ECLI:NL:RVS:2026:2083

ECLI:NL:RVS:2026:2083

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 202403256/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 4 april 2024 heeft de raad van de gemeente Maashorst het bestemmingsplan "Sport en Spel Reek 2024" vastgesteld. De raad wil met het bestemmingsplan de realisatie van een multifunctionele sportaccommodatie aan de Monseigneur Suijsstraat 35-37 in Reek juridisch-planologisch mogelijk maken. Op de locatie is nu een voetbalvereniging gevestigd met drie voetbalvelden. Het bestaande sportcomplex wordt ten oosten van de bestaande voetbalvelden uitgebreid met een nieuw gedeelte, waar onder meer vier tennisvelden en twee padelbanen worden gerealiseerd. De twee padelbanen zijn ten zuiden van de vier tennisvelden voorzien. [appellant] woont op het perceel aan de [woonplaats] in Reek, dat aan de noordzijde van het plangebied grenst. Hij is het niet eens met het plan, onder meer omdat hij vreest voor nadelige effecten van met name het geluid van de twee padelbanen op zijn woon- en leefomgeving.

Uitspraak

202403256/1/R2.

Datum uitspraak: 15 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Reek, gemeente Maashorst,

appellant,

en

de raad van de gemeente Maashorst,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Sport en Spel Reek 2024" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 9 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door ing. E. Roelofsen en [persoon], en de raad, vertegenwoordigd door mr. ing. A.P.J. Timmermans en S.H.C.J. Rutten, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerp van het bestemmingsplan is op 13 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. De raad wil met het bestemmingsplan de realisatie van een multifunctionele sportaccommodatie aan de Monseigneur Suijsstraat 35-37 in Reek juridisch-planologisch mogelijk maken. Op de locatie is nu een voetbalvereniging gevestigd met drie voetbalvelden. Het bestaande sportcomplex wordt ten oosten van de bestaande voetbalvelden uitgebreid met een nieuw gedeelte, waar onder meer vier tennisvelden en twee padelbanen worden gerealiseerd. De twee padelbanen zijn ten zuiden van de vier tennisvelden voorzien. [appellant] woont op het perceel aan de [woonplaats] in Reek, dat aan de noordzijde van het plangebied grenst. Hij is het niet eens met het plan, onder meer omdat hij vreest voor nadelige effecten van met name het geluid van de twee padelbanen op zijn woon- en leefomgeving.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Ingetrokken beroepsgrond

4. Op de zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond over de afstand van de padelbanen en tennisvelden tot de woningen en tuinen in westelijke richting ingetrokken.

Goede procesorde

5. Op de zitting heeft [appellant] betoogd dat de raad in strijd met een goede ruimtelijke ordening bij het bepalen van de verkeersaantrekkende werking, geluidhinder, verslechtering van de luchtkwaliteit en (andere, niet nader omschreven) aantasting van het woon- en leefklimaat geen rekening heeft gehouden met de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan. Zo is er niet gekeken naar een maximaal gebruik als alle activiteiten gelijktijdig plaatsvinden, wat zeker niet ondenkbaar is op dit complex, aldus [appellant].

5.1. Behalve in geschillen waarin de wet het niet toestaat, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde.

Daarnaast kunnen, ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb.

De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.

5.2. De Afdeling overweegt dat [appellant] met zijn betoog op de zitting, voor zover het betreft verkeersaantrekkende werking, luchtkwaliteit en niet nader omschreven aantasting van het woon- en leefklimaat, zijn beroepsgronden heeft uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Voor zover het geluidhinder betreft, heeft [appellant] ter motivering van zijn eerdere beroepsgronden, nieuwe argumenten aangevoerd. [appellant] had de nieuwe beroepsgronden en nieuwe argumenten al eerder naar voren kunnen brengen. De raad heeft te weinig tijd gehad om zich inhoudelijk uit te laten over deze beroepsgronden en argumenten. Ook de Afdeling is door het laat aanvoeren van deze beroepsgronden en argumenten belemmerd in de voorbereiding van de zitting. De Afdeling laat deze beroepsgronden en argumenten dan ook buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.

Gronden van het beroep

Alternatieve plaats voor de padelbanen binnen het plangebied

6. [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen uitvoering is gegeven aan het door [appellant] en andere omwonenden voorgestelde alternatief om de twee padelbanen in de bestaande sportzaal te realiseren. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1264, en 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3362, moet een door omwonenden aangedragen goed alternatief bij de besluitvorming worden betrokken, aldus [appellant].

Hij voert aan dat de oppervlakte van de bestaande sportzaal voldoende ruimte biedt voor twee padelbanen. Ook voert hij aan, onder verwijzing naar de Structuurvisie Landerd van 30 januari 2014, dat de raad zich moet inzetten om leegkomende ruimtes in te vullen. Verder volgt uit de structuurvisie dat indien sprake is van heroverwegingen van gebouwexploitatie voor voorzieningen, de gemeente zal aansturen op multifunctionele gebouwen dan wel multifunctioneel gebruik.

6.1. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.

De raad heeft gesteld dat hij het alternatief beoordeeld heeft, maar dat de bestaande sporthal geen ruimte biedt voor de twee padelbanen. De bestaande sporthal heeft een hoogte van 5,5 meter, terwijl de minimale hoogte van een padelbaan 6 meter moet zijn. Ook zijn de breedte en lengte van de bestaande sporthal van 12 meter bij 21 meter niet voldoende voor twee padelbanen, omdat rekening gehouden moet worden met veiligheidszones van 8 meter bij 2 meter langs de lange zijde van de banen.

De raad heeft verder toegelicht dat de uitgangspunten in de structuurvisie evenmin een argument vormen voor medegebruik van de bestaande sporthal voor de twee padelbanen. De bestaande sporthal biedt in zoverre geen mogelijkheden voor multifunctioneel gebruik en zuinig ruimtegebruik, omdat naast de twee padelbanen geen andere activiteiten meer zouden kunnen worden gerealiseerd in de bestaande sporthal. Daarnaast bevordert dit gebruik van de bestaande sporthal niet de sociale interactie die de raad wenst, omdat niet alle activiteiten gecentraliseerd kunnen worden.

Gelet op het bovenstaande heeft de raad het door [appellant] voorgestelde alternatief afgewogen bij de vaststelling van het plan en toereikend gemotiveerd waarom niet voor dat alternatief is gekozen. De Afdeling is het verder eens met het oordeel van de voorzieningenrechter in zijn uitspraak op het verzoek van [appellant] om het treffen van een voorlopige voorziening tegen het bestemmingsplan (de uitspraak van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:259, onder 5), dat de verwijzing door [appellant] naar de door hem genoemde uitspraken dit niet anders maakt. Anders dan in die uitspraken, heeft de raad in deze zaak het voorgestelde alternatief niet buiten beschouwing gelaten, maar heeft hij zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat dit geen reëel alternatief is.

Het betoog slaagt niet.

Geluidsoverlast

7. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft onderkend dat het bestemmingsplan leidt tot ernstige aantasting van zijn woon- en leefklimaat. De raad heeft volgens hem onvoldoende rekening gehouden met de te verwachten geluidsoverlast.

Hij voert aan dat de raad de bronsterkte vanwege de padelbanen heeft onderschat. In het geluidsrapport van Econsultancy van 23 november 2023, dat als bijlage bij het plan is gevoegd, is volgens hem het aangehouden bronvermogen van padelbanen van 91 dB(A) te laag ingeschat. In dat verband betoogt hij dat uit rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 6 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1375) kan worden afgeleid dat het geluidniveau van padelbanen dat van tennisvelden overstijgt. Dit komt doordat ballen tevens via de muren van de padelbaan worden gespeeld en het geluid door de karakteristieke kooivorm van de padelbaan wordt versterkt. Aangezien het bronvermogen van tennisvelden al op 93 dB(A) wordt gesteld, moet worden aangenomen dat het bronvermogen van padelbanen nog hoger ligt dan die waarde. Hierdoor zijn de geluidseffecten van de padelbanen niet op een juiste manier meegenomen.

Daarnaast voert [appellant] aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de bezetting van de tennisvelden in de periode tussen 07.00 en 09.00 uur. Hij voert aan dat de raad bij het rekenen met 2/3 bezetting in de periode van 07.00 tot 19.00 uur niet mocht uitgaan van een bezetting van 6,67 uur in plaats van 8 uur. De raad heeft daarbij volgens hem ten onrechte gesteld dat het niet realistisch is om te verwachten dat de tennisvelden tussen 7.00 uur en 9.00 uur ook voor 2/3 van de tijd bezet zijn. Volgens [appellant] maken personen in de periode tussen 07.00 en 09.00 uur, voordat ze naar hun werk gaan, juist wel gebruik van de tennisvelden.

Ook voert hij aan dat de raad de afstanden van de tuinen tot de padelbanen had moeten meenemen bij het bepalen van de geluidsoverlast. Door dit na te laten kan niet worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de tuinen bij de woningen.

Verder voert hij aan dat in het geluidsrapport onvoldoende rekening is gehouden met extra activiteiten, zoals feesten, huldigingen, jeugdkampen en spelmiddagen. Voor zover deze activiteiten plaatsvinden, zullen deze leiden tot meer geluidsoverlast.

-Bronvermogen

7.1. In het geluidsrapport van Econsultancy is een bronvermogen gehanteerd van 91 dB(A) voor padelbanen en 93 dB(A) voor tennisvelden. De raad heeft toegelicht dat uit de bijlage bij de Handreiking Padel en Geluid van 2023, waar de raad ook naar heeft verwezen, inmiddels volgt dat het bronvermogen van tennisvelden in de praktijk over het algemeen lager blijkt te zijn. Voor één padelbaan is volgens deze bijlage een bronvermogen tussen 89 en 91 dB(A) representatief en voor één tennisbaan een bronvermogen van 83 tot 85 dB(A). Desalniettemin heeft de raad als worst-case benadering vastgehouden aan het hogere bronvermogen van 93 dB(A) voor tennisvelden, om geen afbreuk te doen aan bescherming van de belangen van de omwonenden. De raad heeft daarbij toegelicht dat ook met dit hogere bronvermogen het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in alle gevallen voldoet aan de richtwaarden uit de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering 2009 (VNG-brochure). Gezien het vorenstaande kan, anders dan [appellant] stelt, uit de omstandigheid dat een bronvermogen voor tennisvelden van 93 dB(A) is gehanteerd, in dit geval niet worden afgeleid dat voor padelbanen een bronvermogen had moeten worden gehanteerd dat hoger ligt dan die waarde.

-Bezettingsgraad

7.2. De raad heeft toegelicht dat het voor het rekenen met de bezettingsgraad niet realistisch is dat de tennisvelden en padelbanen tussen 07.00 en 09.00 uur gedurende 2/3 van de tijd volledig gebruikt zullen worden. De raad heeft hiervoor aangesloten bij de bestaande ervaring dat er vóór 9.00 uur niet of zelden wordt getennist en dat het gebruik in de ochtend ook zeer beperkt is. Bovendien is de inschatting van 6,67 uur volle bezetting van 4 tennisvelden en 2 padelbanen in de dagperiode volgens de raad waarschijnlijk een overschatting van de werkelijke situatie. Er is echter een worst-case benadering toegepast om rekening te houden met de belangen van de omwonenden. [appellant] heeft geen concreet onderbouwde omstandigheden aangedragen die leiden tot twijfel aan de representativiteit van deze uitgangspunten.

-Tuinen

7.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2777, onder 10.3, geeft de VNG-brochure richtafstanden die gelden tot de gevel van woningen. Als aan deze afstand is voldaan kan in beginsel ervan worden uitgegaan dat de geluidsbelasting van een activiteit een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning oplevert. De richtafstand uit de VNG-brochure geldt niet voor de tuin, maar de geluidsbelasting in de tuin kan wel van belang zijn bij beantwoording van de vraag of het bestemmingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

De raad stelt dat hij nadrukkelijk ook aandacht heeft geschonken aan de tuinen. De padelbanen zijn zo zuidelijk mogelijk gesitueerd om de afstand tot woningen en tuinen zo groot mogelijk te maken. De afstand van de padelbanen tot de tuin van [appellant] bedraagt ongeveer 185 meter en tot zijn woning ongeveer 230 meter, wat ruim meer is dan de richtafstand van 100 meter voor gemengd gebied die volgt uit de Handreiking Padel en Geluid van 2023. Bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat in de tuin is volgens de raad verder van belang dat personen zich doorgaans enkel in de dag- en avondperiode in de buitenlucht bevinden, waarbij een beoordelingshoogte geldt van 1,5 meter boven het maaiveld. Op deze hoogte is de geluidsbelasting, vanwege afscherming door objecten zoals schuren, tuinhuisjes en schuttingen, doorgaans lager dan wanneer op 5 meter hoogte in de avond- en/of nachtperiode wordt gemeten bij een gevel. Volgens de raad leidt het gebruik van de padelbanen dan ook niet tot onevenredige aantasting van het woon-en leefklimaat in de tuin van [appellant]. Gelet op de door de raad gegeven toelichting, geeft wat [appellant] heeft aangevoerd de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen.

-Incidentele activiteiten

7.4. De raad stelt dat de door [appellant] bedoelde extra activiteiten - zoals feesten, huldigingen, jeugdkampen en spelmiddagen - incidentele activiteiten zijn (van maximaal 12 keer per jaar). In het geluidrapport is uitgegaan van de representatieve situatie voor het geluidniveau, waarbij incidentele activiteiten niet zijn meegerekend. Overigens zijn de gevolgen van deze incidentele activiteiten voor de omgeving van tijdelijke aard en beperkt, gelet op de ruime afstand tot de woningen, aldus de raad. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad terecht gesteld dat in zoverre sprake is van incidentele activiteiten. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat daarmee in het geluidsrapport en de beoordeling van de raad onvoldoende rekening is gehouden.

-Conclusie geluidsoverlast

7.5. Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling in wat [appellant] aanvoert onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het geluidsrapport. Ook is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft mogen aansluiten bij de overwegingen en conclusies van het geluidsrapport. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich onder verwijzing naar het geluidsrapport niet op het standpunt heeft mogen stellen dat ter plaatse van de woning en tuin van [appellant] sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het betoog slaagt niet.

Waardedaling

8. [appellant] betoogt dat de met het bestemmingsplan gepaard gaande overlast leidt tot vermindering van de waarde van zijn onroerend goed.

8.1. De Afdeling overweegt dat wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het onroerend goed van [appellant] betreft, geen aanleiding bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond.

10. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Van Ravels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kuipers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026

271-1135

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.J. Kuipers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?