202504960/1/A2.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 juli 2025 in zaken nrs. 25/759 en 25/762 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 30 augustus 2024 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aanvragen van [appellante] om overname van private schulden afgewezen.
Bij afzonderlijke besluiten van 7 januari 2025 heeft de minister, als rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 juli 2025 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor het overnemen en betalen van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden een gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire in aanmerking komt voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, volgt dat schulden slechts worden overgenomen, indien zij zijn ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
2. [appellante] is erkend als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft aanvragen ingediend om overname van een schuld bij DEFAM van € 16.585,45 (de eerste schuld) en een schuld bij ESWS van € 12.768,00 (de tweede schuld).
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft onder meer de volgende overwegingen aan haar oordeel ten grondslag gelegd.
3.1. De eerste schuld was niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar, zodat deze schuld, gelet op artikel 4.1, tweede lid, van de Wht, niet voor overname in aanmerking komt.
3.2. Vanwege het ontbreken van informatie over de tweede schuld heeft de minister niet kunnen vaststellen of die schuld voldoet aan de vereisten voor overname van private schulden.
3.3. [appellante] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt ter onderbouwing van het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel. Uit de stukken komt naar voren dat de minister de beslissingen op bezwaar heeft voorbereid aan de hand van alle hem tot dan toe ter beschikking staande gegevens. In deze beslissingen komt voldoende duidelijk naar voren waarom de minister het bezwaar ongegrond acht. Volgens de rechtbank heeft de minister niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld.
Hoger beroep
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is gehandeld. Volgens haar heeft de minister niet zorgvuldig of voldoende uitvoerig onderzoek naar de feiten en omstandigheden gedaan om tot een deugdelijk besluit te komen.
4.1. [appellante] betwist in hoger beroep niet dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de eerste schuld niet aan de in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht gestelde vereisten voor overname voldoet en de minister wegens gebrek aan informatie niet kon vaststellen of de tweede schuld al dan niet voor overname in aanmerking komt.
4.2. [appellante] is in de loop van de procedure meerdere malen in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie en bescheiden ter onderbouwing van de gestelde tweede schuld over te leggen. Van deze gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt. Zonder nadere toelichting, die ook in hoger beroep niet is gegeven, valt niet in te zien waarom de minister geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
452-1197