202306592/1/R1.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1], wonend in Domburg, gemeente Veere,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend in Domburg, gemeente Veere,
appellanten,
tegen de tussenuitspraak van 3 maart 2023 en de einduitspraak van 20 september 2023 van de rechtbank ZeelandWestBrabant, beide in zaak nr. 21/4576 in het geding tussen:
[appellant sub 1]
en
het college van burgemeester en wethouders van Veere.
Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2021 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen de (ver)bouwwerkzaamheden aan de buitenzijde en het dak van de panden op de [locatie 1] en [locatie 2] in Domburg afgewezen.
Bij besluit van 29 april 2022 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 7 december 2021 onder aanvulling van de motivering daarvan in stand gelaten.
Bij tussenuitspraak van 3 maart 2023 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om een in die uitspraak geconstateerd gebrek in het besluit van 29 april 2022 te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.
Op 21 april 2023 heeft het college een aanvullende motivering voor het besluit van 29 april 2022 gegeven.
Bij uitspraak van 20 september 2023 (einduitspraak) heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] ingestelde beroep tegen het besluit van 29 april 2022 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover dat gebaseerd is op het afwijzen van het handhavingsverzoek omdat de overtreding gelegaliseerd kan worden met een omgevingsvergunning, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 29 april 2022 in stand blijven, het beroep tegen de aanvullende motivering ongegrond verklaard en het college veroordeeld tot betaling aan [appellant sub 1] van de verschuldigde dwangsom van € 1.442,00.
Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft tegen de tussenuitspraak en einduitspraak incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college en [appellant sub 2] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant sub 1] heeft een zienswijze naar voren gebracht.
[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingebracht.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 januari 2026, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J. Boogaard, advocaat in Middelburg, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. Ossewaarde, advocaat in Middelburg, en het college, vertegenwoordigd door R. Vereecke en T.A.E. Koole, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 8 april 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant sub 2] is eigenaar van een voormalige smederij aan de [locatie 2] (de voormalige smederij) in Domburg. [appellant sub 1] is eigenaar van de aangrenzende woning aan de [locatie 1] (het woonhuis). Deze twee panden vormden oorspronkelijk één pand, maar op enig moment zijn deze kadastraal gesplitst in twee panden. [appellant sub 2] heeft in 2019 besloten de voormalige smederij aan de binnenzijde te verbouwen tot twee recreatiewoningen en heeft hiervoor een omgevingsvergunning aangevraagd. Deze is bij besluit op bezwaar van 15 oktober 2020 verleend. Daarna is [appellant sub 2] in 2021 gestart met de (ver)bouwwerkzaamheden. Hierbij heeft hij onder meer het dak aan de buitenzijde laten isoleren, waardoor het dak hoger is komen te liggen. Verder heeft hij onder meer aan de noordwestelijke gevel aan de achterkant van de voormalige smederij een nieuwe dakgoot geplaatst. Deze dakgoot hangt boven het perceel van [appellant sub 1]. Deze werkzaamheden maken geen deel uit van de vergunning van 15 oktober 2020. Voor de isolatiewerkzaamheden aan het dak heeft [appellant sub 2] op 31 maart 2021 daarom alsnog een omgevingsvergunning aangevraagd.
Deze zaak gaat over het verzoek van [appellant sub 1] van 8 april 2021 aan het college om handhavend op te treden tegen de genoemde (ver)bouwwerkzaamheden die volgens hem zonder een verleende omgevingsvergunning zijn verricht. [appellant sub 1] wenst dat het college bestuursdwang toepast dan wel zodanige maatregelen treft dat de bouwactiviteiten aan de voormalige smederij worden gestaakt en wat in strijd met de omgevingsvergunning is gerealiseerd, wordt afgebroken en verwijderd. Het college heeft het verzoek om handhaving bij besluit van 7 december 2021 afgewezen wegens concreet zicht op legalisatie, omdat [appellant sub 2] op 31 maart 2021 een omgevingsvergunning voor de isolatiewerkzaamheden aan het dak van de voormalige smederij had aangevraagd en het college bereid was daar medewerking aan te verlenen. Bij besluit op bezwaar van 29 april 2022 heeft het college dit besluit in stand gelaten. Op diezelfde dag, bij besluit van 29 april 2022, heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning voor de isolatiewerkzaamheden aan het dak verleend.
Tussenuitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het college terecht heeft gemotiveerd dat artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo is overtreden door de ophoging van het dak door het aanbrengen van isolatie en het vervangen van de goten. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er een concreet zicht op legalisatie van de (ver)bouwwerkzaamheden was, behalve wat betreft het aanbrengen van de dakgoot aan de gevel aan de noordoostelijke achterzijde van de voormalige smederij. In het bouwplan dat is aangevraagd en vergund bij de omgevingsvergunning van 29 april 2022 is de dakgoot voorzien op de gevel en niet naast de gevel, zoals deze feitelijk is gerealiseerd. De rechtbank heeft overwogen dat een motivering van het college over de belangenafweging met betrekking tot de dakgoot aan de achterzijde ontbreekt. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.
Einduitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in de aanvullende motivering voldoende heeft onderbouwd dat handhaving in dit geval onevenredig is. Het college heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat de dakgoot slechts 2 cm is verbreed en dat deze kleine versmalling van de doorgang naar het woonhuis van [appellant sub 1] niet opweegt tegen de kosten van de verwijdering van deze extra overschrijding. De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld.
Goede procesorde
5. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat de door [appellant sub 1] op 12 en 13 januari 2026 ingebrachte stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten worden gelaten.
5.1. De stukken die [appellant sub 1] op 12 en 13 januari 2026 heeft ingediend, zijn in strijd met artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht binnen tien dagen voor de zitting ingediend. De Afdeling ziet in dit geval echter, gelet op de aard en beperkte omvang van het stuk, geen aanleiding om de stukken niet in de beoordeling te betrekken.
Inhoudelijke beoordeling
Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]
6. De Afdeling zal als eerste het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] bespreken, omdat dit betrekking heeft op de vraag of er een overtreding bestond ten aanzien waarvan het college bevoegd is om over te gaan tot handhaving.
Is er een overtreding?
7. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft overwogen dat de bij besluit van 29 april 2022 verleende omgevingsvergunning niet op alle (ver)bouwwerkzaamheden aan de buitenkant van de voormalige smederij ziet. Volgens [appellant sub 2] is de omgevingsvergunning ook verleend voor de dakgoot die feitelijk naast de gevel is gerealiseerd. Hieruit volgt dat met de omgevingsvergunning ook legalisatie van de dakgoot naast de gevel is beoogd. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat er in zoverre een overtreding bestond, aldus [appellant sub 2].
7.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de dakgoot aan de achterzijde van het pand op de [locatie 2] naast de gevel is gerealiseerd. Vast staat dat het college bij besluit van 29 april 2022 aan [appellant sub 2] een vergunning heeft verleend voor de isolatiewerkzaamheden aan het dak van de voormalige smederij, waaronder het realiseren van de dakgoot. Daarmee heeft het college de (ver)bouwwerkzaamheden aan de panden op de [locatie 1] en [locatie 2] in Domburg gelegaliseerd ten tijde van het besluit op bezwaar van 29 april 2022, waarbij het bij besluit van 7 december 2021 afgewezen handhavingsverzoek ten aanzien van die werkzaamheden in stand is gelaten. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat de naast de gevel gerealiseerde dakgoot niet is aangevraagd en daarom niet op grond van de op 31 maart 2021 ingediende aanvraag kon worden gelegaliseerd, zodat het college ten onrechte voor alle (ver)bouwwerkzaamheden concreet zich op legalisatie heeft aangenomen. De Afdeling volgt de rechtbank niet en zij overweegt daartoe het volgende. In het besluit van 29 april 2022 waarbij de omgevingsvergunning is verleend, staat dat de bijgevoegde gewaarmerkte stukken onderdeel zijn van de vergunning. De aanvraag en de bijbehorende foto’s en bouwtekeningen bevatten een dergelijk waarmerk en zijn daarom een onderdeel van de vergunning. Op de zitting is met partijen vastgesteld dat de aanvraag verschillende bouwtekeningen bevat die met elkaar in tegenspraak zijn. Op de detailtekening van Studio voor architectuur en vormgeving van 29 januari 2020, gewijzigd op 20 april 2021, is op het weergegeven achteraanzicht een goot voorzien die naast de gevel hangt en daarmee over de perceelgrens is voorzien. Bij de vergunning zijn daarnaast twee handgetekende bouwtekeningen gevoegd, waarbij de goot op de gevel is voorzien. Het college en [appellant sub 2] hebben in de stukken en op de zitting toegelicht dat de bouwtekeningen waarbij de goot op de gevel is voorzien een schets betreft met een concept voor een oplossing van het tussen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestaande geschil over de goot. Nog daargelaten of, zoals [appellant sub 2] stelt, de bouwtekeningen met de schets ten onrechte door het college zijn opgenomen in de vergunning, maken zij daar wel deel van uit, zoals blijkt uit de tekst van de vergunning en het waarmerk dat op de tekeningen staat. Omdat, gelet op het voorgaande, de vergunning onvoldoende duidelijkheid biedt over de al gerealiseerde dakgoot aan de achterzijde, kan niet worden vastgesteld of de vergunning ziet op een op de gevel te plaatsen dakgoot of een naast de gevel en dus hangend boven het perceel van [appellant sub 1] te plaatsen dakgoot. Het college kon daarom ten tijde van het besluit op bezwaar van 29 april 2022 niet vaststellen of, en zo ja, in hoeverre de dakgoot in strijd met de aangevraagde en op 29 april 2022 verleende vergunning is geplaatst. Nu niet kan worden vastgesteld dat er een overtreding bestond, was het college niet bevoegd om handhavend op te treden. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.
Het betoog slaagt. Omdat de hiervoor besproken beroepsgrond slaagt, komt de Afdeling niet toe aan bespreking van de overige hoger beroepsgronden van [appellant sub 2].
Het hoger beroep van [appellant sub 1]
8. Omdat het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] slaagt, zullen de tussenuitspraak en de einduitspraak van de rechtbank worden vernietigd. Om die reden komt de Afdeling ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep van [appellant sub 1].
Conclusie
9. Gelet op wat de Afdeling onder 7.1 heeft overwogen, is het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond. De tussenuitspraak en de einduitspraak moeten worden vernietigd voor zover de rechtbank het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 29 april 2022 gegrond heeft verklaard voor zover dat is gebaseerd op het afwijzen van het handhavingsverzoek omdat de overtreding gelegaliseerd kan worden met een omgevingsvergunning en voor zover de rechtbank dit besluit in zoverre heeft vernietigd en heeft bepaald dat in zoverre de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank door [appellant sub 1] ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren. Dit betekent dat het besluit van 29 april 2022 herleeft voor zover het college het verzoek om handhaving van [appellant sub 1] heeft afgewezen en is deze handhavingsprocedure met deze uitspraak beëindigd.
10. Het college moet de proceskosten van [appellant sub 2] vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond;
II. vernietigt de tussenuitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 maart 2023, en haar einduitspraak van 20 september 2023, beide in zaak nr. 21/4576 voor zover de rechtbank het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veere van 29 april 2022, kenmerk 22U.01526, gegrond heeft verklaard voor zover dat is gebaseerd op het afwijzen van het handhavingsverzoek omdat de overtreding gelegaliseerd kan worden met een omgevingsvergunning en voor zover de rechtbank dit besluit in zoverre heeft vernietigd en heeft bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven;
III. verklaart het door [appellant sub 1] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veere tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Lammers, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lammers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
890-1099