ECLI:NL:RVS:2026:2069

ECLI:NL:RVS:2026:2069

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 202301528/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 29 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het dichtmaken van een opening in het dak en het plaatsen van ramen in de bestaande kozijnen van een bijgebouw in de tuin van zijn woning op het perceel [locatie 1] in Delft. Tot in de jaren '90 van de vorige eeuw stond er een schoolgebouw achter de percelen [locatie 2] en [locatie 1]. In 1998 is een groot deel van het schoolgebouw gesloopt. Van het deel dat is blijven staan, is het dak deels verwijderd. Dat deel van het schoolgebouw is gaan behoren tot het perceel [locatie 1]. Dit overgebleven deel wordt hierna aangeduid als het bijgebouw. Bij besluit van 19 oktober 1999 is bouwvergunning verleend voor het verkleinen en intern verbouwen van het bijgebouw. [partij] is sinds april 2018 eigenaar van het perceel. Hij is halverwege 2019 begonnen met het verbouwen van het bijgebouw. Na een handhavingsverzoek van omwonenden, omdat volgens hen zonder de benodigde omgevingsvergunning werkzaamheden werden verricht, heeft [partij] een omgevingsvergunning aangevraagd. Het college heeft vervolgens bij het in het procesverloop genoemde besluit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend. Omwonenden zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij vrezen voor een aantasting van hun woongenot.

Uitspraak

202301528/1/R3.

Datum uitspraak: 15 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], [appellant C] en [appellant D], [appellant E] en [appellant F] en [appellant G], allen wonend in Delft,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 januari 2023 in zaken nrs. 21/1529 en 21/1530 in het geding tussen voor zover van belang:

[appellant A] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2020 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het dichtmaken van een opening in het dak en het plaatsen van ramen in de bestaande kozijnen van een bijgebouw in de tuin van zijn woning op het perceel [locatie 1] in Delft.

Bij besluit van 14 januari 2021 heeft het college het door [appellant A] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 januari 2023 heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college, [appellant A] en anderen en [partij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2026, waar [appellant A] en anderen, in de persoon van [appellant B] en [appellant E], vertegenwoordigd door mr. K.L. Markerink, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door P.C.R.R. Debipersad en mr. M. de Lange, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vergezeld door [persoon], bijgestaan door mr. C.J. Visser, advocaat in Rotterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 juni 2020 Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Tot in de jaren '90 van de vorige eeuw stond er een schoolgebouw achter de percelen [locatie 2] en [locatie 1]. In 1998 is een groot deel van het schoolgebouw gesloopt. Van het deel dat is blijven staan, is het dak deels verwijderd. Dat deel van het schoolgebouw is gaan behoren tot het perceel [locatie 1]. Dit overgebleven deel wordt hierna aangeduid als het bijgebouw. Bij besluit van 19 oktober 1999 is bouwvergunning verleend voor het verkleinen en intern verbouwen van het bijgebouw.

[partij] is sinds april 2018 eigenaar van het perceel. Hij is halverwege 2019 begonnen met het verbouwen van het bijgebouw. Na een handhavingsverzoek van omwonenden, omdat volgens hen zonder de benodigde omgevingsvergunning werkzaamheden werden verricht, heeft [partij] een omgevingsvergunning aangevraagd.

Het college heeft vervolgens bij het in het procesverloop genoemde besluit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend. Omwonenden zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij vrezen voor een aantasting van hun woongenot.

Relevante regelgeving

3. Ingevolge het bestemmingsplan "Binnenstad 2012" rust op het perceel de bestemming "Gemengd - Creatief grachtengebied". De relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

4. Op de zitting is gebleken dat [appellant C] en [appellant D] hun perceel hebben verkocht en geleverd, deels aan [partij] en deels aan een derde partij. Het is de Afdeling niet gebleken dat zij nog belang hebben bij een oordeel van de Afdeling. De Afdeling zal het hoger beroep, voor zover door [appellant C] en [appellant D] ingesteld, daarom niet-ontvankelijk verklaard. Hierna worden de overige appellanten aangeduid als [appellant A] en anderen

5. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met artikel 11.2.2, aanhef en onder h, van de planregels, omdat de inhoud van het bijgebouw wordt vergroot. Zij voeren aan dat de rechtbank die bepaling te beperkt heeft uitgelegd door het begrip 'vergroten' te beperken tot de hoogte en diepte. Zij voeren ook aan dat, gelet op artikel 31.1, eerste en tweede lid, van de planregels, waarin in het kader van het op bouwwerken van toepassing zijnde overgangsrecht onder vergroten ook een toename van de inhoud wordt verstaan, een redelijke uitleg van artikel 11.2.2, aanhef en onder h, van de planregels met zich brengt dat ook sprake is van vergroten als bedoeld in die bepaling als de inhoud van een bouwwerk toeneemt. Zij voeren verder aan dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de eerste verdieping van het bijgebouw was vergund als dakterras, een buitenruimte die zich niet in het gebouw bevindt. Met het bouwplan wordt die buitenruimte onderdeel van het gebouw en wordt het gebouw dus groter. Zij voeren ten slotte aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met het bouwplan het brandcompartiment wordt vergroot, hetgeen ook duidt op een vergroting van het bijgebouw.

5.1. Er is sprake is van een bestaand bijgebouw dat niet voldoet aan artikel 11.2.2, aanhef en onder e, van de planregels. In artikel 11.2.2, aanhef en onder h, van de planregels is bepaald dat een bijgebouw dat in strijd is met, voor zover van belang, één van de onderdelen van artikel 11.2.2 wel mag worden gehandhaafd en vernieuwd, maar niet mag worden vergroot. In geschil is wat onder het begrip 'vergroten' wordt verstaan en of het bouwplan daartoe leidt.

5.2. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 25 november 2020, op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan artikel 11.2.2, aanhef en onder h, gelezen in samenhang met de algemene bouwregels zoals onder meer opgenomen in artikel 26.3 van de planregels. Volgens het college gaat het hier om een bestaand bijgebouw dat met het bouwplan niet wordt vergroot. Het college wijst erop dat het bij artikel 11.2.2, aanhef en onder h, van de planregels gaat om de buitenmaten en niet om het vloeroppervlak. Boven het zogenoemde dakterras was een luifel van behoorlijke afmetingen aanwezig die door het bouwplan geïntegreerd is in de totale overkapping ervan. Een redelijke uitleg van artikel 2.6 van de planregels strekt er volgens het college toe dat de luifel hier als dak geldt.

De Afdeling begrijpt, gelet op de verwijzing naar artikel 2.6 van de planregels, het standpunt van het college in het besluit op bezwaar zo dat volgens hem onder 'vergroten' ook een toename van de inhoud valt. Van een toename van de inhoud is volgens het college in dit geval echter geen sprake, omdat, gelet op de bestaande luifel, met het bouwplan de buitenmaten van het bouwwerk niet wijzigen.

5.3. De rechtbank heeft het begrip 'vergroten' uitgelegd in het licht van de strekking van het gehele artikel 11.2.2. Zij heeft van belang geacht dat in de leden a tot en met g van het artikel alleen de dimensies hoogte en diepte worden genoemd. De rechtbank heeft onderdeel h ook in die zin uitgelegd, wat volgens haar ook betekent dat zij niet toetst of de inhoud van bijgebouw wordt vergroot.

De Afdeling volgt dit oordeel van de rechtbank niet. Het hier aan de orde zijnde bijgebouw was, zoals het college in het besluit op bezwaar heeft toegelicht en tussen partijen niet in geschil is, in de bestaande, vergunde situatie weliswaar voorzien van een luifel, maar het was niet geheel overdekt. Met het bouwplan wordt het dak dichtgemaakt en is sprake van een volledig overdekte ruimte op de tweede bouwlaag. Daarmee wordt die ruimte geschikt gemaakt om als onderdeel van het gebouw te worden gebruikt, wat in de bestaande situatie niet het geval was met de opening in het dak. Dat betekent naar het oordeel van de Afdeling dat in de nieuwe situatie de inhoud van het bijgebouw is vergroot. Dat in de eerdere leden van artikel 11.2.2 alleen de dimensies hoogte en diepte worden genoemd, betekent niet dat de term vergroten in lid h ook zo moet worden opgevat. Het gebruik van een andere term in dat lid suggereert ook een andere betekenis. De Afdeling wijst er overigens nog op dat in 1999 een vergunning is aangevraagd voor een verbouwing van het bijgebouw, waarbij onder meer het deel van het dak, dat nu wordt dichtgemaakt, werd verwijderd. Er werd toen een vergunning verleend voor het verkleinen van het bijgebouw.

Aangezien er dus sprake is van een vergroting van het bijgebouw, bestaat er strijd met artikel 11.2.2, aanhef en onder h, van de planregels. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.

Het betoog slaagt. Dat wat [appellant A] en anderen voor het overige over artikel 11.2.2, aanhef en onder h, van de planregels hebben aangevoerd, hoeft geen bespreking.

5.4. Het vorenstaande betekent dat het college de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo daarom ook moeten aanmerken als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat betekent dat het besluit van 14 januari 2021 in strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, van de Wabo is genomen. Dit besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

6. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aannemelijk is dat wordt voldaan aan de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012.

6.1. [appellant A] en anderen vrezen voor de gevolgen van de overslag van brand vanuit het bijgebouw. De rechtbank heeft bezien of artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht in de weg staat aan een vernietiging van het besluit vanwege het door [appellant A] en anderen gedane beroep op de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012, meer in het bijzonder de eisen ter bescherming van brandoverslag. Zij heeft overwogen dat een bijgebouw bij de woning van [appellant C] en [appellant D] op 1 m afstand van het bijgebouw van [partij] staat. De andere eisers in beroep wonen minstens 15 m van dat bijgebouw. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen alleen [appellant C] en [appellant D] zich beroepen op de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012. De rechtbank heeft verder inhoudelijk over het beroep op de brandveiligheidseisen overwogen dat het niet slaagt.

6.2. [appellant A] en anderen hebben het oordeel van de rechtbank over het relativiteitsvereiste niet bestreden, zodat in hoger beroep vast staat dat de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 hun belangen niet beschermen en dit dus voor hen in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit. Het inhoudelijk oordeel van de rechtbank had alleen betrekking op [appellant C] en [appellant D]. Aan een bespreking van dat betoog over het inhoudelijk oordeel van de rechtbank over het Bouwbesluit 2012 komt de Afdeling in hoger beroep niet meer niet toe, nu uit overweging 4 volgt dat het hoger beroep van [appellant C] en [appellant D] niet-ontvankelijk is.

Conclusie

7. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant C] en [appellant D], is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant A] en anderen is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep van [appellant A] en anderen tegen het besluit van 14 januari 2021 gegrond en vernietigt dat besluit. Het college zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van [appellant A] en anderen tegen het besluit van 29 juli 2020. Het college zal moeten bezien of het alsnog een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wil verlenen. Als het dat niet wil, zal het de vergunning alsnog moeten weigeren.

8. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep voor zover ingesteld door [appellant C] en [appellant D] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep voor zover ingesteld door [appellant A], [appellant B], [appellant E] en [appellant F] en [appellant G] gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 januari 2023 in zaak nr. 21/1529;

IV. verklaart het beroep gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft van 14 januari 2021, kenmerk 4362282;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Delft tot vergoeding van bij [appellant A], [appellant B], [appellant E] en [appellant F] en [appellant G] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Delft aan [appellant A], [appellant B], [appellant E] en [appellant F] en [appellant G] het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 455,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Minderhoud

voorzitter

w.g. Pieters

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026

473

BIJLAGE

bestemmingsplan "Binnenstad 2012"

Artikel 2

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

[…];

2.6 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

[…].

Artikel 11.2.2

Voor het bouwen van bouwwerken buiten het bouwvlak gelden de regels van Artikel 26 en de volgende bepalingen:

[…];

e. indien het bouwen van bijgebouwen op grond van artikel 4a lid 1 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht niet is aangewezen als activiteit waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, is het bouwen van bijgebouwen toegestaan mits voldaan wordt aan de in artikel 2 lid 3 en artikel 4a lid 2 sub b van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht genoemde eisen;

[…];

h. bestaande omgevingsvergunningplichtige aan- en uitbouwen en bijgebouwen die niet voldoen aan hetgeen in dit sublid en in Artikel 26 is bepaald, mogen worden gehandhaafd en vernieuwd, maar niet worden vergroot.

Artikel 26.1

Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de verbeelding en het bepaalde in hoofdstuk 2, 3 en 4 van deze regels met inachtneming van de volgende bepalingen:

[…].

Artikel 26.3

Voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming en van lid 26.1, geldt dat:

a. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 en/of lid 26.1 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;

[…].

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.J.W.P. van Gastel
  • mr. J.A.W. Huijben

Griffier

  • mr. N.D.T. Pieters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?