202202911/1/R4.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellante sub 1], gevestigd in Ermelo,
2. [appellant sub 2], wonend in Ermelo,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 maart 2022 in zaak nr. 20/750 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
het college van burgemeester en wethouders van Ermelo.
Procesverloop
Bij besluit van 4 april 2018 heeft het college aan [appellante sub 1] een last onder dwangsom opgelegd wegens verschillende overtredingen binnen haar eendenslachterij aan de [locatie 1] in Ermelo.
Bij brief van 13 april 2018 heeft het college, onder verwijzing naar het besluit van 4 april 2018, aan [appellant sub 2] meegedeeld dat haar verzoek om handhavend op te treden tegen [appellante sub 1], is toegewezen. Deze brief en het besluit van 4 april 2018 vormen samen het besluit op het handhavingsverzoek van [appellant sub 2] en zullen hierna worden aangeduid als "het besluit van 4 en 13 april 2018".
Bij besluit van 23 december 2019 heeft het college (opnieuw) besloten op de daartegen gemaakte bezwaren. Het college heeft de bezwaren van zowel [appellant sub 2] als van [appellante sub 1] ongegrond verklaard, het besluit van 4 en 13 april 2018 ingetrokken en het verzoek van [appellant sub 2] om handhavend op te treden, afgewezen.
Bij uitspraak van 31 maart 2022 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2019 vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 4 mei 2022 heeft het college de door [appellant sub 2] en [appellante sub 1] gemaakte bezwaren deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Het college heeft het besluit van 4 en 13 april 2018 herroepen en aan [appellante sub 1] zes nieuwe lasten onder dwangsom opgelegd.
[appellant sub 2] en [appellante sub 1] hebben gronden aangevoerd tegen dit besluit.
Bij besluit van 1 november 2022 heeft het college de begunstigingstermijnen van de lasten 1, 2 en 3 uit het besluit van 4 mei 2022 verlengd tot zes weken na het besluit op twee aanvragen van [appellante sub 1] van 1 en 9 september 2022 om een tijdelijke omgevingsvergunning.
[appellant sub 2] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.
Het college heeft hierover een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 12 april 2023 heeft het college bij [appellante sub 1] € 30.000,00 aan dwangsommen ingevorderd wegens het niet voldoen aan de bij het besluit van 4 mei 2022 opgelegde lasten 5 en 6.
[appellante sub 1] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.
Bij besluit van 19 december 2023 heeft het college de bij het besluit van 4 mei 2022 opgelegde lasten 1, 2 en 3 ingetrokken en aan [appellante sub 1] drie nieuwe lasten onder dwangsom opgelegd.
[appellant sub 2] en [appellante sub 1] hebben gronden aangevoerd tegen dit besluit.
Bij besluit van 13 juni 2024 heeft het college de begunstigingstermijnen van de drie bij besluit van 19 december 2023 opgelegde lasten onder dwangsom verlengd tot 19 december 2024.
[appellant sub 2] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.
Het college heeft hierover een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 7 november 2024 heeft het college bij [appellante sub 1] € 20.000,00 aan dwangsommen ingevorderd wegens het niet voldoen aan de bij het besluit van 4 mei 2022 opgelegde last 6.
[appellante sub 1] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.
Bij besluit van 5 december 2024 heeft het college het verzoek van [appellante sub 1] om verdere verlenging van de begunstigingstermijnen van de bij het besluit van 19 december 2023 opgelegde lasten onder dwangsom, afgewezen.
[appellante sub 1] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven over de hoger beroepen en de beroepen van rechtswege tegen de nadere besluiten.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 mei 2025, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. I.E. Nauta, advocaat in Deventer, [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. R. Scholten, rechtsbijstandverlener in Harderwijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Huisman, bijgestaan door mr. R.A. Oosterveer, advocaat in Apeldoorn, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van de hoger beroepen en de beroepen van rechtswege tegen de nadere besluiten over handhavend optreden blijft het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.
Inleiding
2. [appellante sub 1] exploiteert een eendenslachterij op de percelen [locatie 2], [locatie 1] en [locatie 3] in Ermelo. Voor de inrichting gelden een revisievergunning van 8 oktober 2002 en een veranderingsvergunning van 31 juli 2006. In 2016 heeft [appellante sub 1] haar bedrijfsvoering uitgebreid zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
[appellant sub 2] woonde tot september 2024 aan de [locatie 4] in Ermelo in de directe nabijheid van de eendenslachterij. Zij heeft het college op 13 februari 2018 verzocht om handhavend op te treden, omdat zij overlast had van de uitbreiding van de eendenslachterij.
3. De relevante planregels en wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
4. De Afdeling bespreekt in deze uitspraak eerst de vraag of [appellant sub 2] nog procesbelang heeft en daarna de hoger beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 1] tegen de uitspraak van de rechtbank. Daarna worden in chronologische volgorde de beroepen van rechtswege van [appellant sub 2] en [appellante sub 1] tegen de nadere besluiten besproken. Aan het eind van deze uitspraak wordt voor de hoger beroepen en de beroepen tegen de nadere besluiten de conclusie herhaald, worden de gevolgen van deze uitspraak uitgelegd en wordt geoordeeld over de vergoeding van de proceskosten.
Procesbelang [appellant sub 2]
5. Het college en [appellante sub 1] stellen zich op het standpunt dat [appellant sub 2] sinds de verkoop van haar woning en haar verhuizing eind augustus/begin september 2024 geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar (hoger) beroep.
5.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang meer bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.
5.2. [appellant sub 2] stelt dat zij nog steeds belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar (hoger) beroep, omdat zij schade heeft geleden als gevolg van de verschillende besluiten in dit handhavingstraject waarbij haar handhavingsverzoek werd afgewezen of, als er wel lasten onder dwangsom werden opgelegd, een lange begunstigingstermijn werd gegund en steeds werd verlengd, waardoor de overtredingen ten aanzien waarvan zij om handhaving had verzocht, nog voortduurden toen zij verhuisde. Op de zitting bij de Afdeling heeft zij aangegeven dat de voortdurende overlast van de eendenslachterij de reden is geweest dat zij haar woning te koop heeft aangeboden. Daarbij heeft zij toegelicht dat de woning ongeveer 2,5 jaar te koop heeft gestaan, dat veel potentiële kopers afhaakten door de stank en het lawaai van de eendenslachterij en dat zij de woning uiteindelijk voor een veel lager bedrag heeft moeten verkopen.
5.3. Naar het oordeel van de Afdeling is het niet onaannemelijk dat de woning van [appellant sub 2] als gevolg van de besluiten over haar verzoek om handhaving in waarde is gedaald. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college gedurende enkele jaren heeft geweigerd om handhavend op te treden tegen de activiteiten van [appellante sub 1] en nooit volledig tegemoet is gekomen aan het verzoek om handhaving. Het is aannemelijk dat potentiële kopers bij het bepalen van de koopprijs rekening hebben gehouden met de activiteiten van [appellante sub 1] waar het verzoek om handhaving op ziet. Daarnaast neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 2] op de zitting heeft toegelicht dat haar woning ongeveer € 200.000,00 minder heeft opgebracht dan waarvoor deze was getaxeerd en dat het college niet heeft weersproken dat de woning ongeveer 2,5 jaar te koop heeft gestaan.
Gelet op het voorgaande heeft [appellant sub 2] tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de besluiten over haar verzoek om handhaving. Naar het oordeel van de Afdeling heeft zij daarom belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar (hoger) beroep.
De hoger beroepen
Strijd met het bestemmingsplan
6. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het gebruik van de voorzijde van het perceel [locatie 2] in overeenstemming is met de op grond van het bestemmingsplan "De Driehoek 2016" geldende bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - transport en opslag". Volgens haar rijden er vrachtwagens met te slachten eenden via de voorzijde van dat perceel richting de slachterij op het perceel [locatie 1], waar de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - pluimveeslachterij" geldt. Zij stelt dat uit het verschil in aanduidingen volgt dat er ook verschillende activiteiten zijn toegestaan. Volgens haar is het rijden met vrachtwagens met te slachten eenden gebruik ten behoeve van de eendenslachterij ofwel gebruik ter voorbereiding op het slachten van eenden en is dat gebruik ruimer dan het toegestane gebruik voor transport en opslag ten dienste van de pluimveeslachterij.
6.1. Op grond van artikel 4.1, aanhef en onder f, van de planregels is de voorzijde van de [locatie 2] met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - transport en opslag" bestemd voor transport en opslag ten dienste van een pluimveeslachterij. Anders dan [appellant sub 2], ziet de Afdeling niet in waarom het vervoeren van te slachten eenden met vrachtwagens naar de slachterij daar niet onder valt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat het gebruik van het voorste deel van het perceel [locatie 2] in strijd is met het bestemmingsplan.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet.
7. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het achterste gedeelte van het perceel [locatie 2] en het gehele perceel [locatie 3] op grond van het bestemmingsplan niet voor de eendenslachterij gebruikt mogen worden. Volgens [appellante sub 1] worden de percelen al jaren op dezelfde manier gebruikt. Zij betwist niet dat de gronden de bestemming "Bedrijf" hebben, zonder specifieke aanduiding, zodat daar bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Zij betwist verder niet dat haar eendenslachterij een bedrijf in categorie 3.1 is. [appellante sub 1] betoogt echter dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, op de gronden zonder specifieke aanduiding activiteiten mogen plaatsvinden ten behoeve van de eendenslachterij, zolang deze activiteiten op zichzelf passen binnen categorie 1 of 2. Ter onderbouwing hiervan wijst zij op de plantoelichting, de overwegingen in het besluit van 15 maart 2019, waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een opslagloods op het perceel [locatie 3], en een tussen haar en de gemeente op 3 januari 2018 gesloten anterieure overeenkomst. Daaruit volgt volgens haar dat het bestaande gebruik van de gronden is toegestaan, omdat de activiteiten die plaatsvinden binnen milieucategorie 1 of 2 passen.
7.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het gebruik van het achterste deel van het perceel [locatie 2] en het perceel [locatie 3] voor de eendenslachterij in strijd is met het bestemmingsplan. Zoals [appellante sub 1] ook niet betwist, zijn op de betrokken gronden op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan, terwijl de eendenslachterij een bedrijf in categorie 3.1 is. Dit betekent dat activiteiten ten dienste van de eendenslachterij daar niet zijn toegestaan. Dat die activiteiten, bijvoorbeeld transportbewegingen, mogelijk wel zouden zijn toegestaan als ze plaatsvonden ten dienste van een bedrijf tot en met categorie 2, maakt dat niet anders. Bepalend is binnen welke categorie het bedrijf valt ten behoeve waarvan de activiteiten plaatsvinden, omdat artikel 4.1 van de planregels ziet op "bedrijven" en niet op "activiteiten" van een bepaalde categorie (vergelijk ook onder 2.2 van de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2573). Gelet op de duidelijke planregels, is verder niet van belang wat in de plantoelichting staat, nog daargelaten of daaruit kan worden afgeleid dat de raad heeft beoogd de activiteiten van de eendenslachterij op deze percelen positief te bestemmen. Ook wat in de opmerkingen in het besluit van 15 maart 2019 en de anterieure overeenkomst staat, is gelet op de duidelijke planregels niet van belang. Tot slot doet de omstandigheid dat de activiteiten al langere tijd plaatsvinden, niet af aan het feit dat die activiteiten in strijd zijn met artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels.
Het betoog van [appellante sub 1] slaagt niet.
Concreet zicht op legalisatie
8. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat er concreet zicht bestond op legalisatie van de ondergrondse gasleiding en het bovengrondse gasstation aan de Julianalaan 122-124, die voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 1] zijn gerealiseerd. Volgens haar is er, anders dan waar de rechtbank van uitgaat, voor de strook grond waar de gasleiding doorheen loopt, geen aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het in strijd met de bestemming "Groen" mogen gebruiken van die strook voor de gasleiding. In de ontwerpverklaring van geen bedenkingen die de raad heeft afgegeven is de aanvaardbaarheid van de afwijking van de bestemming "Groen" ook niet beoordeeld, aangezien daarin slechts wordt ingegaan op de activiteit veranderen van een inrichting.
8.1. De ondergrondse gasleiding en het bovengrondse gasstation zijn, naar ook niet in geschil is, zonder de benodigde omgevingsvergunning aanwezig op het perceel Julianalaan 122-124. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden.
8.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2908) is om concreet zicht op legalisatie aan te nemen van gebruik dat in strijd is met een bestemmingsplan, ten minste vereist dat een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage is gelegd, waarbinnen het gebruik, waarop het handhavingsverzoek ziet, past. In dat geval bestaat echter evenmin concreet zicht op legalisering, indien op voorhand duidelijk is dat die omgevingsvergunning geen rechtskracht zal verkrijgen. Dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning mogelijk kan worden vernietigd, is onvoldoende om dat aan te nemen. In een procedure als onderhavige bestaat daarom enige ruimte voor een beoordeling van die omgevingsvergunning, maar uitsluitend in die zin of op voorhand duidelijk is dat die geen rechtskracht zal verkrijgen.
8.3. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2908, onder 8.2, overwogen dat het gebruik van de gasleiding in afwijking van de bestemming "Groen" onderdeel uitmaakt van de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd, zodat op dit punt concreet zicht op legalisatie bestaat. In die uitspraak heeft de Afdeling over een eerder handhavingsverzoek ten aanzien van dit gasstation en deze gasleiding geoordeeld dat het college concreet zicht op legalisatie heeft kunnen aannemen vanwege de op 30 oktober 2019 ter inzage gelegde ontwerp-omgevingsvergunning. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat in de ruimtelijke onderbouwing duidelijk staat vermeld waarvoor het gasstation en de gasleiding dienen en welke afwijking van het bestemmingsplan dit oplevert, en dat deze afwijking door de raad is beoordeeld bij het afgeven van de verklaring van geen bedenkingen. Er is geen aanleiding om daar in deze zaak anders over te oordelen. De stelling van [appellant sub 2] dat er geen aanvraag is gedaan voor een omgevingsvergunning voor het gebruik van de gasleiding, is dan ook onjuist.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet.
9. De rechtbank heeft onder 5 in de aangevallen uitspraak geconcludeerd onder het kopje ‘Conclusie’ dat het beroep van [appellant sub 2] gegrond is. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd voor de activiteit "gebruik in strijd met het bestemmingsplan" ook ziet op het gebruik van de percelen [locatie 2] en [locatie 3] voor een pluimveeslachterij. Omdat een vergunning voor dit gebruik niet is aangevraagd, bestaat voor deze percelen volgens de rechtbank geen concreet zicht op legalisatie.
[appellant sub 2] betoogt dat dit oordeel van de rechtbank te beperkt is. Volgens haar ontbreekt concreet zicht op legalisatie voor alle aangevraagde activiteiten, omdat er onlosmakelijke samenhang is tussen de aangevraagde wijziging van de inrichting en de niet aangevraagde, maar wel benodigde toestemming om af te mogen wijken van de bestemming "Bedrijf", zonder aanduiding, op de percelen [locatie 2] en [locatie 3].
9.1. De Afdeling is van oordeel dat het oordeel van de rechtbank niet te beperkt is. [appellant sub 2] heeft bij de rechtbank aangevoerd dat de percelen [locatie 2] en [locatie 3], met de daarop gebouwde bouwwerken, in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan "De Driehoek 2016" onderdeel zijn gaan uitmaken van de eendenslachterij en dat legalisatie van dit planologisch strijdige gebruik ten onrechte niet is aangevraagd en vergund. Op dit betoog is de rechtbank ingegaan. Zoals onder 9 is overwogen, heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanvraag voor een omgevingsvergunning is gedaan voor het gebruiken van de percelen [locatie 2] en [locatie 3] in strijd met het bestemmingsplan, en dat daarom voor dit gebruik geen concreet zicht op legalisatie bestaat. De rechtbank heeft zich er niet over uitgelaten in hoeverre de aangevraagde veranderingen van de inrichting onlosmakelijk daarmee samenhangen. Gelet op het betoog dat [appellant sub 2] had aangevoerd, was er voor de rechtbank ook geen aanleiding om dat te doen.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet.
Conclusie hoger beroepen
10. De hoger beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 1] zijn ongegrond.
Het besluit van 4 mei 2022
11. Bij het besluit van 4 mei 2022 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw besloten op de door [appellant sub 2] en [appellante sub 1] gemaakte bezwaren, het besluit van 4 en 13 april 2018 herroepen en aan [appellante sub 1] zes nieuwe lasten onder dwangsom opgelegd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
11.1. Bij dit besluit is [appellante sub 1] gelast om:
1. het gebruik van de achterzijde van het perceel [locatie 2] voor een pluimveeslachterij te beëindigen en beëindigd te houden;
2. het gebruik van het perceel [locatie 3] voor een pluimveeslachterij te beëindigen en beëindigd te houden, met uitzondering van de op 15 maart 2019 vergunde opslaghal;
3. een houtsingel aan te leggen en in stand te houden, die voldoet aan de eisen uit het beeldkwaliteitsplan behorende bij het bestemmingsplan "De Driehoek 2016", op het gedeelte van het perceel [locatie 3] dat de bestemming "Groen" heeft;
4. de geluidsproductie van het bedrijf in overeenstemming te brengen met de milieuvergunning van 8 oktober 2002, herzien op 31 juli 2006, meer specifiek hoofdstuk 7 hiervan;
5. de werktijden uit de milieuvergunning uit 2002, herzien in 2006, na te leven;
6. de verkeersbewegingen uit de milieuvergunning uit 2002, herzien in 2006, na te leven.
11.2. [appellant sub 2] en [appellante sub 1] hebben beiden gronden aangevoerd tegen dit besluit.
Ingetrokken beroepsgrond
12. [appellant sub 2] heeft haar beroepsgrond over last 3 op de zitting ingetrokken.
[locatie 2] en [locatie 3] (Lasten 1 en 2)
13. [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte heeft afgezien van handhavend optreden tegen het gebruik van het voorste deel van het perceel [locatie 2] door [appellante sub 1]. Zij voert hierover hetzelfde aan als in haar hoger beroep tegen de rechtbankuitspraak, zoals hiervoor onder 6 is besproken.
13.1. Zoals hiervoor onder 6.1 is geoordeeld, is het vervoeren van te slachten eenden met vrachtwagens naar de slachterij via de voorzijde van de [locatie 2] in overeenstemming met het bestemmingsplan.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet.
14. [appellante sub 1] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het achterste gedeelte van het perceel [locatie 2] en het gehele perceel [locatie 3] op grond van het bestemmingsplan "De Driehoek 2016" niet mogen worden gebruikt voor een pluimveeslachterij. Zij voert hierover hetzelfde aan als in haar hoger beroep tegen de rechtbankuitspraak, zoals hiervoor onder 7 is besproken.
14.1. Zoals hiervoor onder 7.1 is geoordeeld, is het gebruik van het achterste deel van het perceel [locatie 2] en het gehele perceel [locatie 3] voor de eendenslachterij in strijd met het bestemmingsplan. Het college was daarom bevoegd om daartegen handhavend op te treden.
Het betoog van [appellante sub 1] slaagt niet.
15. In last 2 wordt [appellante sub 1] gelast om het gebruik van het perceel [locatie 3] voor een pluimveeslachterij te beëindigen en beëindigd te houden, met uitzondering van de op 18 (lees: 15) maart 2019 vergunde opslaghal. [appellant sub 2] betoogt dat het college het gebruik van de opslaghal ten onrechte heeft uitgezonderd in deze last. In de opslaghal worden volgens haar vrachtauto’s gestald die behoren bij de eendenslachterij. Zij stelt dat dit gebruik geen onderdeel uitmaakt van de op 15 maart 2019 verleende omgevingsvergunning voor de opslaghal, zodat het college daartegen handhavend kon optreden.
15.1. De Afdeling is van oordeel dat het college het gebruik van de opslaghal voor een eendenslachterij terecht heeft uitgezonderd in last 2. Uit de aanvraag blijkt duidelijk dat de omgevingsvergunning voor de opslaghal is aangevraagd ten behoeve van [appellante sub 1]. Op de zitting heeft het college ook bevestigd dat het er bij het verlenen van de omgevingsvergunning vanuit is gegaan dat de opslaghal voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 1] zou worden gebruikt. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat het gebruik van de opslaghal voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 1] door het college is vergund met de op 15 maart 2019 verleende omgevingsvergunning.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet.
16. [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte niet handhavend heeft opgetreden tegen het gebruik van de luchtwasser, de schoorsteen, de verenplaats, de bloed- en sliptank en het gasdrukregel- en meetstation met gasleiding, die zich bevinden op de achterzijde van het perceel [locatie 2]. Volgens haar bestaat voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van die bouwwerken geen concreet zicht op legalisatie, omdat de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd geen betrekking heeft op het gebruik van die bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Hierbij verwijst zij naar overweging 4.8 van de aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank heeft overwogen dat die ontwerp-omgevingsvergunning zich beperkt tot een standpunt over de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van de bouwwerken, maar geen beoordeling bevat van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het gebruik in strijd met de bestemming.
Ook stelt zij dat de aanvraag die ten grondslag ligt aan de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd, al 4,5 jaar geleden is ingediend en dat nog altijd geen omgevingsvergunning is verleend. Bovendien ervaart zij veel overlast van het gebruik van de bouwwerken, met name in de vorm van geurhinder. Zij meent dat het college haar belangen daarom zwaarder had moeten laten wegen dan die van [appellante sub 1].
16.1. In last 1 wordt [appellante sub 1] gelast om het gebruik van de achterzijde van het perceel [locatie 2], dit betreft het perceelsgedeelte zonder de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - transport en opslag", voor een pluimveehouderij te beëindigen en beëindigd te houden. Daar bevinden zich ook een luchtwasser, schoorsteen, verenlaadplaats, bloed- en sliptank en het gasdrukregel- en meetstation met gasleiding. In het besluit staat dat last 1 geen betrekking heeft op het gebruik van deze bouwwerken omdat dit gebruik wordt gedekt door de ontwerp-omgevingsvergunning van 30 oktober 2019.
16.2. Wat betreft het gasdrukregel- en meetstation en de gasleiding stelt de Afdeling eerst vast dat die bouwwerken zich bevinden op het perceel Julianalaan 122-124 en niet op de achterzijde van het perceel [locatie 2]. Zoals hiervoor onder 8.3 is overwogen, maakt het gebruik van het gasdrukregel- en meetstation en de gasleiding onderdeel uit van de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd zodat op dit punt concreet zich op legalisatie bestaat.
Ten aanzien van de luchtwasser, schoorsteen, verenlaadplaats en bloed- en sliptank overweegt de Afdeling dat het college zich in het besluit van 4 mei 2022 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van die bouwwerken ten behoeve van de eendenslachterij wordt gedekt door de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd. In deze ontwerp-omgevingsvergunning staat weliswaar dat een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan, maar de daarin genoemde afwijkingen zijn alleen afwijkingen van de bouwregels, te weten het deels bouwen buiten het bouwvlak en een overschrijding van de maximale bouwhoogten. In de ontwerp-omgevingsvergunning is niet onderkend dat het gebruik van die bouwwerken ten behoeve van de eendenslachterij in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming "Bedrijf" die slechts bedrijven tot en met categorie 2 toelaat zoals hiervoor onder 7.1 is overwogen. De ontwerp-omgevingsvergunning levert daarom geen concreet zicht op legalisatie op voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de luchtwasser, schoorsteen, verenlaadplaats en bloed- en sliptank.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt.
Houtsingel (Last 3)
17. [appellante sub 1] betoogt dat last 3 tot het aanleggen van de houtsingel buitenproportioneel is, omdat de termijn van drie jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan waarbinnen dat had gemoeten, pas net was verlopen en de twee jaar voorafgaand aan de last in het teken stonden van Covid-19. Daarnaast stelt [appellante sub 1] dat het college niet heeft gemotiveerd waarom is gekozen voor een last onder dwangsom zonder eerst in overleg te treden.
17.1. Het bestemmingsplan "De Driehoek 2016" is vastgesteld op 8 maart 2018 en onherroepelijk geworden op 3 april 2019 door de uitspraak van de Afdeling van die datum, ECLI:NL:RVS:2019:1027. In wat [appellante sub 1] aanvoert ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de last buitenproportioneel is. Dat de termijn van drie jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan pas net was verlopen toen de last werd opgelegd, maakt niet dat handhavend optreden reeds daarom onevenredig is. Die drie jaar was de maximale termijn en [appellante sub 1] heeft er zelf voor gekozen om niet eerder te beginnen met de aanleg van de houtsingel. Zij heeft verder niet onderbouwd waarom Covid-19 in de weg stond aan de aanleg van de houtsingel. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat het college eerst met [appellante sub 1] in overleg had moeten treden.
Het betoog van [appellante sub 1] slaagt niet.
Nieuwe geluidsbronnen (Last 4)
18. [appellante sub 1] betoogt dat het college haar in last 4 ten onrechte heeft gelast om de geluidsproductie in overeenstemming te brengen met wat vergund is. Weliswaar heeft zij nieuwe geluidsbronnen in gebruik genomen die niet zijn opgenomen in haar aanvraag van 30 januari 2018 en in de ontwerp-omgevingsvergunning van 30 oktober 2019, maar desondanks bestaat volgens haar voor die geluidsbronnen concreet zicht op legalisatie. Daartoe voert zij aan dat het akoestisch onderzoek dat ten behoeve van de aanvraag is opgesteld, inmiddels is aangepast en naar verwachting op korte termijn door de omgevingsdienst zal worden goedgekeurd.
18.1. Niet in geschil is dat de geluidsproductie van de inrichting niet in overeenstemming is met de daarvoor geldende omgevingsvergunningen, zodat het college bevoegd was om daartegen handhavend op te treden. Ten tijde van het nemen van het besluit van 4 mei 2022 was er geen ontvankelijke aanvraag ontvangen door het college waarin de nieuwe geluidsbronnen waren opgenomen. Op dat moment bestond er daarom geen concreet zicht op legalisatie. Wat [appellante sub 1] heeft aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college haar op dat moment niet mocht gelasten om de geluidsproductie in overeenstemming te brengen met de geldende omgevingsvergunningen.
Het betoog van [appellante sub 1] slaagt niet.
Werktijden (Last 5)
19. [appellante sub 1] betoogt dat het college haar in last 5 ten onrechte heeft gelast om zich te houden aan de vergunde werktijden. Zij betwist dat zij op grond van de geldende omgevingsvergunningen alleen van maandag tot en met vrijdag, van 07:00 tot 16:00 uur, haar bedrijfsactiviteiten mag uitoefenen. Volgens haar is nooit sprake geweest van deze werktijden en zij stelt dat de vergunde werktijden van maandag tot en met vrijdag zijn, van 07:00 tot 19:00 uur, zoals opgenomen in het akoestisch rapport van Tauw dat onderdeel uitmaakt van de revisievergunning van 8 oktober 2002.
[appellante sub 1] voert daarnaast aan dat het college zijn standpunt dat is geconstateerd dat de bedrijfswerkzaamheden op 9 februari 2022 voor 05:00 uur zijn gestart, zodat ook in strijd met de ontwerp-omgevingsvergunning van 30 oktober 2019 is gehandeld, niet heeft onderbouwd met een controlerapport. Bovendien blijkt volgens haar uit gegevens van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, die zij heeft overlegd, dat de werkzaamheden op die datum niet vóór 05:00 uur zijn begonnen. Zij stelt verder dat het besluit op dit punt niet getuigt van een zorgvuldige belangenafweging. Volgens haar is de last buitenproportioneel, omdat uitvoering van de last grote gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering en leidt tot ernstige schade. Ook stelt zij dat het welzijn van de eenden in gevaar komt als alleen geslacht kan worden op de werktijden uit de geldende omgevingsvergunningen. Bovendien is zij nooit gewaarschuwd.
19.1. Partijen zijn het erover eens dat [appellante sub 1] op grond van de geldende omgevingsvergunningen van maandag tot en met vrijdag vanaf 07:00 uur bedrijfsactiviteiten mag uitoefenen. Op de zitting heeft [appellante sub 1] toegelicht dat het slachten zelf begint om 07:00 uur. Niet in geschil is echter dat er voor die tijd al bedrijfsactiviteiten, niet zijnde het slachten, plaatsvinden. In de inrichting vinden dus werkzaamheden plaats buiten de vergunde werktijden. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden.
19.2. De werktijden die zijn opgenomen in de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd, zijn van maandag tot en met vrijdag van 05:00 tot 22:00 uur en op zaterdag van 05:00 tot 13:00 uur. Tussen het college en [appellante sub 1] is niet in geschil dat hierdoor in ieder geval voor een deel van de activiteiten concreet zicht op legalisatie bestaat.
19.3. Zoals hiervoor onder 8.2 uiteen is gezet, kan het bestaan van concreet zicht op legalisatie een reden zijn om van handhavend optreden af te zien. Zoals de Afdeling heeft overwogen onder 10.2 van haar uitspraak van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:800, is het bevoegd gezag bij concreet zicht op legalisatie niet zonder meer verplicht om af te zien van handhavend optreden. In dat geval zal het bevoegd gezag nog steeds een afweging moeten maken tussen alle betrokken belangen, waarbij het bevoegd gezag rekening zal moeten houden met de omstandigheden van het concrete geval.
19.4. Het college heeft in het besluit van 4 mei 2022 aan de hand van een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel beoordeeld of het van handhaving moet afzien of niet. Volgens het college is de last geschikt om aan de overtredingen en daarmee de overlast voor omwonenden een einde te maken en kan gezien de aard en omvang van de overtredingen en de lange voorgeschiedenis niet worden volstaan met een lichtere maatregel, zoals een waarschuwing. Ondanks het gedeeltelijke zicht op legalisatie van de werktijden en verkeersbewegingen, heeft het college besloten handhavend op te treden. Enerzijds omdat er geen concreet zicht op volledige legalisatie bestaat. Anderzijds omdat ook bij concreet zicht op legalisatie handhavend mag worden opgetreden. In algemene zin heeft het college over de evenwichtigheid opgemerkt dat het traject om tot legalisatie van de geconstateerde overtredingen over te gaan al geruime tijd loopt en dat [appellante sub 1] al die tijd de activiteiten heeft voortgezet met de wetenschap dat daarvoor de vereiste vergunning ontbrak en deels ook zonder dat deze gedekt waren door de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd. In die tijd is het college regelmatig geconfronteerd met wijzigingen in de bedrijfsvoering die afwijken van de ingediende vergunningaanvraag ter legalisatie. Het college wijst erop dat [appellante sub 1] zelf de keuze heeft gemaakt om deze wijzigingen in de bedrijfsvoering te realiseren, zonder hiervoor eerst de benodigde onderzoeken uit te voeren en voor deze wijzigingen de benodigde omgevingsvergunning aan te vragen. Ten aanzien van de werktijden en verkeersbewegingen merkt het college op dat de belangen van [appellant sub 2] en andere omwonenden bij beëindiging van de overtredingen zwaarder wegen dan de belangen van [appellante sub 1] bij het mogen voortzetten daarvan. Daarvoor is voor het college bepalend dat juist deze overtredingen voor overlast zorgen.
19.5. De Afdeling is evenals de voorzieningenrechter in de uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1680, onder 8.4, van oordeel dat het college op basis van deze verrichte belangenafweging heeft kunnen besluiten om last 5 op te leggen. De vraag of het college toereikend heeft gemotiveerd dat [appellante sub 1] zich niet heeft gehouden aan de werktijden in de ontwerp-omgevingsvergunning van 30 oktober 2019, kan daarbij in het midden blijven. Het college was namelijk ook in het geval dat concreet zicht op legalisatie bestond, niet zonder meer verplicht om af te zien van handhavend optreden. Het college heeft uitdrukkelijk stilgestaan bij de verschillende belangen en heeft aan de hand van het evenredigheidsbeginsel beoordeeld of het van handhavend optreden moest afzien. Het college mocht daarbij doorslaggevend gewicht toekennen aan het belang van omwonenden bij beëindiging van de overtredingen, omdat zij als gevolg van de illegale activiteiten al jaren overlast ervaren. In het bijzonder heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat [appellante sub 1] er zelf voor heeft gekozen om zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning haar bedrijfsactiviteiten uit te breiden en dat zij daarvan ook jarenlang heeft geprofiteerd. Daarbij komt dat [appellante sub 1] de overtreding van de vergunde werktijden en verkeersbewegingen onverminderd heeft voortgezet, terwijl zij er na de eerste, maar zeker na de tweede uitspraak van de rechtbank rekening mee had moeten houden dat de handhavingsprocedure mogelijk niet in haar voordeel zou uitvallen. De Afdeling ziet daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college haar eerst had moeten waarschuwen. Tot slot heeft [appellante sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat het welzijn van de eenden in gevaar komt als alleen geslacht kan worden tijdens de vergunde werktijden.
Het betoog van [appellante sub 1] slaagt niet.
Verkeersbewegingen (Last 6)
20. [appellante sub 1] betoogt dat het college haar in last 6 ten onrechte heeft gelast om zich te houden aan het vergunde aantal verkeersbewegingen. Zij voert aan dat het college zijn standpunt, dat is geconstateerd dat in de nachtperiode elf vrachtwagenbewegingen hebben plaatsgevonden, zodat in strijd met de geldende omgevingsvergunningen en de ontwerp-omgevingsvergunning van 30 oktober 2019 wordt gehandeld, niet heeft onderbouwd met een controlerapport. Omdat het aantal vrachtwagenbewegingen dat plaatsvindt, in overeenstemming is met de ontwerp-omgevingsvergunning van 30 oktober 2019, bestaat er volgens haar concreet zicht op legalisatie hiervan. Zij stelt dat het opleggen van een last onder deze omstandigheden buitenproportioneel was.
[appellante sub 1] betoogt verder dat last 6 om zich te houden aan het vergunde aantal verkeersbewegingen niet in stand kan blijven omdat die last onvoldoende duidelijk is. Daartoe voert zij aan dat in het besluit van 4 mei 2022 onjuist wordt vermeld dat op grond van de geldende omgevingsvergunningen in de nachtperiode maximaal twee vrachtwagenbewegingen zijn toegestaan. Volgens [appellante sub 1] zijn op grond van de geldende omgevingsvergunningen namelijk vier vrachtwagenbewegingen toegestaan.
20.1. Tussen partijen is niet in geschil dat er in de nachtperiode van 23:00 tot 07:00 uur meer dan vier vrachtwagenbewegingen plaatsvinden. Er vinden dus meer vrachtwagenbewegingen plaats dan is vergund. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden.
20.2. In de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd, is opgenomen dat maximaal vijf vrachtwagenbewegingen zijn toegestaan in de nachtperiode van 23:00 tot 07:00 uur. Daarbij is tevens opgenomen dat in de nachtperiode alleen stillere vrachtwagens, met een bronniveau van maximaal 101 dB(A), gebruikt mogen worden. Tussen het college en [appellante sub 1] is niet in geschil dat hierdoor in ieder geval voor een deel van de activiteiten concreet zicht op legalisatie bestaat.
20.3. Zoals hiervoor onder 19.3 is overwogen, is het college niet zonder meer verplicht om af te zien van handhavend optreden als concreet zicht op legalisatie bestaat.
Ook voor de verkeersbewegingen heeft het college in het besluit van 4 mei 2022 aan de hand van een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel beoordeeld of het van handhaving af moet zien of niet. Het college heeft ondanks het gedeeltelijke zicht op legalisatie van de verkeersbewegingen besloten om handhavend op te treden. Daaraan heeft het college dezelfde afweging ten grondslag gelegd als hiervoor is weergeven onder 19.4.
20.4. De Afdeling is evenals de voorzieningenrechter in de uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1680, onder 8.4, van oordeel dat het college op basis van deze verrichte belangenafweging heeft kunnen besluiten om last 6 op te leggen. De vraag of het college toereikend heeft gemotiveerd dat [appellante sub 1] zich niet heeft gehouden aan het aantal verkeersbewegingen in de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd, kan hierbij in het midden blijven. De Afdeling verwijst ter onderbouwing van dit oordeel naar wat hiervoor is overwogen onder 19.5. Er bestaat daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat last 6 buitenproportioneel was.
Het betoog van [appellante sub 1] slaagt in zoverre niet.
20.5. De Afdeling ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat last 6 niet in stand kan blijven omdat die last onvoldoende duidelijk is. In het besluit van 4 mei 2022 wordt [appellante sub 1] gelast om het aantal verkeersbewegingen in de geldende omgevingsvergunningen na te leven, en in dat besluit staat duidelijk vermeld dat dit concreet betekent dat in de nachtperiode van 23:00 tot 07:00 uur twee vrachtwagens van en naar de inrichting mogen bewegen. Dat zijn dus vier vrachtwagenbewegingen.
Het betoogt van [appellante sub 1] slaagt ook in zoverre niet.
Aantal te slachten eenden
21. [appellant sub 2] betoogt dat er dagelijks meer eenden worden geslacht dan vergund is en dat het college daartegen ten onrechte niet handhavend optreedt. Volgens haar gaat het college er ten onrechte vanuit dat op grond van de geldende omgevingsvergunningen 31.500 eenden per etmaal mogen worden geslacht, terwijl uit een door haar overgelegde berekening - die is gebaseerd op het aantal vergunde vrachtwagenbewegingen - volgt dat dit er maar 20.000 per etmaal mogen zijn. Bovendien bestaat er volgens haar geen concreet zicht op legalisatie van het aantal te slachten eenden, omdat de aanvraag inmiddels 4,5 jaar geleden is ingediend en nog altijd geen omgevingsvergunning is verleend en zij nog altijd veel overlast ervaart in de vorm van geurhinder.
21.1. Volgens [appellante sub 1] is in de geldende omgevingsvergunningen geen maximum aantal te slachten eenden opgenomen.
21.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de slachttijden die zijn vergund van maandag tot en met vrijdag van 07:00 tot 16:00 uur zijn. Dit betekent dat er 9 uur op elke weekdag mag worden geslacht. Op grond van de geldende omgevingsvergunningen mogen per uur 3.500 eenden worden geslacht. Het college is er dan ook terecht vanuit gegaan dat in totaal 31.500 eenden per weekdag mogen worden geslacht. De stelling van [appellant sub 2] dat, rekening houdend met het aantal vergunde vrachtwagenbewegingen, maximaal 20.000 eenden per weekdag kunnen worden aangevoerd naar de slachterij, maakt dat niet anders. Daargelaten of die berekening juist is, doet die er niet aan af dat op grond van de geldende omgevingsvergunningen 31.500 eenden per weekdag mogen worden geslacht.
21.3. Tussen partijen is verder niet in geschil dat er meer eenden op een weekdag worden geslacht dan het aantal van 31.500. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden.
21.4. De Afdeling is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat concreet zicht op legalisatie bestaat en dat het daarom van handhavend optreden mocht afzien. Daarbij betrekt de Afdeling dat tussen partijen niet in geschil is dat het aantal eenden dat wordt geslacht gedekt wordt door de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd. Het college mocht daarnaast in zijn afweging betrekken dat het aantal te slachten eenden feitelijk gezien al beperkt wordt door de oplegging van last 5 en 6, waardoor de geuroverlast die [appellant sub 2] ervaart van de uitbreiding van de eendenslachterij reeds wordt beperkt. Onder die omstandigheden ziet de Afdeling in wat [appellant sub 2] aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van handhaving had mogen afzien.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet.
Lengte begunstigingstermijn lasten 1, 2 en 3
22. [appellant sub 2] betoogt dat de begunstigingstermijnen van zes maanden voor de lasten 1, 2 en 3 te lang zijn, omdat de overtredingen eenvoudig te beëindigen zijn. Volgens haar mocht het college geen betekenis toekennen aan de gevolgen van de opgelegde lasten voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 1]. Bovendien had het college de belangen van [appellante sub 1] niet zwaarder mogen laten wegen dan haar belangen. De overtredingen hebben namelijk al een lange periode kunnen voortduren en [appellant sub 2] ondervindt daar veel overlast van. Bovendien heeft [appellante sub 1] destijds in 2016 zelf de keuze gemaakt om haar bedrijfsvoering uit te breiden zonder dat zij over de vereiste omgevingsvergunningen beschikte.
22.1. Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn komt aan het college enige vrijheid toe. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:210, geldt bij de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. De begunstigingstermijn dient ertoe de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
22.2. De Afdeling acht de gekozen begunstigingstermijn van zes maanden niet dusdanig lang dat het college daarvoor niet heeft mogen kiezen. Bij dit oordeel neemt de Afdeling in aanmerking dat in het besluit van 4 mei 2022 is toegelicht dat [appellante sub 1] maatregelen moet treffen om aan de lasten te kunnen voldoen. Over de aanplant van de houtsingel, last 3, is specifiek opgemerkt dat de weersomstandigheden en het plantseizoen meespelen. Deze omstandigheden mocht het college betrekken bij zijn beslissing om een begunstigingstermijn van zes maanden te geven.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet.
Proceskostenveroordeling in bezwaar
23. [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte de door haar in bezwaar gemaakte kosten niet heeft vergoed.
23.1. Niet is gebleken dat [appellant sub 2] een verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten heeft gedaan voordat het college op het bezwaar heeft beslist. Dit is op grond van artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb wel vereist. Het college hoefde aan [appellant sub 2] daarom geen vergoeding toe te kennen van de door haar in bezwaar gemaakte kosten.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet.
Conclusie besluit van 4 mei 2022
24. Het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 4 mei 2022 is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 4 mei 2022 is gelet op wat onder 16.2 is overwogen gegrond.
Het besluit van 1 november 2022
25. [appellante sub 1] heeft op 1 en 9 september 2022 twee aanvragen gedaan voor tijdelijke omgevingsvergunningen om de overtredingen, waarvoor de lasten 1, 2 en 3 zijn opgelegd, tijdelijk te legaliseren.
Bij besluit van 1 november 2022 heeft het college de begunstigingstermijnen voor de lasten 1, 2 en 3 verlengd tot zes weken na de beslissing op de aanvragen van [appellante sub 1] van 1 en 9 september 2022, met de motivering dat door deze aanvragen concreet zicht op legalisatie is ontstaan voor de lasten 1 en 2. Gelet op de samenhang met last 3 heeft het college ook voor die last de begunstigingstermijn verlengd.
Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
25.1. [appellant sub 2] betoogt dat het college de begunstigingstermijnen van de lasten 1, 2 en 3 niet had mogen verlengen, omdat volgens haar geen concreet zicht op legalisatie bestond.
25.2. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college niet mocht besluiten om op dat moment de begunstigingstermijnen van de lasten 1, 2 en 3 te verlengen. Daarbij betrekt de Afdeling dat er twee aanvragen voor een omgevingsvergunning lagen, namelijk die van 1 en 9 september 2022, en dat de besluitvorming over de verlening van de omgevingsvergunningen in een vergevorderd stadium was.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet.
26. Het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 1 november 2022 is ongegrond.
Het invorderingsbesluit van 12 april 2023
27. Bij besluit van 12 april 2023 heeft het college bij [appellante sub 1] € 30.000,00 aan dwangsommen ingevorderd wegens het niet voldoen aan de bij het besluit van 4 mei 2022 opgelegde lasten 5 en 6.
Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het hoger beroep van [appellante sub 1] mede betrekking op dit besluit.
28. [appellante sub 1] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.
29. [appellante sub 1] betoogt dat het college niet tot invordering mocht overgaan van de dwangsommen die zouden zijn verbeurd wegens het niet voldoen aan last 5 over de werktijden. Daartoe voert zij aan dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het hitteprotocol dat op 22 augustus 2022 in werking was.
29.1. In het controlerapport van 7 september 2022 staat dat op het moment van de constateringen het hitteprotocol niet van toepassing was. Wat [appellante sub 1] aanvoert geeft daarom geen grond voor het oordeel dat het college niet tot invordering mocht overgaan van de dwangsommen die zijn verbeurd wegens het niet voldoen aan last 5 over de werktijden.
Het betoog van [appellante sub 1] slaagt niet.
30. [appellante sub 1] betoogt dat zij niet heeft gehandeld in strijd met last 6 over het vergunde aantal verkeersbewegingen. Zij wijst erop dat in het besluit van 4 mei 2022 staat: "Tot slot mogen er 20 vrachtwagens van- en naar de inrichting bewegen waarvan 16 tussen 07.00 en 19.00 uur, 2 tussen 19.00 en 23.00 uur en 2 tussen 23.00 en 7.00 uur." Volgens haar volgt hieruit dat er in de nachtperiode twee vrachtwagens naar de inrichting mogen rijden en ook weer terug, zodat er in totaal vier vrachtwagenbewegingen zijn toegestaan.
30.1. Zoals hiervoor onder 20.5 is overwogen, is [appellante sub 1] in last 6 gelast om zich te houden aan het vergunde aantal verkeersbewegingen, wat concreet betekent dat in de nachtperiode van 23:00 tot 07:00 uur twee vrachtwagens van en naar de inrichting mogen bewegen. In totaal zijn in de nachtperiode dus maximaal vier vrachtwagenbewegingen toegestaan. In het controlerapport van 7 september 2022 staat dat geconstateerd is dat in de nachtperiode vier vrachtwagenbewegingen hebben plaatsgevonden. [appellante sub 1] heeft dus niet gehandeld in strijd met de last. Gelet hierop heeft [appellante sub 1] geen dwangsommen verbeurd voor het niet voldoen aan last 6. Het college was daarom niet bevoegd om tot invordering over te gaan.
Het betoog van [appellante sub 1] slaagt.
31. Het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 12 april 2023 is gegrond.
Het besluit van 19 december 2023
32. Bij besluit van 19 december 2023 heeft het college de bij het besluit van 4 mei 2022 opgelegde lasten 1, 2 en 3 ingetrokken en aan [appellante sub 1] drie nieuwe, grotendeels gelijkluidende lasten opgelegd.
Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
33. Zoals hiervoor onder 25 is opgenomen, heeft [appellante sub 1] op 1 en 9 september 2022 twee aanvragen gedaan voor tijdelijke omgevingsvergunningen om de overtredingen waarvoor bij besluit van 4 mei 2022 de lasten 1, 2 en 3 zijn opgelegd, tijdelijk te legaliseren. Bij besluit van 29 november 2022 heeft het college besloten op die aanvragen en aan [appellante sub 1] twee tijdelijke omgevingsvergunningen verleend waarmee de overtredingen waarvoor bij besluit van 4 mei 2022 de lasten 1, 2 en 3 zijn opgelegd, tijdelijk werden gelegaliseerd. Deze tijdelijke omgevingsvergunningen zijn uiteindelijk na heroverweging in bezwaar op 19 december 2023 herroepen en alsnog geweigerd.
Op 14 november 2023 is een intentie-overeenkomst gesloten tussen de gemeente Ermelo en [appellante sub 1]. Daarin zijn afspraken gemaakt tussen deze partijen. Afgesproken is dat het college een inspanningsverplichting heeft om de bestaande bedrijfssituatie in overeenstemming te brengen met de planologische situatie door de benodigde omgevingsvergunningen te verlenen. [appellante sub 1] moet hiertoe uiterlijk 1 maart 2024 een volledige en ontvankelijke aanvraag indienen. In de intentieovereenkomst is verder opgenomen dat als de raad positief staat tegenover de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de transport- en opslagactiviteiten op de percelen [locatie 2] en [locatie 3], het college dan op dit punt geen aanleiding ziet tot voortzetting van het ingezette handhavingstraject, mits [appellante sub 1] ook een daartoe strekkende aanvraag ter legalisatie van opslag en transport heeft ingediend.
34. In het besluit van 19 december 2023 is gemotiveerd dat de bij het besluit van 4 mei 2022 opgelegde lasten 1, 2 en 3 zijn ingetrokken ter uitvoering van de intentieovereenkomst en om te voorkomen dat [appellante sub 1] direct van rechtswege dwangsommen zou verbeuren op het moment dat de twee tijdelijke omgevingsvergunningen van 29 november 2022 na heroverweging in bezwaar werden herroepen en alsnog werden geweigerd. Omdat [appellante sub 1] ten tijde van het nemen van het besluit van 19 december 2023 nog geen nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning ter legalisatie van het gebruik van de percelen [locatie 2] en [locatie 3] in strijd met het bestemmingsplan "De Driehoek 2016" had ingediend, heeft het college aan haar drie nieuwe lasten onder dwangsom opgelegd.
35. [appellant sub 2] en [appellante sub 1] hebben beiden gronden aangevoerd tegen het besluit van 19 december 2023.
Inbrengen eerdere gronden
36. [appellant sub 2] en [appellante sub 1] voeren hetzelfde aan als in hun beroepen tegen het besluit van 4 mei 2022. Zoals hiervoor is besproken, slagen al hun beroepsgronden niet. Alleen de beroepsgrond van [appellant sub 2] tegen het besluit van 4 mei 2022 onder 16 slaagt. Daartoe is onder 16.2 overwogen dat het college zich in het besluit van 4 mei 2022 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de luchtwasser, de schoorsteen, de verenplaats, en de bloed- en sliptank wordt gedekt door de ontwerp-omgevingsvergunning die op 30 oktober 2019 ter inzage is gelegd. Voor dat gebruik bestond dus geen concreet zicht op legalisatie. In het besluit van 19 december 2023 geldt last 1 om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik te beëindigen ook voor het gebruik van de luchtwasser, de schoorsteen, de verenplaats, en de bloed- en sliptank. Het betoog van [appellant sub 2] slaagt daarom niet.
Verlenging begunstigingstermijnen lasten 1, 2 en 3
37. Het college heeft in feite met het besluit van 19 december 2023 bewerkstelligd dat de begunstigingstermijnen van de bij besluit van 4 mei 2022 opgelegde lasten 1, 2 en 3 worden verlengd. [appellant sub 2] is het niet eens met een verdere verlenging van de begunstigingstermijnen en zij betoogt dat het college handhavend optreden niet langer heeft mogen uitstellen. Daartoe voert zij allereerst aan dat de belangenafweging die het college aan het besluit van 19 december 2023 ten grondslag heeft gelegd niet zorgvuldig is geweest en zij vindt dat het college het belang van [appellante sub 1] niet langer mocht laten prevaleren. Bovendien mocht het college de intentieovereenkomst niet betrekken in die afweging, omdat derden-belanghebbenden niet zijn betrokken bij de totstandkoming daarvan. Onder verwijzing naar overweging 5 van de uitspraak van de rechtbank voert zij verder aan dat het college handhavend optreden niet langer mocht uitstellen, omdat dit onevenredig is naar omwonenden. [appellant sub 2] betoogt ten slotte dat een verlenging van de begunstigingstermijnen met zes maanden te lang is. Zij voert hierover hetzelfde aan als in haar beroep tegen het besluit van 4 mei 2022, zoals hiervoor onder 22 is besproken.
37.1. Toen het besluit van 19 december 2023 werd genomen, was naar het oordeel van de Afdeling sprake van een nieuwe situatie. Op dat moment beschikte [appellante sub 1] immers al ruim een jaar over de tijdelijke omgevingsvergunningen van 29 november 2022 waarmee het planologisch strijdige gebruik was gelegaliseerd en van haar kon in die periode daarom niet worden verwacht dat zij haar bedrijfsvoering anders zou inrichten. Op de zitting heeft het college toegelicht dat op 19 december 2023 de tijdelijke omgevingsvergunningen na heroverweging in bezwaar zijn herroepen en alsnog zijn geweigerd. Op dat moment waren de begunstigingstermijnen van de bij besluit van 4 mei 2022 opgelegde lasten 1, 2 en 3 al verlopen, waardoor [appellante sub 1] direct dwangsommen zou verbeuren. Het verlengen van de begunstigingstermijnen was toen niet meer mogelijk en het college heeft daarom op 19 december 2023 tegelijkertijd met het herroepen en weigeren van de tijdelijke omgevingsvergunningen besloten om de lasten 1, 2 en 3 in te trekken en aan [appellante sub 1] drie nieuwe lasten met nieuwe begunstigingstermijnen op te leggen. De Afdeling is van oordeel dat het college onder bovengenoemde omstandigheden mocht besluiten om nieuwe begunstigingstermijnen te geven. Ook ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college daarbij niet heeft mogen kiezen voor een lengte van zes maanden. De Afdeling benadrukt nogmaals dat er een nieuwe situatie was en verwijst verder naar wat hiervoor is overwogen onder 22.2.
Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet.
Houtsingel (Last 3)
38. In last 3 wordt [appellante sub 1] gelast om een houtsingel aan te leggen en in stand te houden, die voldoet aan de eisen uit het beeldkwaliteitsplan behorende bij het bestemmingsplan "De Driehoek 2016", op het gedeelte van het perceel [locatie 3] dat de bestemming 'Groen' heeft. In het besluit van 19 december 2023 staat dat deze last niet ziet op het smalle strookje groen dat tussen de percelen [locatie 2] en [locatie 3] ligt.
[appellant sub 2] betoogt tevergeefs dat het college ten onrechte heeft afgezien van handhavend optreden tegen het niet aanleggen van een houtsingel op het stukje grond dat tussen de percelen ligt. Het college mocht van handhaving afzien, omdat het gaat om een heel klein stukje grond dat gelegen is tussen twee bedrijfsgebouwen, [appellant sub 2] daar geen zicht op had, en de aanleg van een houtsingel daar geen bijdrage levert aan de landschappelijke inpassing waarvoor de voorwaardelijke verplichting is bedoeld, terwijl de aanleg van de houtsingel wel geld kost. Onder deze omstandigheden heeft het college handhavend optreden onevenredig kunnen achten.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie besluit van 19 december 2023
39. De beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 1] tegen het besluit van 19 december 2023 zijn ongegrond.
Het besluit van 13 juni 2024
40. Bij besluit van 13 juni 2024 heeft het college de begunstigingstermijn van de bij besluit van 19 december 2023 opgelegde lasten 1, 2 en 3 verlengd tot 19 december 2024.
Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
41. [appellant sub 2] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.
42. [appellant sub 2] betoogt dat het college de begunstigingstermijn van de lasten 1, 2 en 3 niet had mogen verlengen. Daartoe voert zij aan dat de argumenten die het college aan het besluit van 13 juni 2024 ten grondslag heeft gelegd geen rol hadden mogen spelen gelet op de vaste jurisprudentielijn van de Afdeling over de lengte van de begunstigingstermijn. Hieruit volgt volgens haar dat het bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn uitsluitend gaat om de vraag of deze lang genoeg is om de last te kunnen uitvoeren, en zij stelt zich op het standpunt dat de overtredingen eenvoudig te beëindigen zijn. Het college heeft ook niet gemotiveerd dat er redenen zijn om aan te nemen dat [appellante sub 1] niet binnen zes maanden na het besluit van 19 december 2023 aan de last kon voldoen. [appellant sub 2] voert verder aan dat het college, door zijn besluit mede te baseren op de intentieovereenkomst, derden-belanghebbenden buiten spel heeft gezet. Verder is volgens haar niet gebleken dat [appellante sub 1] inspanningen heeft getoond om haar bedrijfsvoering aan te passen om aan de lasten te kunnen voldoen en is ook niet aangetoond dat de continuïteit van het bedrijf in geding is. Ook heeft het college volgens [appellant sub 2] haar belangen niet voldoende meegewogen. Vanwege de jarenlange overlast had de belangenafweging in haar voordeel moeten uitvallen.
42.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college niet mogen besluiten om de begunstigingstermijn van de lasten 1, 2 en 3 te verlengen.
Zoals hiervoor is overwogen onder 22.1 is de begunstigingstermijn bedoeld om de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Door het college zijn geen argumenten aangedragen waarom ondanks de eerder gegeven termijn in het besluit van 19 december 2023 van zes maanden het voor [appellante sub 1] niet mogelijk was om binnen die termijn aan de overtredingen een einde te maken. De omstandigheid dat er toen het besluit van 13 juni 2024 werd genomen een aanvraag lag van [appellante sub 1] voor een omgevingsvergunning ter legalisatie van de transport- en opslagactiviteiten op de percelen [locatie 2] en [locatie 3] en voor het wijzigen van de inrichting ter legalisatie van de gehele bedrijfsvoering, maakt dit oordeel niet anders, alleen al omdat al vóór 13 juni 2024 duidelijk was dat die aanvraag onvolledig was.
Het betoog slaagt.
43. Het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 13 juni 2024 is gegrond.
Het invorderingsbesluit van 7 november 2024
44. Bij het besluit van 7 november 2024 heeft het college nog eens € 20.000,00 ingevorderd wegens het niet voldoen aan last 6 over de verkeersbewegingen welke last aan [appellante sub 1] is opgelegd bij besluit van 4 mei 2022.
Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het hoger beroep van [appellante sub 1] mede betrekking op dit besluit.
45. [appellante sub 1] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.
46. [appellante sub 1] betoogt dat zij last 6 niet heeft overtreden. Zij voert hierover hetzelfde aan als in haar beroep tegen het besluit van 12 april 2023, zoals hiervoor onder 30 is besproken.
46.1. Zoals hiervoor onder 20.5 en 30.1 is overwogen, is [appellante sub 1] in last 6 gelast om zich te houden aan het vergunde aantal verkeersbewegingen, wat concreet betekent dat in de nachtperiode van 23:00 tot 07:00 uur twee vrachtwagens van en naar de inrichting mogen bewegen. In totaal zijn in de nachtperiode dus maximaal vier vrachtwagenbewegingen toegestaan. In het controlerapport van 22 maart 2024 van de Omgevingsdienst Veluwe staat op pagina 3 een tabel met de aan- en afvoerbewegingen die door de toezichthouder geconstateerd zijn. Op 2, 3 en 5 januari 2024 en op 6 en 11 februari 2024 heeft de toezichthouder geconstateerd dat in de nachtperiode van 23:00 tot 07:00 uur meer dan vier aan- en afvoerbewegingen hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat [appellante sub 1] op vijf dagen niet heeft voldaan aan last 6. Het college was daarom bevoegd om over te gaan tot invordering van € 20.000,00 aan verbeurde dwangsommen.
Het betoog van [appellante sub 1] slaagt niet.
47. Het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 7 november 2024 is ongegrond.
Het besluit van 5 december 2024
48. Bij besluit van 5 december 2024 heeft het college het verzoek van [appellante sub 1] om de begunstigingstermijnen van de lasten 1, 2 en 3 nogmaals te verlengen, afgewezen.
Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
49. [appellante sub 1] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.
50. [appellante sub 1] betoogt dat het college haar verzoek om verlenging in redelijkheid niet mocht afwijzen. Daartoe voert zij aan dat het college ineens een ander standpunt inneemt dan bij het besluit van 13 juni 2024 terwijl de bestaande situatie niet is veranderd. Bij dat besluit kende het college nog doorslaggevend gewicht toe aan een goede uitvoering van de intentieovereenkomst en viel de belangenafweging in haar voordeel uit. [appellante sub 1] vindt dat zij er daarom op mocht vertrouwen dat het college de gemaakte afspraken in de intentieovereenkomst zou nakomen door niet over te gaan tot handhaving en dat het de begunstigingstermijnen van de lasten 1, 2 en 3 opnieuw zou verlengen. Ten aanzien van de verrichte belangenafweging tekent [appellante sub 1] nog aan dat [appellant sub 2] ten tijde van het nemen van het besluit verhuisd was en dat meerdere omwonenden hebben aangegeven geen overlast te ervaren van haar bedrijfsactiviteiten.
50.1. Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college besluiten om de begunstigingstermijn voor de lasten 1, 2 en 3 niet te verlengen. De eerder gegeven termijn in het besluit van 19 december 2023 van zes maanden was met het besluit van 13 juni 2024 met nog eens zes maanden verlengd, waardoor [appellante sub 1] een jaar de tijd had om de overtredingen te beëindigen. Door haar zijn geen argumenten aangevoerd waarom het desondanks niet mogelijk was om binnen die termijn een einde te maken aan de overtredingen. Wat betreft het door [appellante sub 1] gestelde vertrouwen overweegt de Afdeling nog het volgende. Het college heeft op de zitting overtuigend toegelicht dat ten tijde van het besluit van 5 december 2024 door [appellante sub 1] nog steeds geen volledige aanvraag was ingediend, zoals wel was afgesproken in de intentieovereenkomst. [appellante sub 1] was er namelijk op dat moment nog steeds niet in geslaagd te onderbouwen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat de overtredingen waarvoor de lasten 1, 2 en 3 zijn opgelegd gelegaliseerd kunnen worden. Dit is de reden geweest voor het college om de raad op 19 november 2024 te verzoeken om geen verklaring van geen bedenkingen af te geven voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Onder deze omstandigheden mocht [appellante sub 1] er niet op vertrouwen dat het college vanwege de gesloten intentieovereenkomst de begunstigingstermijn van de lasten 1, 2 en 3 opnieuw zou verlengen.
Het betoog van [appellante sub 1] slaagt niet.
51. Het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 5 december 2024 is ongegrond.
Conclusie en slotoverweging
52. De hoger beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 1] zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
53. Het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 4 mei 2022 is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 4 mei 2022 is gelet op wat onder 16.2 is overwogen gegrond. Dit besluit moet daarom worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het gebruik van de luchtwasser, de schoorsteen, de verenplaats en bloed- en sliptank ten behoeve van een eendenslachterij. Dit leidt er echter niet tot dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant sub 2] moet nemen. Bij het besluit van 19 december 2023 heeft het college namelijk alsnog handhavend opgetreden tegen het gebruik van de luchtwasser, de schoorsteen, de verenplaats en bloed- en sliptank ten behoeve van een eendenslachterij. Omdat de beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 1] tegen het besluit van 19 december 2023 ongegrond zijn, blijft dat besluit in stand.
54. Het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 1 november 2022 is ongegrond.
55. Het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 12 april 2023 is gelet op wat is overwogen onder 30.1 gegrond. Dit besluit moet daarom worden vernietigd voor zover het college daarin is overgegaan tot invordering van € 5.000,00 aan dwangsommen bij [appellante sub 1] voor het niet voldoen aan de bij besluit van 4 mei 2022 opgelegde last 6 over de verkeersbewegingen.
56. De beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 1] tegen het besluit van 19 december 2023 zijn ongegrond.
57. Het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 13 juni 2024 is gelet op wat is overwogen onder 42.1 gegrond. Dit besluit moet daarom worden vernietigd.
58. Het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 7 november 2024 is ongegrond.
59. Het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 5 december 2024 is ongegrond.
60. Door deze uitspraak vervalt de door de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:307, getroffen voorlopige voorziening. Dit betekent dat [appellante sub 1] als gevolg van de vernietiging van het besluit van 13 juni 2024 onmiddellijk dwangsommen zou verbeuren. Ter voorkoming van dit gevolg zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening de in het besluit van 19 december 2023 opgelegde lasten 1, 2 en 3 met terugwerkende kracht schorsen tot acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak. Dit betekent dat [appellante sub 1] tot acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak de tijd heeft om aan de bij besluit van 19 december 2023 opgelegde lasten 1, 2 en 3 te voldoen en dat zij, als zij dat niet binnen die acht weken doet, dwangsommen verbeurt. Het betekent ook dat daarvoor geen dwangsommen zijn verbeurd voor zover het de lasten 1, 2 en 3 betreft.
61. Het college moet de bij [appellant sub 2] in verband met haar beroepen tegen de besluiten van 4 mei 2022 en 13 juni 2024 opgekomen proceskosten vergoeden.
Het college moet de bij [appellante sub 1] in verband met haar beroep tegen het besluit van 12 april 2023 opgekomen proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ermelo van 4 mei 2022, met referentienummers 02330000120409 en 02330000121905, ongegrond;
III. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ermelo van 4 mei 2022, met referentienummers 02330000120409 en 02330000121905, gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 4 mei 2022, met referentienummers 02330000120409 en 02330000121905, voor zover dat betrekking heeft op het gebruik van de luchtwasser, de schoorsteen, de verenplaats en de bloed- en sliptank ten behoeve van de eendenslachterij;
V. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ermelo van 1 november 2022, referentienummer 02330000141195, ongegrond;
VI. verklaart het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ermelo van 12 april 2023, met referentienummer 02330000162368, gegrond;
VII. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ermelo van 12 april 2023, met referentienummer 02330000162368, voor zover het college daarin is overgegaan tot invordering van € 5.000,00 aan dwangsommen bij [appellante sub 1] voor het niet voldoen aan de bij besluit van 4 mei 2022 opgelegde last 6 over de verkeersbewegingen;
VIII. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 1] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ermelo van 19 december 2023, met referentienummer 02330000193059, ongegrond;
IX. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ermelo van 13 juni 2024, met referentienummer 02330000221383, gegrond;
X. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ermelo van 13 juni 2024, met referentienummer 02330000221383;
XI. verklaart het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ermelo van 7 november 2024, met referentienummer 02330000229788, ongegrond;
XII. verklaart het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ermelo van 5 december 2024, met referentienummer 02330000246478, ongegrond;
XIII. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de in het besluit van 19 december 2023, met referentienummer 02330000193059, opgelegde lasten 1, 2 en 3 met terugwerkende kracht tot acht weken na de datum van verzending van deze uitspraak;
XIV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ermelo tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van haar beroepen tegen de besluiten van 4 mei 2022 en 13 juni 2024 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.918,21, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
XV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ermelo tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van haar beroep tegen het besluit van 12 april 2023 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kors
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
687-1070
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:39
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
[…]
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
[…]
Artikel 6:24
Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, […].
Artikel 7:15
[…]
2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
3. Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op bezwaar.
[…]
Artikel 8:72
[…]
5. De bestuursrechter kan zo nodig een voorlopige voorziening treffen. Daarbij bepaalt hij het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan […]
Artikel 2.7
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.
[…]
Regels van het bestemmingsplan "De Driehoek 2016"
Artikel 4.1
De voor "Bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten die is opgenomen als bijlage 2 van de regels, alsmede voor;
b. een pluimveeslachterij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van bedrijf - pluimveeslachterij;
[…]
f. transport en opslag ten dienste van een pluimveeslachterij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van bedrijf - transport en opslag;
met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijde, en in ondergeschikte mate en ten dienste van de bestemming tevens voor wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.
Artikel 18.8 "Voorwaardelijke verplichting Fokko Kortlanglaan 120-124
Tot een gebruik in strijd met dit bestemmingsplan wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van de gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - voorwaardelijke verplichting 5’ zonder inachtneming van de volgende voorwaardelijke verplichting:
a. binnen drie jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan dienen de gronden met de bestemming ‘Groen’ te zijn ingericht overeenkomstig de regels en richtlijnen uit hoofdstuk 5 van de Beeldkwaliteitsparagraaf De Driehoek, zoals opgenomen in Bijlage 4 Beeldkwaliteitsparagraaf De Driehoek bij deze regels;
[…]