202307182/2/R3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Annen, gemeente Aa en Hunze,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 oktober 2023 in zaak nr. 22/2519 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3095, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 12 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 17 augustus 2022, waarbij een verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakopbouw in stand is gelaten, te herstellen.
Bij besluit van 29 september 2025 (herstelbesluit) heeft het college de verleende omgevingsvergunning met een verbetering van de motivering in stand gelaten.
[appellant A] en [appellant B] hebben hierover een zienswijze naar voren gebracht.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een dakopbouw op en aan de woning op het adres Kruisakkers 9 in Annen. Bij besluit van 17 augustus 2022 heeft het college die omgevingsvergunning in stand gelaten en daaraan twee adviezen van de Adviescommissie voor omgevingskwaliteit (welstandscommissie) ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Tussenuitspraak van 9 juli 2025
2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand niet heeft mogen baseren op de adviezen van de welstandscommissie van 5 augustus 2022 en 6 december 2022. In die adviezen maakt de welstandscommissie namelijk een onderscheid tussen de beoordeling van de dakopbouw vanaf de voor- en de achterzijde. Het college heeft in de motivering van het besluit van 17 augustus 2022 in het verlengde daarvan doorslaggevende betekenis toegekend aan dat onderscheid, terwijl de Afdeling dat onderscheid in de beoordeling van de voor- en achterzijde niet terugleest in het "Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Aa en Hunze houdende regels omtrent het welstandsbeleid 2020" (Welstandsnota). Dus was de beoordeling van de welstand niet overeenkomstig het beleid in de Welstandsnota. Om die reden heeft de Afdeling overwogen dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vergunde dakopbouw niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
3. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 17 augustus 2022 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen. De Afdeling heeft het college vervolgens opgedragen het gebrek in dat besluit uiterlijk binnen 12 weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen. Daartoe diende het college een nadere motivering aan dat besluit ten grondslag te leggen, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te stellen.
Het herstelbesluit van 29 september 2025
4. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 29 september 2025 de bij besluit van 16 april 2020 verleende omgevingsvergunning met een verbetering van de motivering in stand gelaten. Het herstelbesluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, geacht onderwerp te zijn van dit geding. Dit betekent dat van rechtswege een beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen dit besluit is ontstaan.
5. Het college heeft aan dat herstelbesluit een nieuw welstandsadvies van 1 september 2025 ten grondslag gelegd, waaruit volgt dat de vergunde dakopbouw niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
6. De vraag die in deze uitspraak voorligt is of het college met het herstelbesluit, gelet op wat [appellant A] en [appellant B] hiertegen hebben aangevoerd, heeft voldaan aan de door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven opdracht.
Beroepsgronden
Welstandsadvies onbetrouwbaar
7. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het nieuwe welstandsadvies, dat het college aan het herstelbesluit ten grondslag heeft gelegd, niet betrouwbaar is. Daartoe voeren zij aan dat voor het vergunde bouwplan inmiddels zes welstandsadviezen zijn uitgebracht, waarbij telkens dezelfde welstandscommissie een nieuwe interpretatie aan haar adviezen ten grondslag legt. Het college gaat hier in het herstelbesluit geheel aan voorbij. Nu dezelfde welstandscommissie over hetzelfde niet gewijzigde bouwplan weer advies uitbrengt, is geen sprake van een betrouwbare adviescommissie, en moet dat advies om die reden volgens [appellant A] en [appellant B] worden gepasseerd.
7.1. De Afdeling overweegt dat het bestuursrecht de mogelijkheid geeft om gebreken in de besluitvorming te herstellen. Dat kan zowel in bezwaar als nog in beroep. In dat kader is het mogelijk om meerdere adviezen over een bouwplan uit te brengen. Deels zijn die adviezen hier ook uitgebracht als reactie op wat [appellant A] en [appellant B] in de verschillende stadia van de procedure hebben aangevoerd. De enkele omstandigheid dus dat er voor het bouwplan meerdere welstandsadviezen zijn uitgebracht, maakt niet dat het welstandsadvies van 1 september 2025, dat aan het herstelbesluit ten grondslag is gelegd, om die reden zou moeten worden gepasseerd. Dat dezelfde welstandscommissie eerder adviezen heeft uitgebracht, die niet altijd zijn gevolgd, betekent op zichzelf ook niet dat de welstandscommissie niet deskundig zou zijn. Er is dus geen reden om het welstandsadvies van 1 september 2025 bij voorbaat te passeren.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met redelijke eisen van welstand
8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de dakopbouw in strijd is met redelijke eisen van welstand. Volgens [appellant A] en [appellant B] voldoet het bouwplan niet aan de gebiedscriteria die in de Welstandsnota onder "Massa en vorm" zijn opgesomd. In dat kader wijzen zij op eerder ingebrachte tegenrapporten van M&DM van 29 maart 2021 en van Het Oversticht van 21 oktober 2022. Daaruit volgt dat de nieuwe massavorm afwijkt van de bestaande massavorm, doordat de dakopbouw ook langs de zijkant wordt gerealiseerd. Daarnaast volgt uit die rapporten dat de bestaande geleding van het hoofdgebouw niet wordt gerespecteerd. [appellant A] en [appellant B] voeren verder nog aan dat aan die tegenrapporten meer gewicht moet worden toegekend dan aan het welstandsadvies, omdat volgens hen geen sprake is van een betrouwbare adviescommissie.
8.1. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
8.2. Voor de beoordeling of sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand is de Welstandsnota van belang. De dakopbouw ligt in het gebied dat in de Welstandsnota is aangeduid als gebied 8 'Planmatig ontworpen uitbreiding'. Dit gebied geeft voor bebouwing enkele criteria waaraan getoetst wordt in het kader van welstand. In geschil zijn criteria die vallen onder 'Massa en vorm'. Het gaat in deze procedure met name om het respecteren van de bestaande geledingen van het hoofd- en bijgebouw en het criterium dat een wijziging bij een dubbele woning dient te passen in het bouwblok, zodat dat bouwblok als zodanig herkenbaar blijft.
8.3. In het welstandsadvies van 1 september 2025, dat ten grondslag ligt aan het herstelbesluit, staat dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het bouwplan is gelet op het advies beoordeeld als een uitbreiding van het hoofdgebouw, en niet als bijgebouw. De bestaande geledingen van het hoofdgebouw blijven volgens het welstandsadvies duidelijk afleesbaar, doordat er duidelijke verschillen in vorm en materiaalgebruik bestaan tussen dat hoofdgebouw en de dakopbouw. Daarnaast blijft het bouwblok als zodanig herkenbaar. In het bouwblok waar Kruisakkers 9 is gesitueerd is sprake van een breed scala aan aanbouwen en bijgebouwen. De massa en vorm van de dakopbouw voegen zich in dat gevarieerde beeld, waardoor het bouwblok als zodanig herkenbaar blijft.
8.4. De Afdeling overweegt dat er geen aanknopingspunten zijn dat het welstandsadvies van 1 september 2025 niet in overeenstemming is met de Welstandsnota. In die zin is het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld. De Afdeling ziet verder in wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd over de strijd met redelijke eisen van welstand en de verwijzing naar de door hen ingebrachte tegenrapporten, geen aanleiding voor het oordeel dat het welstandsadvies zodanige gebreken vertoont dat het college dat niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. In de tegenrapporten is weliswaar een andere waardering aan het bouwplan gegeven dan in het welstandsadvies dat het college aan zijn herstelbesluit ten grondslag heeft gelegd, maar dat leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat dit welstandsadvies niet toereikend is voor het genomen besluit. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de in de Welstandsnota neergelegde welstandscriteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van de dakopbouw. Tot slot volgt de Afdeling [appellant A] en [appellant B], gelet op wat onder 7.1 is overwogen, niet in hun betoog dat aan het tegenrapport meer gewicht zou moeten toekomen dan aan het welstandsadvies van de welstandscommissie.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Gelet op wat de Afdeling in de tussenuitspraak heeft overwogen, heeft de rechtbank niet onderkend dat het besluit van het college van 17 augustus 2022 is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] is daarom gegrond en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 augustus 2022 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
10. Uit hetgeen in deze uitspraak is overwogen, volgt dat het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het herstelbesluit van 29 september 2025 ongegrond is. In dat besluit heeft het college deugdelijk gemotiveerd waarom de vergunde dakopbouw niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
11. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 oktober 2023 in zaak nr. 22/2519, voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 augustus 2022 ongegrond heeft verklaard;
III. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 17 augustus 2022 van het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 17 augustus 2022 van het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze, kenmerk 285521/317805;
V. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze van 29 september 2025, kenmerk 2GN.2.19.002604, ongegrond;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.199,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 458,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
884-1157