ECLI:NL:RVS:2026:2073

ECLI:NL:RVS:2026:2073

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 202405862/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 13 april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een ligplaatsvergunning verleend voor het woonschip van [partij] op de locatie [locatie]. Het college heeft aan [partij] een ligplaatsvergunning verleend voor het woonschip [naam] op het adres [locatie], dat hij heeft gekocht van de vorige houder van de ligplaatsvergunning voor dat woonschip op dat adres en wiens ligplaatsvergunning met afgifte van deze ligplaatsvergunning is vervallen. [appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat hij ook de wens had om een ligplaatsvergunning te krijgen op deze locatie. Het college heeft het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij volgens het college niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. [appellant] is het niet eens met de besluitvorming.

Uitspraak

202405862/1/A3.

Datum uitspraak: 15 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2024 in zaak nr. 22/4254 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2022 heeft het college een ligplaatsvergunning verleend voor het woonschip van [partij] op de locatie [locatie].

Bij besluit van 27 september 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 26 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep, voor zover van belang, ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 februari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. L.W. Tellegen en mr. G.J. Schoenmakers, advocaten in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door D. Jansen, zijn verschenen. Ook is ter zitting [partij] als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het college heeft aan [partij] een ligplaatsvergunning verleend voor het woonschip [naam] op het adres [locatie], dat hij heeft gekocht van de vorige houder van de ligplaatsvergunning voor dat woonschip op dat adres en wiens ligplaatsvergunning met afgifte van deze ligplaatsvergunning is vervallen. [appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat hij ook de wens had om een ligplaatsvergunning te krijgen op deze locatie. Het college heeft het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij volgens het college niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). [appellant] is het niet eens met de besluitvorming.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. [appellant] kan niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb, omdat niet is gesteld, noch gebleken, dat [appellant] op enig moment voorafgaand aan de bezwaarprocedure zijn interesse in de ligplaats kenbaar heeft gemaakt. Ook is niet gebleken van enig persoonlijk belang. Zowel tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure als tijdens de zitting in de beroepsprocedure is geen andere informatie naar voren gebracht, aldus de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Het college heeft het transparantiebeginsel geschonden. Er is sprake van een schaarse vergunning en daarom had het college potentiële gegadigden voor de ligplaats de gelegenheid moeten geven om mee te dingen naar een ligplaatsvergunning. Dat hij zich niet als potentieel gegadigde heeft kunnen melden en daarom nu niet wordt gezien als belanghebbende is dan ook aan het college te wijten, die een transparante verdelingsprocedure had moeten volgen. De rechtbank had aan deze rechtsnorm moeten toetsen.

Verder voert [appellant] aan dat zijn belangstelling voor de locatie blijkt uit het indienen van het bezwaarschrift en het voeren van de procedure. Ten onrechte is de eis gesteld dat hij een koopovereenkomst of optieovereenkomst voor een woonboot had moeten overleggen. Niet is gesteld of gebleken dat deze eis ook zou worden gesteld bij een openbare verdelingsprocedure, dus deze voorwaarde wordt hem ten onrechte tegengeworpen. Zolang er geen voldoende concreet zicht op een ligplaatsvergunning bestond, kan van [appellant] ook niet worden verwacht nadere voorbereidingshandelingen te treffen, al helemaal niet waar het college hierover geen instructies openbaar heeft gemaakt.

3.1. De indiener van een bezwaarschrift is als zodanig belanghebbende bij een besluit op bezwaar. Hij kan daarom tegen dat besluit beroep instellen bij de rechtbank. Dat geldt ook als de indiener van het bezwaarschrift geen belanghebbende is bij het primaire besluit. De reden daarvoor is om de rechter in staat te stellen om te beoordelen of het bestuursorgaan een bezwaar terecht (niet-)ontvankelijk heeft geacht. Dat is in het geval van [appellant] ook gebeurd. Dat hij belanghebbende is bij het besluit op bezwaar betekent echter niet dat hij ook belanghebbende is bij het primaire besluit.

3.2. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is niet voldoende om belanghebbende te kunnen zijn. Een louter voornemen om zich ergens te vestigen zonder dat daaraan een begin van uitvoering is gegeven, is onvoldoende om belanghebbende te kunnen zijn.

3.3. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit van 13 april 2022. [appellant] heeft, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voorafgaand aan deze besluitvorming op geen enkele manier bij het college zijn interesse in de ligplaats kenbaar gemaakt. Voordat de vergunning aan [partij] is verleend heeft de woonboot met ligplaats anderhalf jaar te koop gestaan op de website Funda.nl. Ook is de vergunningaanvraag van [partij] vóór de vergunningverlening gepubliceerd. Het had op de weg van [appellant] gelegen om zich naar aanleiding van de advertentie of de publicatie tot het college te wenden, te meer nu hij te kennen heeft gegeven bekend te zijn met het Amsterdamse beleid omtrent ligplaatsvergunningen voor bestaande woonboten. Er is dan ook niet gebleken dat zijn belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van een willekeurig ander. In bezwaar en beroep heeft hij slechts aangevoerd dat hij ook de wens had om een ligplaatsvergunning op die locatie te krijgen, maar dat is onvoldoende om als belanghebbende te worden aangemerkt. Vergelijk de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2410, onder 4.6.

3.4. [appellant] heeft op de zitting bij de Afdeling aangevoerd dat uit de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1456, volgt dat hij als belanghebbende moet worden aangemerkt bij de vergunningverlening, omdat hij de door het college (niet) gehanteerde verdelingsprocedure aan de orde wil stellen en hem in dat geval niet kan worden tegengeworpen dat hij geen aanvraag voor de vergunning heeft ingediend.

3.5. De Afdeling volgt [appellant] niet in dat betoog. In de aangehaalde uitspraak van 24 juni 2020 oordeelt de Afdeling niet, zoals [appellant] stelt, dat de intentie om de rechtmatigheid van een verdelingsprocedure bij eventueel schaarse vergunningen aan de orde te stellen op zichzelf maakt dat er belanghebbendheid moet worden aangenomen. In de uitspraak heeft de Afdeling het belang van de betrokken partij primair ontleend aan het feit dat het ging om een concurrent die werkzaam was in hetzelfde marktsegment als de verkrijger van de vergunning (vergelijk ook de uitspraak van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3732, onder 7.4). Deze situatie is niet gelijk te stellen aan de situatie bij niet-economische vergunningen voor particulieren zoals bij ligplaatsvergunningen voor bestaande woonboten. Bovendien geldt dat ook (potentiële) concurrenten hun belang moeten onderbouwen door aannemelijk te maken dat er concrete plannen zijn om in hetzelfde marktsegment werkzaam te zijn en dat er is aangevangen met de uitvoering van die plannen. In de door [appellant] op zitting genoemde uitspraak werd de concurrent als belanghebbende aangemerkt omdat al jarenlang bekend was dat die partij actief was op de betreffende markt, haar interesse in de vergunning al jarenlang kenbaar had gemaakt en ook meermaals vergunningaanvragen had ingediend. Zoals onder 3.3 overwogen, heeft [appellant] dat voor de ligplaatsvergunning niet gedaan.

Het betoog slaagt niet.

Slotsom

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak moet, voor zover aangevallen, worden bevestigd.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Schipper-Spanninga

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Sluis

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026

802-1166

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.A. van de Sluis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?