202407408/1/A3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordÂ-Holland van 24 oktober 2024 in zaak nr. 24/2572 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk.
Procesverloop
Bij besluit van 26 september 2023 heeft het college een aanvraag van [appellante] om toekenning van een briefadres in de gemeente Beverwijk buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 31 januari 2024 heeft het college een verzoek van [appellante] om herinschrijving in de Basisregistratie personen (hierna: brp) afgewezen.
Bij besluit van 2 april 2024 heeft het college de door [appellante] tegen die besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2026, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door C. van Bodegom en H.S. Groot, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij besluit van 31 maart 2023 heeft het college de gegevens van [appellante] op laten nemen in het register van niet-ingezetenen. Vervolgens heeft [appellante] het college verzocht een briefadres toe te kennen. Het college heeft dit afgewezen omdat [appellante], ondanks een verzoek tot aanvulling van de aanvraag, geen informatie wilde verschaffen over haar woonadres en haar aanvraag om die reden incompleet was.
1.1. Verder heeft [appellante] het college verzocht om hervestiging op het adres [locatie] in Beverwijk. Het college heeft dit verzoek afgewezen omdat onduidelijk is waar [appellante] verblijft en zij daar ook geen duidelijkheid over wil verschaffen.
1.2. Het college heeft de bezwaren tegen deze besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft dat besluit rechtmatig geacht.
Hoger beroep
2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond heeft verklaard. Haar woning is ten onrechte van haar afgenomen en dat moet ongedaan worden gemaakt. Volgens haar kan zij geen duidelijkheid verschaffen over haar verblijfplaats, omdat zij geen toestemming heeft van degenen bij wie zij verblijft. Het is onredelijk om dit van haar te verlangen, aldus [appellante].
Beoordeling hoger beroep
3. De Afdeling begrijpt uit de stukken en wat op zitting is besproken dat [appellante] het nodige heeft meegemaakt. Het oordeel dat de Afdeling moet geven, kan in deze zaak alleen gaan over de weigering van het college om een briefadres te verstrekken en haar opnieuw in te schrijven in de brp. De gestelde onterechte uithuiszetting kan in deze procedure niet aan de orde komen.
3.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:152, is het doel van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. Op grond van artikel 2.23 van de Wet brp geldt pas bij het ontbreken van een woonadres, een briefadres als adres. Het gelijktijdig hebben van een woonadres en briefadres is niet mogelijk.
3.2. De Afdeling is van oordeel dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt. De Wet brp is duidelijk en laat het niet toe dat degene die een woonadres heeft gelijktijdig een briefadres krijgt. [appellante] heeft geen duidelijkheid verschaft over haar verblijfplaats, zodat zij niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, zoals bedoeld in artikel 2.45 van de Wet brp. Het college kan om die reden geen onderzoek doen of [appellante] in aanmerking komt voor een briefadres. Ook kan het college om die reden de aangevraagde hervestiging op het adres [locatie] niet opnemen in de brp. Dat [appellante] geen duidelijkheid kan verschaffen over haar verblijfplaats, omdat zij geen toestemming heeft van degenen bij wie zij verblijft, moet voor haar eigen rekening en risico komen. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep van [appellante] ongegrond verklaard.
3.3. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
1071