de Nationale ombudsman ten onrechte is gevolgd in zijn standpunt dat een bepaalde medewerker van de Nationale ombudsman onder de bescherming valt van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. Volgens hem heeft de rechtbank niet onderkend dat deze medewerker vanuit zijn functie naar buiten treedt, bijvoorbeeld in contacten met gemeenten, bij het verzorgen van presentaties en in publicaties. Verder heeft de rechtbank volgens hem niet onderkend dat de te maken belangenafweging in het kader van een verzoek om verstrekking van informatie op grond van artikel 5.5 van de Woo, zoals hier aan de orde, een andere is dan de te maken belangenafweging in het kader van een verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van artikel 4.1 van de Woo. Ten slotte heeft de rechtbank volgens hem niet onderkend dat er in dit geval geen aanleiding voor de Nationale ombudsman bestond om af te wijken van zijn vaste werkwijze om de namen van de bij de behandeling van een klacht van een burger betrokken medewerkers te verstrekken als een burger daarom vraagt.
3.1. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo luidt: "Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen [het belang van] de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer."
Artikel 5.5, eerste lid, luidt: "Onverminderd het elders bij wet bepaalde, verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in artikel 5.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, alsmede d en e, voor zover betrekking hebbend op derden, genoemd belang aan de orde is of een in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 genoemd belang zwaarder weegt dan het belang van de verzoeker bij toegang tot op hem betrekking hebbende informatie. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen."
Het vierde lid luidt: "Het bestuursorgaan kan aan de verstrekking voorwaarden verbinden ter bescherming van een van de belangen, genoemd in de artikelen 5.1 en 5.2, tenzij de gevraagde informatie met toepassing van de artikelen 5.1 en 5.2 openbaar voor eenieder zou zijn."
3.2. De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel. De Nationale ombudsman heeft de in de documenten voorkomende namen van medewerkers aangemerkt als informatie als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van de Woo. De naam van de hiervoor bedoelde medewerker heeft hij aan [appellant] verstrekt onder de voorwaarde dat hij de naam niet verder verspreidt. Dit ter bescherming van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de medewerker. Hieraan heeft de Nationale ombudsman ten grondslag gelegd dat de betrokken medewerker niet wegens zijn functie in de openbaarheid treedt. De Nationale ombudsman is hierbij uitgegaan van de functie van onderzoeker in het kader waarvan de naam van de medewerker in de betrokken documenten is opgenomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank in dit kader terecht geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een medewerker in het kader van zijn werk weleens contact heeft met personen van buiten de organisatie waarin hij werkzaam is, nog niet maakt dat de medewerker die organisatie vertegenwoordigt en zodoende wegens zijn functie in de openbaarheid treedt. Ook anderszins kan dit laatste niet uit het dossier blijken. De rechtbank heeft dan ook terecht aangenomen dat de medewerker niet wegens zijn functie in de openbaarheid trad. Anders dan [appellant] betoogt, is bij deze beoordeling beslissend welke functie de betreffende onderzoeker uitoefende ten tijde van de totstandkoming van het document waarin zijn naam wordt genoemd. Om die reden behoefde de Nationale ombudsman dus niet uit te gaan van een na die totstandkoming verkregen andere functie van de medewerker waarbij hij wel in de openbaarheid trad.
Wat [appellant] aanvoert over het verschil in belangenafwegingen en de vaste werkwijze van de Nationale ombudsman leidt evenmin tot de conclusie dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. De Nationale ombudsman kon redelijkerwijs het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de medewerker zwaarder laten wegen dan het belang van [appellant] bij verstrekking van de naam van de medewerker zonder voorwaarde. De door [appellant] bedoelde vaste werkwijze van de Nationale ombudsman verzet zich niet tegen het onder voorwaarde verstrekken van informatie.
Het betoog slaagt niet.
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan de vernietiging in strijd met artikel 4.1a van de Woo van een e-mailbox van een vertrokken medewerker van de Nationale ombudsman. Hierbij verwijst hij naar de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU7942, en voert hij aan dat de vernietiging van de mailbox minder zorgvuldig is verlopen dan de beschrijving ervan door de rechtbank suggereert.
4.1. Artikel 4.1a van de Woo luidt: "Het bestuursorgaan waarborgt het behoud van de documenten waarop een door hem ontvangen verzoek betrekking heeft."
4.2. De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat de e-mails die zich ten tijde van de vernietiging nog in de e-mailbox van de betrokken medewerker bevonden, niet relevant waren voor de Woo-verzoeken van [appellant]. Hierbij heeft zij de toelichting van de Nationale ombudsman in aanmerking genomen dat een medewerker zelf alle zaaksrelevante e-mails naar de zaaksdossiers verplaatst en dat een maand na uitdiensttreding door een andere medewerker wordt gecontroleerd of alle zaaksrelevante e-mails ook daadwerkelijk verplaatst zijn. Wat [appellant] aanvoert, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank niet van die toelichting mocht uitgaan. De vernietiging van de e-mailbox was dus niet in strijd met artikel 4.1a van de Woo.
Het betoog slaagt niet.
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond heeft verworpen dat de Nationale ombudsman ten onrechte slechts één pagina van een lijst met contactafspraken heeft verstrekt. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat hij niet alleen interesse heeft in de op hemzelf betrekking hebbende informatie, maar ook wil weten hoe lang de lijst is. Er is volgens hem geen grond om te weigeren alle pagina’s, voor zover nodig zwartgelakt, te verstrekken.
5.1. Artikel 5.5 van de Woo geeft een verzoeker aanspraak op verstrekking van in documenten neergelegde informatie die op de verzoeker betrekking heeft. Informatie over de lengte van een lijst met contactafspraken is niet aan te merken als dergelijke informatie. De Nationale ombudsman heeft dus terecht geweigerd die informatie te verstrekken.
Het betoog slaagt niet.
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken wegens het niet overleggen van stukken waaruit blijkt dat zijn gemachtigde op beroepsmatige basis rechtsbijstand verleent. Volgens hem heeft hij wel informatie ingebracht waaruit dat blijkt. Verder voert hij aan dat hij en zijn gemachtigde alle vragen die de rechtbank op de zitting van 11 november 2024 heeft gesteld adequaat hebben beantwoord en dat de rechtbank aanvullende vragen had moeten stellen als zij die had. Hij wijst er verder op dat er andere uitspraken zijn waarin het beroepsmatige karakter van de door zijn gemachtigde verleende rechtsbijstand is erkend, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4591, en dat hij voor de verleende rechtsbijstand daadwerkelijk heeft betaald.
6.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geen proceskostenveroordeling uitgesproken. [appellant] heeft bij de rechtbank een stuk van 26 juli 2023 in een andere zaak over een niet uitgesproken proceskostenveroordeling overgelegd. Uit dat algemene stuk blijkt echter niet dat de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand een beroepsmatig karakter had. Uit de verklaringen van [appellant] op de zitting van de rechtbank blijkt dat evenmin. De rechtbank hoefde [appellant] na de zitting ook niet in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken, omdat het aan hem was om het beroepsmatige karakter van de verleende rechtsbijstand zo goed mogelijk te onderbouwen. De Afdeling heeft in de uitspraak van 13 november 2024 op basis van een brief van de penningmeester van Stichting de Verbeelding van 24 september 2023 geoordeeld dat de in die zaak door de gemachtigde verleende rechtsbijstand een beroepsmatig karakter had. Een dergelijke brief heeft [appellant] bij de rechtbank echter niet overgelegd, terwijl dat gelet op het voorgaande wel van hem verwacht mocht worden. Dat [appellant] voor de verleende rechtsbijstand daadwerkelijk heeft betaald, blijkt ten slotte niet uit de door hem overgelegde facturen van 14 november 2024 en betaalbevestiging van 15 november 2024, omdat daarin geen bedragen zichtbaar zijn.
Het betoog slaagt niet.
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, moet worden bevestigd.
8. [appellant] verzoekt om vergoeding van de schade, bestaand uit betaald griffierecht en gemaakte proceskosten, die hij als gevolg van de volgens hem gebrekkige behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van de rechtbank heeft geleden.
8.1. [appellant] kan niet via de weg van artikel 8:88 van de Awb de door hem gestelde kosten vergoed krijgen. De vergoeding van die kosten kon slechts plaatsvinden met toepassing van de artikelen 8:75 en 8:82 van de Awb door de voorzieningenrechter van de rechtbank.
Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.
9. Bij het besluit van 7 februari 2025 heeft de Nationale ombudsman ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2023 genomen. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is tegen dit besluit van rechtswege een beroep voor [appellant] ontstaan. [appellant] heeft beroepsgronden ingediend.
10. [appellant] betoogt dat de Nationale ombudsman in strijd met artikel 5.3 van de Woo heeft nagelaten te motiveren waarom hij informatie over persoonlijke beleidsopvattingen die ouder is dan vijf jaar niet verstrekt.
10.1. Artikel 5.3 luidt: "Bij een verzoek om informatie die ouder is dan vijf jaar motiveert het bestuursorgaan bij een weigering van die informatie waarom de in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid."
10.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3872, r.o. 4.2, moet de toepassing van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo, in het kader van een verzoek om verstrekking van informatie op grond van artikel 5.5 van de Woo, berusten op een afweging door het bestuursorgaan van het belang van het kunnen voeren van intern beraad tegen het belang van de verzoeker bij kennisneming van de op hem betrekking hebbende informatie.
Artikel 5.3 van de Woo is niet van toepassing op verzoeken om verstrekking van informatie op grond van artikel 5.5 van de Woo, zoals hier aan de orde. Artikel 5.3 vermeldt immers een te maken weging ten opzichte van het algemeen belang van openbaarheid, welk belang bij de toepassing van artikel 5.5 geen rol speelt. Dit laat echter onverlet dat de leeftijd van de niet verstrekte informatie op grond van artikel 5.5 zelf moet worden betrokken bij de ingevolge het eerste lid van dat artikel te maken weging ten opzichte van het belang van de verzoeker bij toegang tot op hem betrekking hebbende informatie.
De Nationale ombudsman heeft het belang van [appellant] bij kennisneming van die informatie naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs minder zwaar kunnen wegen dan het belang van het kunnen voeren van intern beraad. Op de zitting van de Afdeling heeft de Nationale ombudsman toegelicht dat er nog klachten van [appellant] lopen over hetzelfde onderwerp als de klachten waarover hij informatie heeft gevraagd. Dat de informatie ouder is dan vijf jaar noopte de Nationale ombudsman daarom redelijkerwijs niet tot een andere uitkomst van de weging.
Het betoog slaagt niet.
11. [appellant] betoogt dat de Nationale ombudsman, alvorens te weigeren om namen en opvattingen van personen te verstrekken, ten onrechte niet heeft geprobeerd te achterhalen of die personen bezwaar tegen het verstrekken van die informatie hebben.
11.1. De Woo verplichtte de Nationale ombudsman niet om bij de betrokken personen te informeren of zij bezwaar hebben tegen het verstrekken van hun namen of persoonlijke beleidsopvattingen. Verder heeft de Nationale ombudsman op de zitting van de Afdeling toegelicht dat hij bij de betrokken personen heeft nagevraagd of zij instemmen met het verstrekken van hun persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm en dat die personen daarmee niet hebben ingestemd.
Het betoog slaagt niet.
12. [appellant] betoogt dat onduidelijk is of de Nationale ombudsman alle hem betreffende informatie in de lijst met contactafspraken heeft verstrekt. Volgens hem is mogelijk informatie weggevallen.
12.1. De Nationale ombudsman heeft op de zitting van de Afdeling toegelicht dat de op [appellant] betrekking hebbende informatie in de lijst met contactafspraken volledig is verstrekt. Wat [appellant] in dit kader aanvoert, biedt de Afdeling geen grond om hier niet van uit te gaan.
Het betoog slaagt niet.
13. Het beroep is ongegrond.
14. De Nationale ombudsman hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van de Nationale ombudsman van 7 februari 2025, kenmerk 1728575, ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
620