202500032/1/A3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Duitsland,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 november 2024 in zaak nr. 23/4816 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Almere.
Procesverloop
Op 1 maart 2023 heeft het college de minderjarige dochter van [appellante] ingeschreven op het adres van de vader van de dochter.
Bij besluit van 22 augustus 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 15 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. Sprakel, advocaat in Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. van Rossem, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De vader van de minderjarige dochter van [appellante] heeft het college verzocht de minderjarige dochter in te schrijven op het adres van de vader. Het college is hiertoe overgegaan op 1 maart 2023. Volgens het college blijkt uit een adresonderzoek dat [appellante] niet meer op de [locatie] in Almere woont en is vertrokken naar een onbekend adres in Duitsland.
1.1. [appellante] heeft bezwaar gemaakt. Volgens haar is de inschrijving op het adres van de vader zonder haar toestemming gedaan, het voornemen niet met haar gedeeld en het besluit niet per brief toegezonden. Het college heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens het college geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank heeft [appellante] geen procesbelang, omdat zij is verhuisd naar Duitsland. Omdat dit vaststaat, kan de minderjarige dochter niet weer worden ingeschreven op het adres in Almere. Niet is gebleken dat stopzettingen van financiële tegemoetkomingen het gevolg zijn van de adreswijziging in de basisregistratie personen (hierna: brp). Evenmin heeft [appellante] aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft ondervonden, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij heeft wel een belang bij een inhoudelijk oordeel over de zaak. Als gevolg van de uitschrijving stelt zij haar recht op kinderbijslag en kindgebonden budget te zijn kwijtgeraakt.
Beoordeling hoger beroep
4. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.
4.1. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat [appellante] geen belang heeft bij een inhoudelijk oordeel. Dat komt omdat zij is verhuisd naar Duitsland. Uit het adresonderzoek dat het college heeft laten doen, volgt dat het aannemelijk is dat [appellante] in ieder geval al sinds begin oktober 2022 niet meer op de [locatie] in Almere woont. Zij kan dan ook niet meer bereiken dat het college haar dochter opnieuw inschrijft op haar oude adres. Evenmin is tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat [appellante] als gevolg van de uitschrijving van haar dochter schade heeft geleden. Dat zij geen kinderbijslag of kindgebonden budget meer krijgt is namelijk niet het gevolg van de uitschrijving van de dochter uit de brp, maar het gevolg van de verhuizing van [appellante] naar Duitsland. Immers, ook als de dochter wel op het oude adres zou worden ingeschreven, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op kinderbijslag of kindgebonden budget.
4.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
1071