202404934/1/R2.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in Boekel,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Boekel,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Boekel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Lage Raam" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellanten sub 2] hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 9 maart 2026, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. M.R.A. Arntz, rechtsbijstandverlener in Leusden, via een videoverbinding, [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat in Tilburg, en [persoon], en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat in Nijmegen, E. van Dongen, E. Peeters en M. van Schadewijk, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerp van het bestemmingsplan is op 21 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. De raad wil met het bestemmingsplan de realisatie van het bedrijventerrein Lage Raam juridisch-planologisch mogelijk maken. Met de realisatie van het bedrijventerrein wil de raad voorzien in de behoefte aan bedrijfskavels in de gemeente Boekel. In het plangebied wonen [appellanten sub 1] aan de [locatie 1]. Zij zijn het niet eens met het plan, onder meer omdat in het plan geen rekening wordt gehouden met hun woning. Ook [appellanten sub 2] wonen in het plangebied en exploiteren een melkveebedrijf aan de [locatie 2]. Zij zijn het niet eens met het plan, omdat geen rekening wordt gehouden met hun woning en melkveebedrijf.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Ingetrokken beroepsgrond
4. Op de zitting hebben [appellanten sub 1] hun beroepsgrond over de herbegrenzing van de aanduiding "landelijk gebied" in de Omgevingsverordening van Noord-Brabant ingetrokken.
Gronden van de beroepen
5. [appellanten sub 2] alsmede [appellanten sub 1] betogen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
[appellanten sub 1] betogen dat in het bestemmingsplan hun woning ten onrechte niet langer als zodanig is bestemd. Volgens hen wordt in het plan geen rekening gehouden met hun woon- en leefklimaat, omdat hun woning niet is aangemerkt als een gevoelige functie en de richtafstand van 100 meter die geldt voor bedrijven tot de milieucategorie 3.2 niet wordt gehaald. Door het plan wordt hun woon- en leefklimaat volledig afgebroken en blijven zij achter met een onverkoopbare woning.
[appellanten sub 2] betogen dat de raad ten onrechte hun woning en melkveebedrijf niet langer in het bestemmingsplan heeft opgenomen, zonder een passende locatie voor hen te hebben gezocht.
Zowel [appellanten sub 2] als [appellanten sub 1] voeren verder aan dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat het met de toegekende bestemming strijdig gebruik op termijn zal worden beëindigd, omdat niet zeker is dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn voor verwerving van hun gronden.
5.1. In beginsel moet legaal bestaand gebruik als zodanig in het bestemmingsplan worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale gebruik onder het overgangsrecht worden gebracht als de raad aannemelijk maakt dat het gebruik op termijn zal worden beëindigd. Met het overgangsrecht wordt namelijk beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen.
5.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ervan heeft mogen afzien het bestaande legale gebruik als zodanig te bestemmen. De raad heeft toegelicht dat nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven. Daarvoor heeft de raad onder verwijzing naar de Structuurvisie Boekel van 2011 en de Ontwikkelingsvisie Dorpsmantel Noordwest van 2020 aangevoerd dat de gronden in het plangebied door hun ligging naast de randweg N605 en ten westen van het bestaande bedrijventerrein De Vlonder zijn aangemerkt als geschikte locatie om het bedrijventerrein uit te breiden. Ook heeft de raad in paragraaf 3.1.4 van de plantoelichting beschreven dat het bedrijventerrein voorziet in een behoefte aan bedrijfskavels binnen de gemeente Boekel. De raad heeft deze belangen bij de beoogde nieuwe bestemming om het bedrijventerrein juridisch-planologisch mogelijk te maken zwaarder mogen laten wegen dan de gevestigde rechten en belangen bij het bestaande gebruik van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2].
5.3. Daarnaast heeft de raad aannemelijk gemaakt dat het met de toegekende bestemming strijdige gebruik op termijn zal worden beëindigd. De raad heeft toegelicht dat hij actief gaat zorgen voor beëindiging van dit gebruik. De raad heeft uiteengezet dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn gesteld om de gronden te verwerven. Op 24 september 2025 is een minnelijk aanbod gedaan voor de verwerving van de gronden. Voor het geval geen minnelijke overeenstemming wordt bereikt, wordt een onteigeningsprocedure voorbereid en zal de raad in september 2026 een besluit nemen tot onteigening. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] worden bij onteigening in beginsel volledig schadeloos gesteld. Vergelijk (onder 5.6 van) de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1373. Bovendien heeft de raad een exploitatieplan vastgesteld om het kostenverhaal te verzekeren.
5.4. Verder heeft de raad bij de vaststelling van het plan geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen aan het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2], en het melkveebedrijf van [appellanten sub 2], zolang dit bestaande gebruik nog niet is beëindigd. Aangezien de voorziene nieuwe ontwikkelingen zich niet goed verdragen met het bestaande gebruik, heeft de raad dit bestaande gebruik onder het overgangsrecht gebracht en gaat de raad dit actief beëindigen. Anders dan [appellanten sub 2] betogen, bestaat er voorts geen verplichting op basis van de Wro voor de raad om al in het kader van de bestemmingsplanprocedure over de mogelijkheden van een vervangende locatie voor de woning of het melkveebedrijf volledige duidelijkheid te verschaffen. De zorgvuldigheid die de raad in acht moet nemen bij het voorbereiden van het plan, legt deze verplichting ook niet op. Vergelijk (onder 17.5 van) de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:326.
5.5. De betogen slagen niet.
Conclusie
6. De beroepen zijn ongegrond.
7. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kuipers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
271-1135