ECLI:NL:RVS:2026:2075

ECLI:NL:RVS:2026:2075

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 202503036/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

De burgemeester van Utrecht heeft bij besluit van 8 november 2023 op grond van artikel 2:3 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 en het daarop gebaseerde Aanwijzingsbesluit artikel 2:3 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2023, verblijfsontzegging Lucasbolwerk, Hieronymusplantsoen en omgeving (hierna: Aanwijzingsbesluit) aan [appellant] een verblijfsontzegging opgelegd voor de duur van een maand, omdat hij die dag de openbare orde heeft verstoord en er al eerder aan hem een verblijfsontzegging voor dit gebied voor de duur van 24 uur is opgelegd. De burgemeester heeft zich voor dit besluit gebaseerd op een proces-verbaal van de politie. Daaruit volgt dat [appellant] een bekeuring heeft gekregen wegens overtreding van artikel 2:29, aanhef en onder a, van de APV, omdat hij zich zonder redelijk doel ophield in een portiek. De verblijfsontzegging gold van 8 november 2023 om 19.45 uur tot en met 8 december 2023 om 19.44 uur voor het gebied van het Lucasbolwerk, het Hieronymusplantsoen en omgeving in Utrecht. De burgemeester heeft de verblijfsontzegging in bezwaar gehandhaafd.

Uitspraak

202503036/1/A3.

Datum uitspraak: 15 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 15 april 2025 in zaak nr. 24/3108 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2023 heeft de burgemeester aan [appellant] een verblijfsontzegging opgelegd voor de periode van 8 november 2023 om 19.45 uur tot en met 8 december 2023 om 19.44 uur.

Bij besluit van 12 februari 2024 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 februari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M. van Viegen, advocaat in Utrecht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door O. Boubkari en S. Boundati zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De burgemeester heeft bij besluit van 8 november 2023 op grond van artikel 2:3 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 (hierna: APV) en het daarop gebaseerde Aanwijzingsbesluit artikel 2:3 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2023, verblijfsontzegging Lucasbolwerk, Hieronymusplantsoen en omgeving (hierna: Aanwijzingsbesluit) aan [appellant] een verblijfsontzegging opgelegd voor de duur van een maand, omdat hij die dag de openbare orde heeft verstoord en er al eerder aan hem een verblijfsontzegging voor dit gebied voor de duur van 24 uur is opgelegd. De burgemeester heeft zich voor dit besluit gebaseerd op een proces-verbaal van de politie. Daaruit volgt dat [appellant] een bekeuring heeft gekregen wegens overtreding van artikel 2:29, aanhef en onder a, van de APV, omdat hij zich zonder redelijk doel ophield in een portiek. De verblijfsontzegging gold van 8 november 2023 om 19.45 uur tot en met 8 december 2023 om 19.44 uur voor het gebied van het Lucasbolwerk, het Hieronymusplantsoen en omgeving in Utrecht. De burgemeester heeft de verblijfsontzegging in bezwaar gehandhaafd.

Uitspraak rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de verblijfsontzegging aan [appellant] heeft mogen opleggen.

2.1. Daartoe heeft de rechtbank allereerst overwogen dat de bevoegdheid van de burgemeester om een verblijfsontzegging op te leggen niet in strijd is met de onschuldpresumptie van artikel 6 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), ook niet in het geval aan [appellant] een bekeuring zou zijn opgelegd. De rechtbank heeft opgemerkt dat de vraag centraal staat of de burgemeester aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant] artikel 2:29 van de APV heeft overtreden, omdat hij zonder redelijk doel in een portiek rondhing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester dat gedaan en was hij daarom bevoegd om, onafhankelijk van de bekeuring, de verblijfsontzegging op te leggen.

2.2. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de beperkingen die de verblijfsontzegging met zich meebrengt voor [appellant] niet onevenredig zijn. De rechtbank heeft het standpunt van de burgemeester gevolgd dat het voor [appellant] wel mogelijk was om naar het kantoor van zijn advocaat te gaan, omdat de ingang van het kantoor net buiten het gebied van de verblijfsontzegging ligt. Het bezoek aan zijn advocaat was voor [appellant] dus mogelijk zonder het gebied te doorkruisen. Daarnaast waren er andere mogelijkheden om zijn advocaat te spreken. Ten aanzien van het gebruik van de bushalte Stadsschouwburg heeft de burgemeester uitgebreid toegelicht dat [appellant] wel met de bus door het gebied mocht reizen, dat hij daar niet mocht uitstappen, maar dat er alternatieve bushaltes buiten het gebied zijn. Deze beperkingen heeft de rechtbank niet onevenredig geacht.

2.3. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat het beleid van de burgemeester niet proportioneel is. De rechtbank heeft daarvoor overwogen dat het beleid rekening houdt met een opbouw in de duur van de verblijfsontzegging en dat deze opbouw is gebaseerd op het aantal overtredingen. Het is naar het oordeel van de rechtbank de keuze van de burgemeester hoe hij het beleid proportioneel inricht. Dat [appellant] heeft gewezen op onder meer de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:7146, is voor de rechtbank geen reden om anders te oordelen, omdat dit geen vergelijkbare gevallen zijn.

Hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de burgemeester ten onrechte niet is uitgegaan van de onschuldpresumptie. Hij verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1247, waaruit volgt dat de onschuldpresumptie van toepassing is als parallel aan een bestuursrechtelijke procedure een strafrechtelijke procedure loopt of heeft gelopen. Volgens [appellant] heeft de burgemeester onvoldoende aangetoond dat parallel aan deze procedure geen strafrechtelijke procedure loopt.

3.1. Verder betoogt [appellant] dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verblijfsontzegging een evenredige inbreuk op zijn recht op bewegingsvrijheid maakt.

3.1.1. Daarvoor voert hij allereerst aan dat hij het kantoor van zijn advocaat, gelegen aan de Maliesingel 2 in Utrecht, niet kon bezoeken. Dit was noodzakelijk vanwege de voorbereiding van procedures. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte aangenomen dat het kantooradres net buiten het gebied van de verblijfsontzegging gelegen is. Hij meent dat dit het adres is van andere gebruikers van het pand op de Maliesingel 2 in Utrecht, namelijk Villa Pinedo. Volgens [appellant] heeft hij op grond van artikel 6, derde lid en onder a, van het EVRM het recht om het kantoor van zijn advocaat te bezoeken.

3.1.2. [appellant] kon vanwege de opgelegde verblijfsontzegging bovendien geen gebruikmaken van het openbaar vervoer. Het busstation Stadsschouwburg is namelijk in het gebied gelegen en dit is een belangrijke verkeersader. [appellant] is afhankelijk van het openbaar vervoer, aangezien het zijn enige manier van vervoer is om niet te voet afstanden af te leggen.

3.2. Tot slot betoogt [appellant] dat het opleggen van een verblijfsontzegging van een maand in dit geval niet proportioneel is. Gelet op de aard van de overtreding is het volgens [appellant] slechts voorstelbaar dat een verblijfsontzegging van enkele weken zou worden opgelegd. [appellant] betoogt verder dat het beleid van de burgemeester niet proportioneel is. Volgens [appellant] moet het beleid niet gebaseerd zijn op het aantal overtredingen, maar moet er in het beleid een onderscheid worden gemaakt tussen overtredingen en misdrijven. Hij verwijst hiervoor naar de eerder genoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2014.

Beoordeling van het hoger beroep

4. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester met het opleggen van de verblijfsontzegging aan [appellant] de onschuldpresumptie niet heeft geschonden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1315), is van schending van de onschuldpresumptie sprake als een uiting een oordeel weergeeft omtrent de schuld van iemand die is aangeklaagd ter zake van het plegen van een strafbaar feit voordat de schuld van die persoon in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan. Daarvan is in dit geval geen sprake, aangezien de burgemeester in de verblijfsontzegging geen oordeel heeft gegeven over de schuld van [appellant]. Bovendien heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er een parallelle strafrechtelijke procedure loopt. Verder komt de Afdeling op basis van de gedingstukken tot de conclusie dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, [appellant] ondanks de opgelegde verblijfsontzegging met het openbaar vervoer door het gebied mocht reizen en het kantoor van zijn advocaat kon bereiken zonder de verblijfsontzegging te hoeven schenden. Tot slot volgt de Afdeling de rechtbank ook in het oordeel dat niet is gebleken dat het beleid van de burgemeester niet proportioneel is, omdat de opbouw in het beleid gebaseerd is op het aantal overtredingen. Uit de toelichting van het Aanwijzingsbesluit volgt namelijk dat de burgemeester de overlast door een grote groep verslaafde dak- en thuislozen wil tegengaan met het opleggen van verblijfsontzeggingen bij het plegen van strafbare feiten die de openbare orde verstoren waarbij het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen niet relevant is.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Sluis

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026

802-1171

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.A. van de Sluis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?