202504016/1/A3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2025 in zaak nr. 23/7108 in het geding tussen:
[appellant]
en
Zorg- en Veiligheidshuis Zuid-Holland-Zuid (hierna: het ZVH).
Procesverloop
Bij brief van 19 september 2023 heeft het ZVH een beslissing genomen over het verzoek van [appellant] tot vernietiging van zijn persoonsgegevens.
Bij uitspraak van 13 juni 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het door [appellant] daartegen ingestelde beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het ZVH heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 februari 2026, waar het ZVH, vertegenwoordigd door mr. J.E. Ossewaarde en mr. M. Devilee, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 2 januari 2023 heeft het ZVH per brief aan [appellant] medegedeeld dat zijn gegevens overeenkomstig het privacyreglement vijf jaar worden bewaard. [appellant] heeft op 16 januari 2023 het ZVH verzocht tot vernietiging van zijn persoonsgegevens. Met de brief van 3 februari 2023 heeft het ZVH dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft [appellant] bij brief van 8 maart 2023 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is op 13 juli 2023 ongegrond verklaard door het ZVH. Met de brief van 19 september 2023 heeft het ZVH opnieuw een beslissing genomen over het verzoek van [appellant] waarbij zij een nieuw privacy-protocol heeft gehanteerd.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het ZVH geen bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het ZVH is niet krachtens publiekrecht ingesteld en oefent geen openbaar gezag uit. Om die reden kan de brief van 19 september 2023 niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Tegen de brief stond geen beroep open bij de bestuursrechter. Daarom heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard.
2. [appellant] is het eens met het oordeel van de rechtbank dat het ZVH niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan. [appellant] betoogt echter dat het ZVH zich ten onrechte als bestuursorgaan heeft voorgedaan, door zijn brief van 8 maart 2023 als een bezwaarschrift aan te merken en ongegrond te verklaren. Volgens hem is dit een vorm van misleiding door het ZVH. De bestuursrechter had hierover een oordeel moeten vellen en had hier juridische consequenties aan moeten verbinden. Dit is niet gebeurd. Daarom wil [appellant] hierover een oordeel van de Afdeling.
3. De brief van 19 september 2023 kan niet als besluit worden aangemerkt in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het ZVH niet krachtens publiekrecht is ingesteld en geen openbaar gezag uitoefent. De brief van 19 september 2023 is daarom geen beslissing van een bestuursorgaan en dus geen besluit in de zin van de Awb. Ingevolgde artikel 8:1 van de Awb staat beroep bij de bestuursrechter alleen open tegen besluiten in de zin van de Awb. Omdat de rechtbank onbevoegd was om kennis te nemen van het beroep, kon zij zich ook niet uitlaten over de door [appellant] gewenste maatregelen tegen het ZVH. Ditzelfde geldt voor de Afdeling. De Afdeling kan geen inhoudelijke beoordeling geven over het betoog van [appellant].
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. Het ZVH hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
802-1166