ECLI:NL:RVS:2026:2088

ECLI:NL:RVS:2026:2088

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 202206095/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 29 september 2022 heeft de raad van de gemeente Drimmelen het bestemmingsplan "Verlengde Elsakker" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van 88 woningen in het oosten van de kern van Wagenberg mogelijk. Het plangebied wordt omringd door woningen aan de Elsakker, Van Schendelstraat, Wagenstraat, Akkerstraat en door de sportvelden van een voetbalvereniging. De bestaande woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] maken ook deel uit van het plangebied. [appellant sub 6], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] wonen in de directe omgeving van het plangebied. Zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast door de woningbouw. Zij betwisten onder andere de behoefte aan de nieuwbouw en betogen dat de nieuwbouw in strijd is met provinciale regelgeving en (gemeentelijk) beleid. Verder ziet het geschil op de buiten het plangebied gelegen Akkerstraat. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 3]. De Akkerstraat loopt over zijn gronden naar de Wagenstraat. [appellant sub 2] wil dat dat deel van de Akkerstraat afgesloten kan worden, zodat dat niet meer gebruikt kan worden door de bewoners van zes woningen aan de Akkerstraat. [appellant sub 2] is het niet eens met het bestemmingsplan, omdat daarin niet de mogelijkheid is opgenomen om een ontsluitingsweg via de nieuwe openbare wegen binnen het plangebied te realiseren ten behoeve van die zes woningen. Hierdoor kan hij zijn percelen niet afsluiten en moet hij dat verkeer blijven dulden.

Uitspraak

202206095/1/R2.

Datum uitspraak: 15 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B],

2. [appellant sub 2],

3. [appellant sub 3],

4. [appellant sub 4],

5. [appellant sub 5],

6. [appellant sub 6],

allen wonend in Wagenberg, gemeente Drimmelen

appellanten,

en

de raad van de gemeente Drimmelen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Verlengde Elsakker" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 28 mei 2025 heeft de raad het bestemmingsplan op bepaalde delen gewijzigd (hierna: het herstelbesluit).

[appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 6] en Dura Vermeer Bouw Zuid B.V. hebben daarop hun zienswijze naar voren gebracht.

[appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 5] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 september 2025, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 5], bijgestaan door mr. B.R. Jongerhuis, [appellant sub 4], [appellant sub 6],

[appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.A.J. West, advocaat in Rotterdam, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat in Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door A. Bil, J. Peters, M. Simons en M. Lambregts-Kolmeijer, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Dura Vermeer Bouw Zuid B.V., vertegenwoordigd door mr. W. van Galen, advocaat in Utrecht en [gemachtigden], als partij gehoord.

Dura Vermeer Bouw Zuid B.V. heeft een nader stuk ingediend.

Na het sluiten van het onderzoek op de zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend. Dit om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op het na de zitting ingebrachte nadere stuk van Dura Vermeer Bouw Zuid B.V.

[appellant sub 2] heeft gereageerd op het nadere stuk.

De Afdeling heeft, nadat geen van de partijen heeft aangegeven opnieuw op zitting te willen gehoord, met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb, besloten dat een nadere zitting achterwege blijft en vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 29 september 2022 is het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit bepalend.

Waar gaat deze zaak over?

2. Het bestemmingsplan maakt de bouw van 88 woningen in het oosten van de kern van Wagenberg mogelijk. Het plangebied wordt omringd door woningen aan de Elsakker, Van Schendelstraat, Wagenstraat, Akkerstraat en door de sportvelden van een voetbalvereniging. De bestaande woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] maken ook deel uit van het plangebied.

2.1. [appellant sub 6], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] wonen in de directe omgeving van het plangebied. Zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast door de woningbouw. Zij betwisten onder andere de behoefte aan de nieuwbouw en betogen dat de nieuwbouw in strijd is met provinciale regelgeving en (gemeentelijk) beleid.

2.2. Verder ziet het geschil op de buiten het plangebied gelegen Akkerstraat. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 3]. De Akkerstraat loopt over zijn gronden naar de Wagenstraat. [appellant sub 2] wil dat dat deel van de Akkerstraat afgesloten kan worden, zodat dat niet meer gebruikt kan worden door de bewoners van zes woningen aan de Akkerstraat. [appellant sub 2] is het niet eens met het bestemmingsplan, omdat daarin niet de mogelijkheid is opgenomen om een ontsluitingsweg via de nieuwe openbare wegen binnen het plangebied te realiseren ten behoeve van die zes woningen. Hierdoor kan hij zijn percelen niet afsluiten en moet hij dat verkeer blijven dulden.

[appellant sub 3] woont aan de [locatie 4]. Hij is juist voor een afsluiting tussen de Akkerstraat en het plangebied. Volgens hem is deze afsluiting onvoldoende planologisch geborgd. [appellanten sub 1] wonen aan de [locatie 5], en vinden ook dat de afsluiting onvoldoende is verankerd in het plan.

[appellant sub 6], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] wonen respectievelijk aan de [locatie 6], [locatie 7], en de [locatie 8].

2.3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak. Voor de leesbaarheid van de uitspraak is ook een aantal bepalingen opgenomen in de overwegingen van de uitspraak.

Herstelbesluit

3. De raad heeft bij besluit van 28 mei 2025 het bestemmingsplan "Herstelplan Verlengde Elsakker" (hierna: het herstelbesluit) vastgesteld. Met het herstelbesluit wordt het bestemmingsplan gedeeltelijk gewijzigd. Het herstelbesluit wijzigt ten opzichte van het besluit van 29 september 2022 het volgende. Op de verbeelding wordt de aanduiding "specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten" toegekend aan de groenstrook die parallel loopt aan de Akkerstraat. Daarmee ziet de raad af van de mogelijkheid om de Akkerstraat als derde ontsluitingsweg of noodweg te gebruiken. De Akkerstraat is daar volgens de raad te smal voor.

Verder wijzigt het herstelbesluit de bestemmingsomschrijving van de bestemming "Groen" in artikel 3.1 van de planregels met een toevoeging onder g. Hierdoor zijn ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten" geen verhardingen, parkeervoorzieningen, in- en uitritten, (ontsluitings-)wegen en voet- en fietspaden meer toegestaan.

Verder wordt met het herstelbesluit artikel 5.3.5 aan de planregels toegevoegd. Dit is een voorwaardelijke verplichting die woningbouw op de gronden met de bestemming "Wonen" alleen toestaat als op de gronden met de bestemming "Groen" en de functieaanduiding "specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten", voor zover die gronden direct grenzen aan gronden met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied", een afsluiting wordt gerealiseerd. Met die afsluiting wordt een mogelijke doorgang en/of ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer, voetgangers en fietsers naar de Akkerstraat voorkomen.

3.1. Het herstelbesluit is gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede onderwerp van dit geding. De beroepen hebben van rechtswege ook betrekking op het herstelbesluit.

3.2. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben naar aanleiding van het herstelbesluit een zienswijze ingediend en beroepsgronden ingediend tegen het herstelbesluit. Voor geen van hen geldt dat door het herstelbesluit volledig tegemoet is gekomen aan hun beroep. De Afdeling zal de beroepsgronden tegen het herstelbesluit steeds bespreken bij het onderwerp waarop hun gronden zien.

Ingetrokken beroepsgronden

4. Op de zitting hebben appellanten de volgende beroepsgronden ingetrokken:

- [appellant sub 3], [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] dat de raad hun inspraakreacties en zienswijzen onvoldoende heeft meegewogen bij de vaststelling van het plan;

- [appellant sub 3] over de m.e.r.-aanmeldnotitie en de onderzoeken ten aanzien van de bodemkwaliteit, de watertoets, archeologie, soortenbescherming, geluid, gebiedsbescherming, externe veiligheid, en lichthinder;

- [appellant sub 5] over gebiedsbescherming;

- [appellanten sub 1] over soortenbescherming.

Goede procesorde

5. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. [appellant sub 5] heeft op de elfde dag voor de zitting bij nader stuk van 19 september 2025 zijn nieuwe beroepsgrond aangevoerd dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uit het aanvullend ecologisch onderzoek van 1 december 2022 volgt dat is uit te sluiten dat de Wet natuurbescherming (Wnb) ten aanzien van onder andere vleermuizen wordt overtreden. Dit is zo laat, dat deze beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing wordt gelaten.

Relativiteitsvereiste

6. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

6.1. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

6.2. Bij de beantwoording van de vraag of voor beroepsgronden geldt dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit omdat artikel 8:69a van de Awb hieraan in de weg staat, is dus van belang vast te stellen of het beroep strekt tot de bescherming van de belangen waarvoor de appellant in rechte op kan komen.

Daarbij wordt vooropgesteld dat bij de toepassing van het relativiteitsvereiste aan de procedurele normen over het recht op inspraak een zelfstandige betekenis toekomt. Zie daarvoor ook de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606, onder 7.8. Dit betekent dat indien een niet-belanghebbende een zienswijze heeft ingediend het relativiteitsvereiste niet aan vernietiging in de weg staat bij een door hem ingeroepen procedurele norm over het recht op inspraak.

Voor zover hij een beroep heeft gedaan op een procedurele norm of een formeel beginsel van behoorlijk bestuur die geen betrekking hebben op inspraak, of wanneer hij heeft aangevoerd dat in strijd met een materiële norm is gehandeld, staat de relativiteit wél in de weg aan vernietiging als die norm niet strekt tot bescherming van de daarmee te behartigen belangen.

Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4774, onder 7 e.v.

Het bestemmingsplan

Wijze van toetsen

7. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Aansluiting Akkerstraat

8. [appellant sub 2] betoogt dat het bestemmingsplan ten onrechte geen aansluiting mogelijk maakt van de buiten het plangebied gelegen Akkerstraat op het plangebied. Hierdoor kunnen de zes woningen aan de Akkerstraat niet via de nieuwe openbare wegen in het plangebied worden ontsloten naar de Wagenstraat, maar blijft de Akkerstraat de enige ontsluitingsweg voor deze woningen. Dit heeft tot gevolg dat de Akkerstraat een noodweg blijft en dat [appellant sub 2] verkeer dat via de Akkerstraat over zijn gronden loopt moet blijven dulden. [appellant sub 2] voert aan dat dit een ruimtelijk onaanvaardbare situatie is. Hoewel de status van de Akkerstraat privaatrechtelijk van aard is, is het gebruik ervan en het in stand houden van de Akkerstraat als noodweg ruimtelijk van aard. De raad had deze ruimtelijk onwenselijke situatie moeten oplossen in dit bestemmingsplan, in de eerste plaats door de Akkerstraat in het plangebied op te nemen en daarnaast door aansluiting van de Akkerstraat op het plangebied mogelijk te maken.

[appellant sub 2] voert daartoe aan dat de raad geen ruimtelijk relevante argumenten ten grondslag heeft gelegd aan zijn keuze om de Akkerstraat niet in het plangebied op te nemen of om geen aansluiting van het plangebied op de Akkerstraat mogelijk te maken. De motivering dat de Akkerstraat in deze procedure geen rol zou spelen omdat die buiten het plangebied valt, is geen ruimtelijk relevant argument. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1137, onder 5.4, voert [appellant sub 2] aan dat de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening had moeten beoordelen of de in en nabij het plangebied gelegen woon- en verkeersbestemmingen en de daarbij behorende functies wel verenigbaar zijn met de in het plan toegekende bestemmingen. Volgens [appellant sub 2] is dat niet het geval zolang de aansluiting van de Akkerstraat op de verkeersbestemming niet planologisch is geborgd.

8.1. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling is van oordeel dat geen sprake is van zodanige ruimtelijke samenhang tussen de gronden binnen het plangebied en de Akkerstraat dat de in het plan opgenomen begrenzing in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dat het door een aansluiting van de Akkerstraat op het plangebied mogelijk zou worden om de zes woningen, die nu via de gronden van [appellant sub 2] naar de Wagenstraat rijden, op een andere manier te ontsluiten, maakt niet dat alleen daarom al sprake is van ruimtelijke samenhang tussen de gronden binnen het plangebied en de Akkerstraat. De verwijzing van [appellant sub 2] naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1137, volgt de Afdeling niet. In wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de in of nabij het plangebied gelegen woon- en verkeersbestemmingen en de daarbij behorende functies niet verenigbaar zijn met de in het plan toegekende bestemmingen zolang de aansluiting van de Akkerstraat op het plangebied niet planologisch is geborgd.

Omdat de ruimtelijke samenhang tussen het plangebied en de Akkerstraat niet zodanig is dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening als de Akkerstraat niet ook (deels) deel uitmaakt van het plangebied, heeft de raad het ook niet vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk hoeven achten om regels vast te stellen die een aansluiting van de Akkerstraat op het plangebied mogelijk maken. Daarbij is naar het oordeel van de Afdeling van een ruimtelijk onwenselijke situatie, zoals gesteld door [appellant sub 2], niet gebleken. De Akkerstraat is al lange tijd de enige ontsluitingsweg voor de zes woningen, ook al toen

[appellant sub 2] zijn woning kocht. Dat de onderbouwing van de raad om af te zien van de mogelijkheid om de Akkerstraat als derde ontsluitingsroute te gebruiken, namelijk omdat die te smal is en daardoor niet geschikt is als noodweg, ook geldt voor de zes woningen aan de Akkerstraat, maakt niet dat alleen al daarom sprake is van een ruimtelijk onwenselijke situatie die een aansluiting van de Akkerstraat op het plangebied noodzakelijk maakt.

Het betoog slaagt niet.

Ladder voor duurzame verstedelijking

9. [appellant sub 3], [appellant sub 5] en [appellanten sub 1] betogen dat de raad het bestemmingsplan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) heeft vastgesteld.

9.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in overeenstemming met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld.

9.2. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt als volgt:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

9.3. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.

9.4. Gezien de aard en de omvang van de ontwikkeling en de ruimtelijke uitstraling daarvan, moet de ontwikkeling van de woningbouw in het plangebied naar het oordeel van de Afdeling worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Daar zijn partijen het ook over eens.

- Kwantitatieve behoefte aan woningen

10. [appellant sub 3] betoogt dat de kwantitatieve behoefte aan de woningen in het plangebied onvoldoende is onderbouwd. Uit de ‘Woonvisie gemeente Drimmelen 2017 - 2021’ volgt slechts een behoefte aan 55 woningen. [appellant sub 3] voert aan dat de notitie ‘Woningbouwprogramma 2016 - 2024’ van 9 april 2019 waarnaar in de plantoelichting wordt verwezen slechts een behoefte aan 60 woningen wordt genoemd, en niet aan 88, zoals het plan mogelijk maakt. In de toelichting is deze bijstelling naar boven onvoldoende onderbouwd. Onder verwijzing naar een overzicht van projecten in ontwikkeling van 29 september 2021, voert [appellant sub 3] aan dat reeds is voorzien in de door de raad niet onderbouwde, naar boven bijgestelde behoefte, omdat binnen de kernen Hooge Zwaluwe en Drimmelen 18 woningen worden gerealiseerd en in Wagenberg 11 woningen aan de Dorpsstraat 45-47. Verder voert [appellant sub 3] aan dat voor de onderbouwing van de kwantitatieve behoefte niet wordt ingegaan op de Omgevingsvisie. Dit terwijl de raad daar in de nota van zienswijzen wel naar verwijst.

[appellanten sub 1] betogen in gelijke zin. Dat in de plantoelichting wordt vermeld dat de woningvoorraad in Drimmelen dit decennium zal moeten groeien met 1.020 woningen is onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat de woonbehoefte in Wagenberg is toegenomen. In het ‘Programma Wonen 2030’ wordt benoemd dat vanwege de ambitie vanuit de Omgevingsvisie, het aantal te bouwen woningen in Wagenberg wordt verhoogd met 45 woningen. Dit aantal wordt niet toegelicht. De raad heeft niet voldoende gemotiveerd waarom nog eens 88 woningen in Wagenberg zouden moeten worden gebouwd bovenop de hierna genoemde locaties: de Nieuwstraat - Vogelstraat - Zuidveren, de locatie Hofstad, Ontmoetingscentrum Plexat (‘Onder de Toren’), de Nieuwstraat en de Dorpstraat 28.

Ook [appellant sub 4] betoogt dat het plan te veel woningen mogelijk maakt.

10.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de behoefte aan de 88 woningen voldoende is gemotiveerd. In de plantoelichting wordt onder paragraaf 3.2.3 ingegaan op de kwantitatieve behoefte. Daarover wordt vermeld dat in West-Brabant de bevolkingsgroei in de periode 2020 - 2030 is geraamd op 26.800 mensen, waarbij het aantal huishoudens toeneemt met 21.100. Uit de indicatie van de planningsruimte voor woningbouw in Drimmelen volgt dat tussen 2020 en 2030 de woningvoorraad in Drimmelen met 8,7% zal moeten groeien, met 1.020 extra woningen. Om richting te geven aan de uitbreiding van de woningvoorraad is voor Drimmelen de notitie ‘Woningbouwprogramma 2016 - 2024’ opgesteld. Daarin wordt deze ontwikkeling expliciet benoemd, maar dan met 60 woningen. Het aantal woningen dat dit bestemmingsplan mogelijk maakt is door de raad van 60 naar 88 bijgesteld vanwege de toenemende woningbehoefte. Daarmee wil de raad waarborgen dat het planvoornemen past binnen de kwantitatieve woningbehoefte.

10.2. In het verweerschrift wordt verwezen naar de Omgevingsvisie, vastgesteld door de raad op 18 november 2021, thans de ‘Structuurvisie 2033’ van de gemeente Drimmelen, en de daarin genoemde ambitie om 1.500 woningen in de gemeente te bouwen tot 2030. De woningbehoefte is vervolgens per kern uitgewerkt in het ‘Programma Wonen 2030’ van maart 2022. Van deze 1.500 woningen moeten er 100 in Wagenberg worden gebouwd. Van deze woningbehoefte in Wagenberg zijn 55 woningen gebaseerd op het woningbehoefteonderzoek en 45 woningen zijn nodig om aan de ambitie uit de Omgevingsvisie om 1.500 woningen tot 2030 te bouwen te voldoen. Met dat getal wil de gemeente bijdragen aan het inlopen van het actuele tekort in de regio.

10.3. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat er ten tijde van de vaststelling van het plan geen harde plancapaciteit was. [appellant sub 3], [appellanten sub 1] en [appellant sub 5] hebben in het kader van de beroepsgrond dat de stedelijke ontwikkeling op andere locaties binnen bestaand stedelijk gebied moet worden gerealiseerd, verschillende opties benoemd. Deze zijn op de zitting besproken. Over de ontwikkelingen aan de Dorpsstraat 45-47, de Hofstad en de Nieuwstraat overweegt de Afdeling het volgende. Het bestemmingsplan "Dorpsstraat 45 - 47, Wagenberg" dateert van 2018 en maakt 11 woningen mogelijk, die inmiddels zijn gerealiseerd. Deze 11 woningen dragen daarom niet bij aan het voorzien in de behoefte aan 100 woningen in Wagenberg waarvan de raad is uitgegaan en die is opgenomen in het Programma Wonen 2030. Verder geldt dat de bestemmingsplannen waarmee woningbouw aan de Hofstad en de Nieuwstraat mogelijk wordt gemaakt zijn vastgesteld in 2024, nadat het voorliggende bestemmingsplan is vastgesteld, zodat deze woningen op moment van vaststelling van het bestemmingsplan ook niet tot de harde plancapaciteit behoorden. Voor alle andere woningbouwlocaties die appellanten naar voren hebben gebracht geldt dat ten tijde van de vaststelling van het plan woningbouw daarop nog slechts initiatieven betrof, zodat die toen niet onder de harde plancapaciteit vielen.

10.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de behoefte aan de 88 woningen die met het plan mogelijk worden gemaakt voldoende onderbouwd. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de woningen niet alleen nodig zijn om te voorzien in de woningbehoefte in Wagenberg, maar ook om te voorzien in een groeiende behoefte in de gemeente Drimmelen en in een regionale woningbehoefte. De raad heeft dan ook meer woningen dan de 55 in het woningbehoefteonderzoek genoemde woningen voor Wagenberg mogelijk mogen maken.

De Afdeling ziet in wat [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het aantal woningen niet mocht bijstellen van 60 naar 88, omdat daar onvoldoende vraag naar is. De Afdeling kan het standpunt van de raad volgen dat het woningaantal naar boven is bijgesteld om te bewerkstelligen dat het plan voorziet in de woningbehoefte. Op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan was er immers geen harde plancapaciteit om in de woningbehoefte te voorzien. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de behoefte aan de voorziene woningen in kwantitatief oogpunt onvoldoende is onderbouwd.

Het betoog slaagt niet.

- Kwalitatieve behoefte aan woningen

11. [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] betogen dat de raad de kwalitatieve behoefte aan de woningen onvoldoende heeft onderbouwd. In de plantoelichting wordt ten onrechte vermeld dat het type en aantal woningen in overeenstemming is met het woningbouwprogramma. Het plan maakt te veel middeldure en dure koopwoningen mogelijk (respectievelijk 36 en 26). De raad heeft onvoldoende onderbouwd waarom het meer middeldure en dure koopwoningen mogelijk maakt dan waarnaar blijkens de Woonvisie behoefte aan is (respectievelijk 15 en 25). De grootste toevoeging zou plaats moeten vinden in het segment van goedkope huur- en koopwoningen.

11.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan voorziet in een kwalitatieve behoefte. In de plantoelichting wordt daar onder paragraaf 3.2.3 op ingegaan. Er worden 26 woningen in het duurdere segment mogelijk gemaakt, 36 in het middensegment en 26 in het goedkope segment. Binnen het plan zijn flexibiliteitsmogelijkheden opgenomen om zo te voorzien in de specifieke vraag naar woningen. Een groot gedeelte van de beoogde woningbouw wordt gerealiseerd binnen de categorieën goedkope huurwoningen en goedkope en middeldure koopwoningen, daar waar de meeste vraag naar is. Met dit plan wordt ook ingegaan op de behoefte aan levensloopbestendige woningen en is een mix van soorten woningen opgenomen. Over de aantallen zijn afspraken gemaakt in de anterieure overeenkomst. In het nadere stuk van 19 september 2025 heeft de raad toegelicht dat het bouwplan meer goedkope koopwoningen en sociale huurwoningen mogelijk maakt dan nodig. Volgens de criteria uit het Programma Wonen 2030 moet minimaal een kwart van de woningen goedkope koopwoningen of sociale huurwoningen zijn, wat voor dit bestemmingsplan tenminste 22 woningen in het goedkopere segment zou betekenen. Daar wordt aan voldaan, nu met dit plan in totaal 26 goedkope koopwoningen en sociale huurwoningen worden gerealiseerd. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de 16 sociale huurwoningen die met het plan worden mogelijk gemaakt een redelijk hoog aantal is voor Wagenberg.

De Afdeling ziet in wat [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de behoefte aan de woningtypes die met het plan mogelijk worden gemaakt onvoldoende heeft onderbouwd.

Het betoog slaagt niet.

- Bestaand stedelijk gebied

12. [appellant sub 3] betoogt dat het plan ten onrechte nieuwbouw mogelijk maakt in het plangebied. Hij betwist dat de geprojecteerde woningen in bestaand stedelijk gebied liggen. Onder het vorige bestemmingsplan hadden de gronden de bestemming "Agrarisch", zonder bouwvlak. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1211, en 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1763, voert [appellant sub 3] aan dat gronden met een agrarische bestemming niet kunnen worden aangemerkt als ‘bestaand stedelijk gebied’ als deze niet ook voorzien in stedelijke voorzieningen. Dat het plangebied aansluit op bestaande bebouwing en wegen maakt niet dat sprake is van bestaand stedelijk gebied.

[appellanten sub 1] betogen dat de raad er ten onrechte vanuit gaat dat het plangebied een inbreidingslocatie betreft. Weliswaar kan het plangebied worden aangeduid als ‘Zoekgebied voor verstedelijking’, maar in de plantoelichting is niet gemotiveerd waarom een transformatie naar stedelijk gebied zou moeten plaatsvinden.

[appellant sub 5] betoogt dat de raad ten onrechte woningbouw mogelijk maakt op gronden met een agrarische bestemming. Er is geen sprake van een verantwoorde uitbreidingsmogelijkheid.

12.1. Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro luidt: "bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur".

12.2. Bij de beantwoording van de vraag of een plangebied als een bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro kan worden aangemerkt, is vooral van belang of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

12.3. Het plangebied ligt aan de zuidoostzijde van Wagenberg. Het vorige bestemmingsplan "Bestemmingsplan kern Wagenberg" voorzag in de bestemming "Agrarisch", zonder bouwvlak.

12.4. Over de kwalificatie als bestaand stedelijk gebied staat in de plantoelichting onder 3.2.3 het volgende: "Hoewel de planlocatie hoofdzakelijk een agrarische bestemming is toebedeeld, kan geconcludeerd worden dat de locatie als bestaand stedelijk gebied beschouwd kan worden op basis van het feit dat:

- de planlocatie volledig fysiek omsloten is door infrastructuur, stedelijke bebouwing en overig bestaand stedelijk weefsel;

- de planlocatie omgeven is door stedelijke bestemmingen (‘Wonen’ en ‘Sport’).

Het onderhavige plangebied is aldus gelegen binnen het ‘bestaand stedelijk gebied’ van Wagenberg ingevolge het Bro, artikel 1.1.1."

12.5. Gelet op de agrarische bestemming onder het vorige bestemmingsplan kan het gebied op grond van de planologische mogelijkheden echter niet als bestaand stedelijk gebied worden aangemerkt. Dat het plangebied, zoals in de plantoelichting wordt vermeld, is omsloten door stedelijke functies leidt niet tot een ander oordeel. Zie daarvoor overweging 10.2 van de overzichtsuitspraak over de ladder voor duurzame verstedelijk van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724.

De betogen slagen.

12.6. Omdat het plangebied niet als bestaand stedelijk gebied kan worden aangemerkt, had de raad moeten motiveren waarom de woningbouw niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Gelet op het standpunt van de raad dat het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied van Wagenberg valt, heeft de raad dit in het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan niet gedaan. De raad heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat het plan in overeenstemming met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld.

In het verweerschrift en op de zitting heeft de raad alsnog toegelicht waarom de ruimtelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. De Afdeling zal hierna beoordelen of de raad met deze toelichting de strijdigheid met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro heeft hersteld.

- Andere (binnenstedelijke) locaties

13. [appellant sub 3], [appellanten sub 1] en [appellant sub 5] betogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien.

[appellant sub 3] voert daartoe aan dat locaties in het gebied bij de Nieuwstraat - Vogelstraat - Zuidveren, Dorpsstraat 2, het Centrumplan en Dorpsstraat 45 - 47, betere potentiële locaties zijn. De raad heeft onvoldoende onderzocht of de woningbouw op andere binnenstedelijke locaties mogelijk is. [appellant sub 5] voert daartoe aan dat het plangebied een agrarische bestemming heeft. Nieuw ruimtebeslag kan alleen daar waar verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden liggen. De woningbouw had beter rondom het gebied bij de Nieuwstraat - Vogelstraat - Zuidveren, de Dorpsstraat 45 - 47 en richting de Thijssenweg kunnen worden gerealiseerd, nu die plekken zijn aangewezen als ‘Zoekgebied voor verstedelijking’ en deels binnen bestaand stedelijk gebied vallen. [appellant sub 5] noemt ook het bestemmingsplan "Hofstad". Door de woningbouw op een andere locatie mogelijk te maken kunnen verkeersonveilige situaties bij het Van den Elsenplein en de Kerkstraat en de Brouwerijstraat worden voorkomen. Ook kan met een andere locatie worden voorkomen dat de Voshil als rustige wandel- en fietsweg binnen Wagenberg verloren gaat.

[appellanten sub 1] voeren aan dat de raad er ten onrechte vanuit gaat dat sprake is van een inbreidingslocatie. In de plantoelichting is niet gemotiveerd waarom een transformatie naar stedelijk gebied zou moeten plaatsvinden. De onderbouwing dat binnen de kom in Wagenberg feitelijk geen ruimte beschikbaar is voor de ontwikkeling van 88 grondgebonden woningen is onvoldoende. De raad lijkt helemaal geen onderzoek te hebben gedaan naar andere mogelijkheden in het Stedelijk Gebied. Het bouwen van woningen op deze locatie is om deze reden ook in strijd met de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO - partiële herziening 2014), Structuurvisie 2033 Gemeente Drimmelen, de Woonvisie gemeente Drimmelen 2017 - 2021, het vorige bestemmingsplan en het Programma Wonen 2030. De raad had moeten onderzoeken of de nieuwbouwwoningen elders gerealiseerd kunnen worden, ook omdat het nieuwbouwproject de unieke topografische eigenschappen van Wagenberg onherstelbaar zal aantasten, aldus [appellanten sub 1].

13.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de overzichtsuitspraak over de ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 3.1), moet, wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, worden gemotiveerd waarom niet binnen het stedelijk gebied daarin kan worden voorzien. Bij deze motivering kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol spelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldoende onderbouwd dat niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte waarin het plan voorziet. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

13.2. Op de zitting zijn verschillende alternatieve locaties besproken, zoals het gebied rond de Nieuwstraat - Vogelstraat - Zuidveren, de Dorpsstraat 45 - 47 en het Centrumplan. Over deze en de andere door appellanten aangedragen locaties heeft de raad toegelicht dat deze niet geschikt zijn, omdat er maar een klein aantal woningen gerealiseerd kunnen worden en, in het geval van Dorpsstraat 45 - 47, omdat daar al woningen zijn gerealiseerd. De Dorpsstraat 2 is niet in zicht voor woningbouw, omdat daar een platenzaak gevestigd is. Verder geldt voor een deel van de locaties dat deze niet tot de harde plancapaciteit behoorden toen het bestemmingsplan werd vastgesteld. Er zijn geen andere binnenstedelijke locaties beschikbaar ter grootte van het plangebied waar de beoogde woningbouw gerealiseerd kan worden. In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat andere mogelijkheden in het zoekgebied voor verstedelijking voornamelijk zijn gelegen in de ‘kamstructuur’ aan de westzijde van Wagenberg. Grootschalige in- of opvulling in de orde van grootte van dit plan zou afbreuk doen aan deze kenmerkende stedenbouwkundige kamstructuur.

De raad betwist dat het nieuwbouwproject de unieke topografische eigenschappen van Wagenberg onherstelbaar zal aantasten, zoals [appellanten sub 1] stellen. De zin uit de toelichting bij het bestemmingsplan "Kern Wagenberg" van 26 juni 2013, waar [appellanten sub 1] in hun beroepschrift naar verwijzen, slaat op de karakteristieke ‘kamstructuur’ die zich aan de westzijde van Wagenberg bevindt en niet op het plangebied.

De betogen slagen niet.

Conclusie over de ladder voor duurzame verstedelijking

14. Zoals overwogen onder 12.6 is het plan vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, omdat de raad er ten tijde van de vaststelling van het plan ten onrechte vanuit ging dat het plangebied deel uitmaakte van het bestaand stedelijk gebied. Nu de raad in het besluit van 29 september 2022, zoals gewijzigd bij het herstelbesluit, niet heeft gemotiveerd dat niet binnen bestaand stedelijk gebied in de woningbouw kan worden voorzien, is het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Omdat de raad niet heeft gemotiveerd dat niet binnen bestaand stedelijk gebied in de woningbouw kan worden voorzien, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling ook niet op het standpunt kunnen stellen dat het bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening heeft gehouden met zorgvuldig ruimtegebruik. Om deze reden slaagt ook het betoog van

[appellant sub 3] dat het plan in strijd met de artikelen 3.5 en 3.6 van de IOV is vastgesteld omdat geen sprake is van een goede omgevingskwaliteit waarbij rekening is gehouden met zorgvuldig ruimtegebruik. Ook het betoog van [appellanten sub 1] slaagt dat het plan in strijd met de artikelen 3.42 en 3.43 van de IOV is vastgesteld omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat woningen slechts mogelijk zijn in Stedelijk Gebied, en omdat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat nieuwvestiging van woningen op gronden met de aanduiding Verstedelijking afweegbaar nodig is omdat binnen Stedelijk gebied onvoldoende ruimte beschikbaar is voor de woningbouw.

15. De raad heeft op de zitting echter alsnog voldoende gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De Afdeling zal daarom onder 31 en verder van deze uitspraak bezien of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 29 september 2022, zoals gewijzigd bij het herstelbesluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten.

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

- Kwaliteitsverbetering landschap

16. [appellant sub 3] betoogt dat het plan in strijd is met artikel 3.9 van de IOV. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd dat de ontwikkeling die in Landelijk Gebied wordt gerealiseerd gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het aandeel groen dat het plan mogelijk maakt is marginaal ten opzichte van het aantal woningen. In de nota van zienswijzen is opgemerkt dat er ongeveer 58 m2 groen per woning moet worden gerealiseerd en dat dit in verschillende bestemmingen en de anterieure overeenkomst zou worden vastgesteld. Een borging van de aanleg van dit groen volgt echter niet uit de planregels. Er is geen beplantingsplan of landschappelijk inpassingsplan vastgelegd. Dit terwijl de bestemming "Groen" ook parkeerplaatsen, in- en uitwegen en andere vormen van verharding mogelijk maakt. De raad overweegt in de plantoelichting dat het plan voorzien moet worden van een landschappelijk inpassingsplan, en dan weer dat een bedrag gestort dient te worden in het groenfonds van de provincie. De raad heeft onvoldoende toegelicht waarom het geen inpassingsplan heeft vastgesteld. Dit wringt des te meer omdat de raad in de toelichting overweegt dat de verbetering van de landschappelijke kwaliteit is gelegen in de aanleg van extensieve recreatiemogelijkheden, maar dit niet is geborgd in het plan of middels een inpassingsplan.

16.1. Artikel 3.9 luidt:

"1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

2. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat:

a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of

b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen.

3. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten:

a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;

b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;

c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen;

d. het wegnemen van verharding;

e. het slopen van bebouwing;

f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones;

g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

4. Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken."

16.2. In hoofdstuk 3.3.3.3 van de plantoelichting wordt ingegaan op artikel 3.9 van de IOV. Daaruit volgt dat de raad heeft gekozen voor een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving door middel van een financiële bijdrage aan het provinciale en gemeentelijke landschapsfonds. De gemeente heeft hierover financiële afspraken gemaakt met initiatiefnemer in een anterieure overeenkomst. Op de zitting heeft initiatiefnemer toegelicht dat deze fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving door middel van een financiële bijdrage in een landschapsfonds, nog los staat van het groen dat wordt voorzien in het plan zelf.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het plan in overeenstemming met artikel 3.9 van de IOV is vastgesteld. Anders dan [appellant sub 3] aanvoert, volgt uit artikel 3.9 van de IOV niet dat de raad pas mag kiezen voor kwaliteitsverbetering in de vorm van een financiële bijdrage in het landschapsfonds, als een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het plangebied zelf niet mogelijk is.

Het betoog slaagt niet.

Groenbeleidsplan 2017 - 2026

17. [appellant sub 5] betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met het Groenbeleidsplan 2017 - 2026. In dat beleidsplan is een richtlijn opgenomen dat minimaal 50 m2 openbaar groen per woning in de verkeerskundige bebouwde kom moet worden gerealiseerd, waarbij ook naar de omgeving gekeken moet worden. Bestaand groen in de omgeving is er echter niet of nauwelijks. Als de woningen van de bestaande Elsakker worden meegenomen in deze afweging, komt het plan veel openbaar groen tekort.

17.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de ontwikkeling past binnen het ambitieniveau van het groenbeleidsplan. In de plantoelichting wordt onder 3.4.4 ingegaan op het groenbeleidsplan van de gemeente Drimmelen, en dat gestreefd wordt naar de realisatie van ongeveer 50 m2 groen per woning. In het verweerschrift wordt vermeld dat de oppervlakteberekeningen voor het aan te leggen groen is vastgelegd in een anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar, en dat minimaal 4.400 m2 aan groen zal worden aangelegd. In de plantoelichting wordt vermeld dat in het plangebied 5.360 m2 groen wordt gerealiseerd, ongeveer 60 m2 per woning. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat niet in voldoende groen kan worden voorzien.

Het betoog slaagt niet.

Brandweeradvies

18. [appellant sub 6] betoogt dat de onderzoeken die de raad ten grondslag heeft gelegd aan het besluit gebrekkig zijn. Hij voert daartoe aan dat een actueel brandweeradvies mist. In het advies dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd wordt nog uitgegaan van een tweezijdige bereikbaarheid via de Akkerstraat, terwijl die ontsluitingsroute niet meer in beeld is en de tweede ontsluiting via een nieuwe verbinding loopt. Naar deze tweede ontsluitingsroute is niet meer gekeken door de brandweer. [appellant sub 6] vreest dat de bochtstralen voor de brandweerwagens niet groot genoeg zijn, gezien de parkeerproblematiek in de Wagenstraat en de Van Schendelstraat.

18.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de tweezijdige ontsluiting van het plan voldoet aan de eisen van de brandweer en de beleidsregels van de Veiligheidsregio. In het verweerschrift wordt vermeld dat de raad op advies van de brandweer een tweede volwaardige ontsluiting mogelijk heeft gemaakt op de Wagenstraat en de Veiligheidsregio daarvan op de hoogte heeft gebracht. Verder overweegt de Afdeling dat [appellant sub 6] zijn vrees dat de bochtstralen voor de brandweerwagens niet zullen voldoen niet heeft onderbouwd.

Het betoog slaagt niet.

Gebiedsbescherming

19. [appellanten sub 1] betogen dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of de ontwikkeling in de bouwfase zorgt voor een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.

19.1. De Afdeling overweegt dat de bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat een natuurlijk persoon die zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, zich beroept op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Verder volgt uit deze uitspraak dat individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen.

19.2. Deze situatie doet zich voor wanneer een Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de leefomgeving van [appellanten sub 1]. De Afdeling overweegt dat de afstand van hun woning tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied de Biesbosch meer dan 6 km bedraagt. Gelet hierop maakt het Natura 2000-gebied geen deel uit van de woon- en leefomgeving van [appellanten sub 1]. De conclusie is dat hun individuele belangen niet verweven zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen.

19.3. Nu de Wnb de belangen van [appellanten sub 1] niet beschermt, laat de Afdeling met toepassing van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht de door haar naar voren gebrachte beroepsgrond buiten beschouwing.

Afsluiting plangebied van de Akkerstraat

20. [appellant sub 3] betoogt dat de afsluiting van het plangebied met de Akkerstraat onvoldoende planologisch is geborgd. Hij voert daartoe aan dat het aanleggen van een afscheiding tussen het plangebied en de Akkerstraat ook met de voorwaardelijke verplichting uit artikel 5.3.5 van de planregels onvoldoende in het besluit van 29 september 2022, zoals gewijzigd bij het herstelbesluit, is geregeld. Voetgangers kunnen over het trottoir via het onverharde deel van de bestemming "Groen" het plangebied verlaten. De voorwaardelijke verplichting die met het herstelbesluit wordt toegevoegd aan de planregels is ten onrechte alleen van toepassing op het deel van de gronden met de bestemming "Groen" en de functieaanduiding "specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten" dat aansluit op het gebied op de gronden "Verkeer - Verblijfsgebied". De verplichting dat een afsluiting moet worden gerealiseerd zodat feitelijk geen doorgang en/of ontsluiting naar de Akkerstraat mogelijk is had voor alle gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten" moeten gelden, en niet alleen de gronden die aansluiten op de verkeersbestemming.

Verder voert [appellant sub 3] aan dat de bestemming "Wonen" een ontsluiting op de Akkerstraat mogelijk maakt. De bestemmingsomschrijving in artikel 5.1 van de planregels maakt namelijk parkeervoorzieningen en overige verhardingen die vallen onder bij "Wonen" bestemde voorzieningen mogelijk, en daar vallen ook in- en uitritten, en specifiek een ontsluiting op de Akkerstraat, onder. Het is niet uitgesloten dat een groot deel van de gronden met de bestemming "Wonen" onbebouwd blijft en dat op die onbebouwde gronden parkeerplaatsen en een uitweg komen voor een ontsluiting op de Akkerstraat.

[appellanten sub 1] betogen in gelijke zin. Zij vrezen voor conflicten met bewoners van de nieuwbouwwijk als de Akkerstraat niet volledig en definitief wordt afgesloten van het plangebied.

Ook [appellant sub 2] vreest voor overlast. Hoewel [appellant sub 2] primair van mening is dat het plangebied moet worden aangesloten op de Akkerstraat, zodat het noordelijke deel van de Akkerstraat dat over zijn gronden loopt niet meer nodig is voor de ontsluiting van de zes woningen, en hij daarmee geen verkeer meer over zijn gronden hoeft te dulden, vreest [appellant sub 2] dat, als de afsluiting niet goed wordt vastgelegd, hij nog meer verkeer over zijn gronden moet dulden.

20.1. Artikel 5.1, aanhef en onder e, van de planregels luidt:

"De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en overige verhardingen."

Artikel 5.3.5 van de planregels luidt:

"Op de percelen met de bestemming "Wonen" mag alleen worden gebouwd indien binnen de bestemming "Groen" met de aanduiding 'specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten', voor zover die aanduiding direct grenst aan de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied", een afsluiting wordt gerealiseerd zodat er feitelijk geen doorgang en/of ontsluiting is naar de Akkerstraat voor gemotoriseerd verkeer, voetgangers en fietsers."

20.2. Op de zitting is een wijziging van artikel 5.3.5 van de planregels "voorwaardelijke verplichting woningbouw" ter sprake gekomen. De raad heeft toegelicht dat een efficiënte afsluiting van het plangebied bij de Akkerstraat kan worden bereikt door middel van een hek en dat dit planologisch geborgd zou kunnen worden.

Na de zitting hebben initiatiefnemer, [appellant sub 3] en [appellant sub 2] daar overleg over gevoerd. Initiatiefnemer heeft bij brief van 16 oktober de Afdeling medegedeeld dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over een wijziging van artikel 5.3.5 van de planregels. Zij verzoeken de Afdeling de planregel zelf voorziend te wijzigen zodat die een verplichting bevat om een hekwerk van 2,00 m hoog dat wordt voorzien van groenblijvende begroeiing te realiseren. De raad heeft ingestemd met de wijziging van artikel 5.3.5 van de planregels. De Afdeling begrijpt hieruit dat de raad in het betoog [appellant sub 3] en [appellant sub 2] aanleiding heeft gezien om zijn standpunt over de voorwaardelijke verplichting woningbouw te wijzigen. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De betogen van [appellant sub 3], [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] slagen daarom.

20.3. Over het betoog van [appellant sub 3] dat artikel 5.1 van de planregels ook parkeervoorzieningen en overige verhardingen die vallen onder bij "Wonen" bestemde voorzieningen mogelijk maakt, waar ook in- en uitritten, en specifiek een ontsluiting op de Akkerstraat onder valt, overweegt de Afdeling als volgt. Eén van de nieuwbouwwoningen grenst aan de Akkerstraat. Voor deze woning geldt dat een ontsluiting op de Akkerstraat een bij de bestemming "Wonen" behorende voorziening kan zijn. De raad heeft niet beoogd om een dergelijke ontsluiting op de Akkerstraat mogelijk te maken: de raad heeft juist het plangebied van de Akkerstraat willen afsluiten. De Afdeling overweegt dat nu het bestemmingsplan niet regelt wat de raad heeft beoogd te regelen, het bestemmingsplan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt daarom.

Verkeer

21. [appellanten sub 1], [appellant sub 6], [appellant sub 5] en [appellant sub 4] vrezen dat het bestemmingsplan zal leiden tot onevenredige verkeershinder.

[appellanten sub 1] voeren daartoe aan dat de raad ten onrechte heeft gesteld dat sprake is van een beperkte toename van de verkeersintensiteit ten opzichte van de referentiesituatie. [appellant sub 6] voert daartoe aan dat het gros van het verkeer via de ontsluiting aan de Wagenstraat zal worden afgewikkeld en dat de raad de impact daarvan heeft onderschat. Op dit moment is het op de wegenstructuur voor zijn woningen rustig, maar dat zal door het plan veranderen.

[appellant sub 5] voert aan dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of de ontsluiting van het plangebied via de Wagenstraat de verkeersafwikkeling kan verwerken. De raad heeft evenmin toegelicht welke maatregelen worden getroffen om te bewerkstellingen dat in de 30 km/uur-zone daadwerkelijk 30 km/uur wordt gereden. [appellant sub 5] vreest voor een onveilige en ongebruikelijke situatie waar de tweerichtingenweg Voshil zou moeten aansluiten tussen twee rotondes en het fietspad. Tussen de rotonde en de Voshil bevindt zich een bushalte en een fietsenstalling. Het fietspad tussen de overbelaste rotonde en bushalte moet dan ook nog aansluiten op de Voshil. De raad heeft onvoldoende toegelicht dat de verkeershinder daar niet nog groter wordt als gevolg van het plan en het is onduidelijk in hoeverre de provincie en busmaatschappij Arriva zijn meegenomen in de besluitvorming.

Ook [appellant sub 4] vreest voor verkeershinder op de Wagenstraat. Zij vindt dat de Wagenstraat in zijn huidige vorm niet geschikt is voor een dergelijke toename van verkeer. Ook de doorstroming via de fietsstraat de Parallelweg of langs de school en via de Kerkstraat is onveilig en niet praktisch. De afwikkeling via de Voshil is onvoldoende uitgewerkt en is niet zeker.

21.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan niet tot verkeershinder zal leiden. De Van Schendelstraat, de Kerkstraat en de Wagenstraat kunnen de toename in verkeersbewegingen als gevolg van het bestemmingsplan verwerken. De raad heeft bij het voorbereiden van het plan berekend wat de verkeersgeneratie als gevolg van de voorziene bouwmogelijkheden is. In paragraaf 2.5 van de plantoelichting wordt vermeld dat de toename per dag van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan 572,4 bedraagt. Met een toename van afgerond 573 mvt/etmaal zullen de verkeersbewegingen op de erftoegangswegen Van Schendelstraat, Kerkstraat en Wagenstraat respectievelijk 1.475, 1.780 en 866 mvt/etmaal bedragen. Gelet op de omstandigheid dat volgens het CROW erftoegangswegen een maximale verkeersintensiteit van 5.000 tot 6.000 mvt/etmaal kunnen verwerken, zullen de toenemende verkeersintensiteiten probleemloos kunnen worden afgewikkeld op de bestaande erftoegangswegen in Wagenberg, aldus de raad.

De Afdeling kan dit standpunt volgen. Dat de toename van de verkeersintensiteit niet beperkt is, zoals [appellanten sub 1] aanvoeren, doet daar, wat daar ook van zij, niet aan af.

21.2. Over het betoog van [appellant sub 5] dat de raad onvoldoende heeft onderzocht wat de gevolgen van de aanpassingen van de Voshil in combinatie met de toename in het aantal verkeersbewegingen zijn voor de verkeersveiligheid, overweegt de Afdeling als volgt. De Wagenstraat sluit aan de oostelijke zijde aan op de Voshil. Dit is de weg die parallel loopt aan de Wagenbergse Baan (de N285). De Voshil sluit aan de noordelijke zijde aan op de Wagenbergse Baan en gaat richting de rotonde verder als fietspad. In het verweerschrift wordt vermeld dat de Voshil zal worden omgevormd naar een weg waar tweerichtingsverkeer mogelijk is. De bushalte die net voor de rotonde tussen de Wagenbergse Baan en de Brouwerijstraat ligt wordt anders ingericht om zo plaats te maken voor een rijbaan die aansluit via de Brouwerijstraat op de rotonde. De bestaande rijbaan (ter hoogte van het fietspad) zal worden verlengd richting de bushalte. In aanloop naar de uitvoering van het bestemmingsplan zullen die verkeersbesluiten worden voorbereid. De gemeente en provincie trekken hierin gezamenlijk op. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de Voshil een erftoegangsweg blijft, waar fietsers op de rijbanen rijden.

De Afdeling ziet, gelet op deze toelichting, geen aanleiding voor het oordeel dat de afwikkeling via de Voshil onvoldoende is uitgewerkt. De Afdeling ziet in het aangevoerde ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan en de aanpassing van de Voshil zullen leiden tot verkeersonveilige situaties. [appellant sub 5] heeft zijn standpunten dat nu al sprake is van verkeershinder, dat de rotonde nu al overbelast is tijdens de spits en dat geen ruimte is voor verdere uitbreiding, ook niet onderbouwd.

[appellant sub 6] heeft zijn standpunt dat de raad de impact van de toename van verkeer op de Wagenstraat heeft onderschat niet onderbouwd. In wat hij heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de toename van het aantal verkeersbewegingen leidt tot onevenredige verkeerhinder.

De betogen slagen niet.

Parkeren

22. [appellant sub 3] vreest dat het bestemmingsplan zal leiden tot parkeerhinder omdat niet in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien. Daartoe voert hij aan dat voor de rug-aan-rug koopwoningen niet van de juiste parkeernorm is uitgegaan. De raad heeft ten onrechte de grootte van de woningen leidend laten zijn. Hierdoor is de parkeerbehoefte met zes parkeerplaatsen onderschat. Het aantal benodigde parkeerplaatsen bedraagt volgens de nota van zienswijzen en paragraaf 2.4 van de plantoelichting 169. Aangezien het plan blijkens het stedenbouwkundig plan ruimte laat voor de realisering van 171 parkeerplaatsen zijn dat er te weinig.

Blijkens de plantoelichting worden er 37 parkeerplaatsen op eigen terrein en 134 in de openbare ruimte gerealiseerd. Maar in het stedenbouwkundig plan worden 37 parkeerplaatsen op eigen terrein en 129 in de openbare ruimte afgebeeld. Er ontbreken dus 5 parkeerplaatsen in het stedenbouwkundig plan.

Verder voert hij aan dat in het bestemmingsplan niet is vastgelegd welke soorten woningen worden gerealiseerd. Op grond van het bestemmingsplan is het niet uitgesloten dat er meer woningen zullen worden gerealiseerd met een hogere bijbehorende parkeervraag dan waarvan bij de parkeerbalans is uitgegaan. In dat geval is onduidelijk of in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien.

22.1. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor bouwen aan de orde zal komen, moet de raad bij de vaststelling van het plan al wel bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:248, onder 9.2.

22.2. De Afdeling stelt voorop dat artikel 12 van de planregels voorschrijft dat bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of afwijken ten minste moet worden voldaan aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals opgenomen in het ‘Beleidsplan Verkeer en Vervoer Gemeente Drimmelen 2018-2028’ (hierna: het beleidsplan), bijgevoegd als bijlage 1 bij de planregels.

22.3. De Afdeling overweegt dat in de planregels geen koppeling met het stedenbouwkundig plan is opgenomen. Dat er in het stedenbouwkundig plan, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, minder parkeerplaatsen zijn ingetekend dan het aantal genoemd in de parkeerbalans, maakt daarom niet dat alleen al om die reden op voorhand vaststaat dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien. Dat betoog slaagt niet.

22.4. In de plantoelichting wordt onder 2.4 ingegaan op parkeren. Daarin wordt vermeld dat de raad overeenkomstig het beleidsplan heeft aangesloten bij de parkeernormen zoals die zijn gesteld in de op dat moment geldende publicatie van het CROW. Drimmelen wordt qua stedelijkheidsgraad ingedeeld in de categorie ‘weinig stedelijk’. Het plangebied wordt aangeduid als ‘rest bebouwde kom’. Voor de 88 woningen is een parkeerbehoefte van 168,8 parkeerplaatsen berekend. In het verweerschrift wordt vermeld dat de raad als norm het gemiddelde van het minimum en het maximum kencijfers heeft gehanteerd voor de soorten woningen. De CROW kent geen kencijfers voor rug-aan-rug-woningen. Gezien het kleine vloeroppervlak van deze woningen (maximaal 60 m2) is de verwachting van de raad dat deze voornamelijk door alleenstaanden bewoond zullen worden. De gemiddelde parkeernorm voor een kleine eenpersoonswoning is 0,7 parkeerplaats per woning, en die van een gewone rijwoning 2 parkeerplaatsen per woning. De raad is uitgegaan van het gemiddelde daarvan, wat neerkomt op 1,4 parkeerplaatsen per woning. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze norm niet aanvaardbaar is.

22.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien. Daartoe overweegt de Afdeling dat de voor "Groen", "Wonen" en "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor parkeervoorzieningen, zodat bijna in het hele plangebied parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. Dat het soort woningen dat kan worden gerealiseerd niet is verankerd in de planregels, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of het plan kan voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de parkeerbehoefte van 168,8 worst-case is, maar dat er indien nodig nog meer parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd. Weliswaar is het soort en het aantal woningen dat gerealiseerd kan worden niet in de planregels vastgelegd en is in zoverre niet duidelijk of de berekende parkeerbehoefte van 168,8 parkeerplaatsen een worst-case inschatting is, maar naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het plan in voldoende parkeerplaatsen kan voorzien. Daarbij acht de Afdeling van belang dat wanneer in het plangebied worst-case uitsluitend twee-aaneen gebouwde woningen gebouwd zouden worden, wat feitelijk overigens niet mogelijk is, de parkeervraag 193,6 parkeerplaatsen zou bedragen. Voor zover bij de toetsing in het kader van de omgevingsvergunning zou blijken dat de parkeerbehoefte van 168,8 een onderschatting is, is er voldoende ruimte in het plangebied om het benodigde aantal parkeerplaatsen aan te leggen.

Het betoog slaagt niet.

Woon- en leefklimaat

Omvang en invulling groenstrook grenzend aan de Akkerstraat

23. [appellant sub 3] klaagt over de omvang en invulling van de groenstrook. [appellant sub 3] vreest dat de groenstrook niet zal worden ingericht als zachte, groene overgang tussen het plangebied en zijn perceel, waardoor zijn privacy en uitzicht niet voldoende worden gewaarborgd. Artikel 3.1 van het bestemmingsplan laat een te ruime invulling van de bestemming "Groen" toe. Ook maakt het bestemmingsplan de realisering van bouwwerken, geen gebouwen tot een hoogte van 3 m mogelijk. Daarbij komt dat initiatiefnemer heeft aangegeven de groenstrook mogelijk te verkopen aan de eigenaar van de meest nabijgelegen woning als tuin. In dat geval zal van enige groene invulling van de groenstrook geen sprake zijn.

Verder vindt [appellant sub 3] dat de breedte van de evenwijdig aan zijn perceel lopende strook met de bestemming "Groen" ten onrechte is teruggebracht naar 7 m. Hierdoor kan op zeer korte afstand van zijn perceel, op 17 m, woningbouw komen. Rekening houdend met artikel 5.2.1, onder i, van de planregels, kan de dichtstbijzijnde woning op 20 m van zijn voorgevel worden gebouwd. Dit is te dichtbij, ook gelet op de mogelijkheid dat bijgebouwen tot een hoogte van 6 m zijn toegestaan tot aan de zijdelingse perceelgrens. De groenstrook moet tot minimaal 12 m verbreed worden, zodat de afstand van de voorgevel van de woning van [appellant sub 3] in lijn ligt met de afstanden die worden aangehouden van de voorgevels van de overige woningen.

Ook vreest [appellant sub 3] dat de groenstrook kan worden verkleind tot 2 m, op grond van artikel 11.1 van het bestemmingsplan. Deze wijzigingsregel is onvoldoende objectief begrensd. Gelet op artikel 11.1, aanhef en onder b, van de planregels kan de bestemmingsgrens namelijk met 5 m worden opgeschoven als dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Het is niet duidelijk wanneer daarvan sprake is. Gelet op artikel 11.1, aanhef en onder c, van de planregels is het ook mogelijk om in het belang van een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken, of voor zover dit nodig is in verband met de werkelijke toestand van terrein, de bestemmingsgrenzen te overschrijden. Ook hierbij is onduidelijk wanneer daarvan sprake is. Naast dat een maximale overschrijding van 3 m wordt genoemd mag het bestemmingsvlak ook nog met ten hoogste 10% worden vergroot. Een vergroting van 10% van de bestemming "Wonen" of "Verkeer - Verblijfseenheid" kan ertoe leiden de bestemming "Groen" geheel zal verdwijnen.

23.1. Artikel 3.1 luidt:

"De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. speelvoorzieningen;

c. parkeervoorzieningen;

d. voet- en fietspaden;

e. in- en uitritten;

f. bijbehorende voorzieningen als verhardingen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

g. in afwijking van sub a. t/m f. zijn ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten’ verhardingen, parkeervoorzieningen, in- en uitritten, (ontsluitings-)wegen en voet- en fietspaden niet toegestaan."

23.2. De Afdeling volgt niet de vrees van [appellant sub 3] dat op de groenstrook tussen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte tot 3 m gebouwen tot een hoogte van 3 m zullen worden gerealiseerd. Daartoe overweegt de Afdeling dat op gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten" verhardingen niet zijn toegestaan. Dat betekent de facto dat daar geen bouwwerken mogen worden opgericht. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor de vrees dat een groene invulling van de groenstrook niet is gegarandeerd bij verkoop daarvan aan de eigenaar van de woning direct naast de groenstrook. Op de zitting heeft initiatiefnemer overigens toegelicht dat een duurzame instandhouding van de groenstrook is beoogd door middel van een op de groenstrook te vestigen kwalitatieve verplichting.

Op de zitting heeft initiatiefnemer ook toegelicht dat hij kan instemmen met een wijziging van de planregels zodat een groene invulling van de bestemming "Groen" beter wordt geborgd. Na de zitting heeft initiatiefnemer daar met [appellant sub 3] overleg over gevoerd. Initiatiefnemer heeft bij brief van 16 oktober de Afdeling meegedeeld dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over een wijziging van artikel 3.1, onder g, van de planregels. Zij verzoeken de Afdeling de planregel zelf voorziend te wijzigen, zodat daarin wordt opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten" ook geen (half)verhardingen zoals grind, split, schelpen, en houtsnippers, en speelvoorzieningen zijn toegestaan.

De raad heeft ingestemd met de wijziging van artikel 3.1, onder g, van de planregels. De Afdeling begrijpt hieruit dat de raad in het betoog van [appellant sub 3] aanleiding heeft gezien om zijn standpunt over artikel 3.1 van de planregels te wijzigen. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt in zoverre.

23.3. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de groenstrook voldoende breed is. De afstand tussen de voorgevel van de bestaande woning van [appellant sub 3] en de zijgevel van de dichtstbijzijnde nieuw te realiseren woning bedraagt ongeveer 20 m, uitgaande van het huidige stedenbouwkundig plan en de planregels, inclusief het aanhouden van een afstand van 3 m tot de perceelsgrens op grond van artikel 5.2.1, aanhef en onder i, van de planregels. Een afstand tussen evenwijdige bebouwingswanden van circa 15 tot 20 m acht de raad acceptabel. In dit geval is de afstand 20 m. Bij haakse bebouwingswanden kan een afstand van 7 m tussen het bouwvlak van nieuwe woningen en de gevel van de bestaande woning al als acceptabel worden beschouwd. In dit geval bedraagt die afstand 20 m. De Afdeling kan het standpunt van de raad volgen dat deze afstand voldoende is. Het betoog slaagt in zoverre niet.

23.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsregel van artikel 11.1 van het bestemmingsplan onvoldoende objectief is begrensd. Daartoe overweegt de Afdeling dat de wijzigingsbevoegdheid in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden uitgeoefend, en waartoe op grond van artikel 11.2 van de planregels advies bij een stedenbouwkundige kan worden ingewonnen. Een belanghebbende kan burgemeester en wethouders in voorkomende geval verzoeken daartoe over te gaan.

Het betoog slaagt niet.

Privacy, verlies vrij uitzicht

24. [appellanten sub 1], [appellant sub 6], [appellant sub 5] en [appellant sub 4] betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat en noemen in dat verband verschillende factoren. Zo zal door het verdwijnen van groen en een toename van bebouwing in hun woonomgeving hun uitzicht worden aangetast. Verder zullen zij ook in hun privacy worden aangetast. Dat komt volgens [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellanten sub 1] doordat de maximaal toegestane bouwhoogtes die zijn opgenomen in het plan te hoog zijn.

[appellant sub 5] voert daartoe aan dat de planregels ten onrechte niet voorzien in een maximale bouwhoogte van 7,5 m met een goothoogte van maximaal 3 m. De raad stelt ten onrechte dat er gelijkenis is tussen de omliggende woningen en de woningen die het plan mogelijk maakt. De bestaande woningen hebben een nokhoogte van maximaal 6,5 m. De daken van de bestaande woningen zijn asymmetrisch, en zijn aan de zuidkant hoger dan aan de noordkant. De nieuwbouwwoningen hebben een symmetrisch dak met een goothoogte van maximaal 7 m. Dit leidt tot aantasting van zijn privacy. Het bestemmingsplan voorziet ten onrechte niet in asymmetrische daken, die beter aansluiten bij de bestaande bouw, met name aan de Wagenstraat. Door de situering en massaopbouw af te stemmen aan aangrenzende bebouwing met een bepaald soort dakraam, kan beter rekening worden gehouden met aangrenzende woningen en de aantasting van zijn privacy kunnen verminderen. De raad heeft verder onzorgvuldig gehandeld door niet op zijn alternatief, waarbij betere afstemming is gezocht met de aangrenzende bebouwing, in te gaan.

Ook [appellant sub 6] klaagt over de bouwhoogte van de woningen. Deze zijn ruim 3 m hoger dan zijn woning. Toen hij jaren geleden zijn woning kocht was bij hem de verwachting gewekt dat hij een strook grond zou kunnen aankopen om een groene buffer aan te leggen of zichtbeperkende maatregelen te treffen. Zonder deze groene buffer vindt hij dat de woningen te massief en te hoog zijn en daardoor niet passend.

[appellanten sub 1] opteren voor een maximale bouwhoogte van 8 m voor alle woningtypen, zodat die overeenkomen met de huidige bebouwde omgeving.

24.1. Het plangebied is in de huidige situatie bedoeld voor agrarische doeleinden en is onbebouwd. Dat zal met de verwezenlijking van dit plan anders worden. Dat heeft ook gevolgen voor omwonenden zoals [appellant sub 3], [appellanten sub 1], [appellant sub 6], [appellant sub 5] en [appellant sub 4]. In de huidige situatie hebben zij een vrij uitzicht vanuit hun woning of tuin. Met het plan wordt woningbouw rondom hun woningen toegestaan. Hierdoor wordt hun uitzicht aangetast.

24.2. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat appellanten geen aanspraak kunnen maken op een blijvend vrij uitzicht vanuit hun woningen, ook niet als het vorige bestemmingsplan daar geen bebouwing toestond. De raad moet het belang van aantasting van privacy en van het uitzicht wel betrekken in zijn belangenafweging.

24.3. De raad erkent dat er enige aantasting van privacy zal zijn, maar dat deze aanvaardbaar is, gelet op het belang dat gediend is bij de woningbouw. In het verweerschrift wordt verder vermeld dat de raad ten aanzien van de bouwhoogtes heeft aangesloten bij de maximale bouwhoogtes die het plan "Bestemmingsplan kern Wagenberg", waar de omliggende bebouwing onder valt, mogelijk maakt. Voor die woningen geldt ook een maximale goot- en bouwhoogte van 7 m respectievelijk 11 m. Verder stelt de raad dat het door [appellant sub 5] aangedragen alternatief wel is meegewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan, maar dat het niet tot een wijziging van de planregels heeft geleid, omdat de maximale bebouwingsmogelijkheden gelet op de afstanden tot de woningen, uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn.

24.4. Uit artikel 5.2.1, aanhef en onder h, van de planregels volgt dat de diepte van de nieuw te bouwen woningen, gemeten vanaf de voorgevellijn, maximaal 12 m bedraagt bij vrijstaande woningen, 10 m bij twee-aan-een gebouwde woningen en aaneen gebouwde woningen, en 9 m bij rug-aan-rug gebouwde woningen.

24.5. Gelet op artikel 5.2.1, aanhef en onder h, van de planregels, bedraagt de afstand tussen de achterkant van de nieuw te bouwen woningen en de woning van [appellant sub 5] worstcase 25 m, en worstcase 8 m tussen de nieuw te bouwen woningen en zijn tuin. De Afdeling ziet gelet op deze afstanden geen aanleiding voor het oordeel dat het plan tot een onevenredig verlies van privacy zal leiden voor [appellant sub 5], ook al is de nokhoogte van zijn woning 6,5 m. De Afdeling ziet daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een verplichting tot de realisering van een asymmetrische dakopbouw in de planregels had moeten opnemen. Zoals de raad ook in het verweerschrift heeft gesteld staan de planregels er overigens niet aan in de weg dat de nieuwbouwwoningen daarin wel voorzien.

Ten aanzien van de woningen van [appellant sub 6] en [appellant sub 4] overweegt de Afdeling dat de afstand tussen de nieuw te bouwen woningen en hun woningen worstcase 25 m bedraagt en tussen de nieuw te bouwen woningen hun tuinen ongeveer 13 m. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat hun privacy, gelet op deze afstanden, onevenredig wordt aangetast, of dat het uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is dat tussen hun woning en de nieuwe woonwijk een groenstrook of een groene buffer wordt gerealiseerd.

Ook ten aanzien van de woning van [appellanten sub 1] is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de maximale bouw- en goothoogten in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daartoe overweegt de Afdeling dat de afstand tussen de (zij)gevel van de rug-aan-rug-woningen en de (zij)gevel van de woning van [appellanten sub 1] 15 m bedraagt, en dat de afstand tussen de (achter)gevel van de grondgebonden woningen en de (achter)gevel van de woning van [appellanten sub 1] ongeveer 25 m bedraagt. De Afdeling ziet gelet op deze afstanden geen aanleiding voor het oordeel dat de bouwhoogte van de nieuwe woningen maximaal 8 m zou mogen bedragen omdat anders de privacy van [appellanten sub 1] onevenredig wordt aangetast.

Kortom, naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten door een verminderde privacy en uitzicht als gevolg van de realisering van het plan, gelet ook op de verstedelijkt dorpse omgeving, niet onevenredig is.

De betogen slagen niet.

Geluid- en lichthinder

25. [appellant sub 3] betoogt dat het onderzoek naar lichthinder onvolledig en onzorgvuldig is. Hij voert daartoe aan dat in het onderzoek niet is ingegaan op de omstandigheid dat de koplampen van auto’s in zijn woning zullen schijnen. Er is geen koppeling tussen het stedenbouwkundig plan en de planregels opgenomen, zodat de raad zich niet onder verwijzing naar het stedenbouwkundig plan op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen overlast zal zijn van inschijnende koplampen. Nu in het besluit van 29 september 2022, zoals gewijzigd bij het herstelbesluit, nog steeds niet is geborgd dat auto’s zich niet over de Akkerstraat zullen begeven en bij het indraaien in zijn woning zullen schijnen, is het des te belangrijker dat er een haag of hekwerk met groen wordt gerealiseerd.

25.1. Zoals de Afdeling hiervoor onder 20.2 heeft overwogen, is [appellant sub 3] met initiatiefnemer een wijziging van de voorwaardelijke verplichting in artikel 5.3.5 van de planregels overeengekomen. Die wijziging houdt kortgezegd een verplichting in om een hekwerk van 2,00 m hoog aan te brengen op gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten". Nu het plangebied en de Akkerstraat van elkaar worden gescheiden middels dit hekwerk, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 3] onevenredige lichthinder zal ervaren als gevolg van inschijnende koplampen. Het betoog slaagt niet.

26. [appellanten sub 1] betogen dat de bewoners van de rug-aan-rug-woningen onevenredige geluid- en lichthinder zullen ondervinden. Deze beroepsgrond gaat niet over hun eigen woon- en leefklimaat, maar over dat van de toekomstige bewoners van de rug-aan-rug-woningen. [appellanten sub 1] kunnen alleen opkomen voor het belang van hun eigen woon- en leefklimaat, en niet voor dat van anderen. Wat zij aanvoeren, kan daarom gelet op artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht niet leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan. Daarom ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond.

Bed & breakfast

27. [appellant sub 3] betoogt dat artikel 5.3.3 van de planregels in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat op grond daarvan in iedere woning, zonder vergunning, een bed & breakfast kan worden begonnen. Dit betekent dat er 88 bed & breakfasts in het plangebied kunnen worden gerealiseerd. Dit zal zijn woon- en leefklimaat onaanvaardbaar aantasten. In de planregels is ten onrechte geen maximum gesteld aan het aantal te verhuren kamers en is niet als voorwaarde opgenomen dat de bed & breakfast geen onevenredige inbreuk mag maken op het woon- en leefklimaat van de omgeving.

27.1. Artikel 1.11 van de planregels definieert "bed & breakfast" als een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte niet zelfstandige accommodatie, uitsluitend voor logies en ontbijt, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

Artikel 5.3.3 van de planregels luidt:

"Bed & breakfast

Binnen de bestemming 'Wonen' is de uitoefening van een 'bed & breakfast' toegestaan in de woning en bijbehorende bouwwerken, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

a. de woonfunctie blijft als hoofdfunctie herkenbaar;

b. de activiteit wordt door de bewoner uitgeoefend;

c. parkeren ten behoeve van de bed & breakfast dient op eigen terrein plaats te vinden."

27.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het bestemmingsplan opgenomen specifieke voorwaarden nadelige effecten voor de omgeving zullen voorkomen. De Afdeling kan dit standpunt volgen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat in de definitiebepaling van "bed & breakfast" al meerdere beperkingen zijn opgenomen, alsook in artikel 5.3.3. van de planregels. Zo moet de woning in overwegende mate de woonfunctie behouden en een ruimtelijke uitwerking of uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijkheid om een bed & breakfast uit te oefenen zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 3]. Dat zal ook niet het geval zijn omdat er geen maximum is gesteld aan het aantal te verhuren kamers.

Het betoog slaagt niet.

Waardevermindering woning

28. [appellant sub 4] vreest dat het bestemmingsplan zal leiden tot een waardevermindering van haar woning.

28.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 4] betreft, bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. [appellant sub 4] kan voor de mogelijk negatieve gevolgen die zij ondervindt van het bestreden plan een verzoek om planschade indienen. Voor een eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3767, onder 11.1).

Conclusie

29. De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 4] tegen het besluit van 29 september 2022, zoals gewijzigd bij het herstelbesluit, zijn ongegrond.

30. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 12.5, 12.6, 20.2, 20.3 en 23.2 zijn de beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 2], [appellanten sub 1] en [appellant sub 5] tegen het besluit van 29 september 2022, zoals gewijzigd bij het herstelbesluit, gegrond.

Zoals de Afdeling heeft geoordeeld onder 12.6, heeft de raad de besluiten in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro vastgesteld. Dit betekent dat de raad ten onrechte de bestemming "Wonen" heeft toegekend aan de gronden in het plangebied. De Afdeling ziet aanleiding om het hele bestemmingsplan te vernietigen, dus ook de andere bestemmingen "Groen" en "Verkeer - Verblijfsgebied". Dit doet de Afdeling vanwege de samenhang tussen de bestemming "Wonen" en die andere bestemmingen.

31. De Afdeling ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van 29 september 2022, zoals gewijzigd bij het herstelbesluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten, met uitzondering van de hierna onder 32 genoemde planregels. Daarover wordt overwogen dat door op de hierna vermelde wijze zelf in de zaak te voorzien, de geconstateerde gebreken in 20.2, 20.3 en 23.2 worden geheeld. Ten aanzien van het gebrek, vastgesteld onder 12.6, wordt onder verwijzing naar 13.2 en 15 overwogen dat ook dit gebrek is geheeld.

32. Nu niet aannemelijk is dat derden in hun belangen zouden worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 29 september 2022, zoals gewijzigd bij het herstelbesluit, voor zover dit is vernietigd. De Afdeling zal artikel 3.1, onder g, van de planregels zo wijzigen dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten’, verhardingen, halfverhardingen zoals grind, split, schelpen en houtsnippers, en speelvoorzieningen niet zijn togestaan. Ook zal de Afdeling artikel 5.1, aanhef en onder e, van de planregels zo wijzigen dat geen ontsluiting aan de Akkerstraat mogelijk is op de gronden met de bestemming "Wonen". Verder zal de Afdeling de voorwaardelijke verplichting, opgenomen in 5.3.5 van de planregels, zo wijzigen dat daarin de verplichting tot de realisering van een hekwerk van 2,00 m hoog is opgenomen.

32.1. De Afdeling zal, in het kader van zelf voorzien, bepalen dat artikel 3.1, onder g, van de planregels, als volgt komt te luiden:

"in afwijking van sub a. t/m f. zijn ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten’ (half)verhardingen, zoals grind, split, schelpen en houtsnippers, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen, in- en uitritten, (ontsluitings-)wegen en voet- en fietspaden niet toegestaan."

32.2. De Afdeling zal, ook in het kader van zelf voorzien, bepalen dat artikel 5.1, aanhef en onder e, van de planregels, als volgt komt te luiden:

"De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en overige verhardingen, niet zijnde een ontsluiting op de Akkerstraat."

32.3. Verder zal de Afdeling in het kader van zelf voorzien, bepalen dat artikel 5.3.5, van de planregels, als volgt komt te luiden:

"Op de percelen met de bestemming "Wonen" mag alleen worden gebouwd en gebruikt indien binnen de bestemming "Groen" met de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten’, voor zover die aanduiding direct grenst aan de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied", een hekwerk van 2,00 meter hoog dat wordt voorzien van groenblijvende begroeiing wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden zodat er feitelijk geen doorgang en/of ontsluiting is naar de Akkerstraat voor gemotoriseerd verkeer, voetgangers en fietsers."

33. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.

Proceskosten

34. De raad hoeft geen proceskosten van [appellant sub 6] en [appellant sub 4] te vergoeden.

35. De raad moet de proceskosten van [appellant sub 3], [appellant sub 2], [appellanten sub 1] en [appellant sub 5] op hierna vermelde wijze vergoeden.

Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn

36. [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

36.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.

36.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant sub 3] ontvangen op 15 november 2022, en het beroepschrift van [appellanten sub 1] op 16 november 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 17 maanden overschreden.

37. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding voor [appellant sub 3] vastgesteld op € 1.500,00.

De schadevergoeding voor [appellanten sub 1] wordt vastgesteld op € 1.500,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellanten sub 1] samen procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen in de zin dat zij per persoon € 750,00 krijgen toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van een gezamenlijk beroep in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden vanwege de te lange procedure. Door gezamenlijk beroep in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen.

37.1. De Afdeling zal de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) daarom veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 1.500,00 aan [appellant sub 3] en € 750,00 aan [appellant sub 1A] en € 750,00 aan [appellant sub 1B].

38. De Staat moet de proceskosten vergoeden die [appellant sub 3] heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. De Staat hoeft aan [appellanten sub 1] geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 6] tegen het besluit van 29 september 2022, zoals gewijzigd bij het besluit van 28 mei 2025, waarbij de raad van de gemeente Drimmelen het bestemmingsplan "Verlengde Elsakker" heeft vastgesteld, ongegrond;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 5] tegen het besluit van 29 september 2022, zoals gewijzigd bij het besluit van 28 mei 2025, waarbij de raad van de gemeente Drimmelen het bestemmingsplan "Verlengde Elsakker" heeft vastgesteld, gegrond;

III. vernietigt het besluit van 29 september 2022, zoals gewijzigd bij het besluit van 28 mei 2025, waarbij de raad van de gemeente Drimmelen het bestemmingsplan "Verlengde Elsakker" heeft vastgesteld;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de onder III vernietigde besluiten in stand blijven, met uitzondering van artikel 3.1, onder g, artikel 5.1, onder e, en artikel 5.3.5 van de planregels;

V. bepaalt dat:

a. artikel 3.1, onder g, van de planregels, als volgt komt te luiden:

"in afwijking van sub a. t/m f. zijn ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten’ (half)verhardingen, zoals grind, split, schelpen en houtsnippers, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen, in- en uitritten, (ontsluitings-)wegen en voet- en fietspaden niet toegestaan.";

b. artikel 5.1, onder e, van de planregels, als volgt komt te luiden:

"bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en overige verhardingen, niet zijnde een ontsluiting op de Akkerstraat.";

c. artikel 5.3.5, van de planregels, als volgt komt te luiden:

"Op de percelen met de bestemming "Wonen" mag alleen worden gebouwd en gebruikt indien binnen de bestemming "Groen" met de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - verharding uitgesloten’, voor zover die aanduiding direct grenst aan de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied", een hekwerk van 2,00 meter hoog dat wordt voorzien van groenblijvende begroeiing wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden zodat er feitelijk geen doorgang en/of ontsluiting is naar de Akkerstraat voor gemotoriseerd verkeer, voetgangers en fietsers.";

VI. bepaalt dat deze uitspraak, voor zover dat betreft de in dictumonderdeel V beschreven planregelingen, in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 29 september 2022, zoals gewijzigd bij het besluit van 28 mei 2025;

VII. draagt de raad van de gemeente Drimmelen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen V en VI worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;

VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling van een schadevergoeding van:

a. € 1.500,00 aan [appellant sub 3];

b. € 1.500,00 aan [appellant sub 1A] en

[appellant sub 1B];

IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij

[appellant sub 3] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. veroordeelt de raad van de gemeente Drimmelen tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 934,00 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 1.401,00 aan [appellant sub 2], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. € 2.802,00 aan [appellant sub 3], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. € 1.868,00 aan [appellant sub 5], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. gelast dat de raad van de gemeente Drimmelen aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 184,00 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 184,00 aan [appellant sub 2];

c. € 184,00 aan [appellant sub 3];

d. € 184,00 aan [appellant sub 5].

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Arneri, griffier.

w.g. Ten Veen

voorzitter

w.g. Arneri

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026

1010

BIJLAGE

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 3.1.6, eerste en tweede lid, luidt:

"1. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:

a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen;

b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;

c. de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg;

d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek;

e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken;

f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Artikel 3.5 luidt:

"1. Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.

2. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:

a. zorgvuldig ruimtegebruik;

b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering;

c. meerwaardecreatie."

Artikel 3.6 luidt:

"1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat:

1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;

2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;

b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);

c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel."

Artikel 3.42 luidt:

"1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:

a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;

b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

2. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:

a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;

b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;

c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;

d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;

e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;

f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie."

Artikel 3.43 luidt:

"In afwijking van artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als:

a. binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is;

b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort;

c. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;

d. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied."

Bestemmingsplan "Verlengde Elsakker"

Artikel 3.1 luidt:

"De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. speelvoorzieningen;

c. parkeervoorzieningen;

d. voet- en fietspaden;

e. in- en uitritten;

f. bijbehorende voorzieningen als verhardingen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen."

Artikel 4.1 luidt:

"De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. verblijfsgebied met een functie voor verblijf en verplaatsing;

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals voet- en fietspaden, (ontsluitings)wegen, geluidwerende voorzieningen, nutsvoorzieningen, brandkranen, ondergrondse containers, groenvoorzieningen, water- en waterhuishoudelijke voorzieningen, reclame-uitingen, parkeervoorzieningen en overige verhardingen;"

Artikel 5.1 luidt:

"De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het wonen in grondgebonden woningen;

b. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld': het wonen in gestapelde woningen;

c. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - rug aan rug gebouwd': het wonen in rug aan rug gebouwde woningen;

d. aan-huis-verbonden beroepen en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

e. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en overige verhardingen."

Artikel 5.2.1 luidt:

"Voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

a. het aantal woningen bedraagt maximaal 88;

b. de hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken worden uitsluitend gebouwd in het bouwvlak, met dien verstande dat erkers aan de voorzijde van de woning ook buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd met een hoogte van maximaal 1 bouwlaag en met een maximale diepte van 1,5 meter;

c. uitsluitend grondgebonden woningen zijn toegestaan;

d. in afwijking van c mogen ter plaatse van de bouwaanduiding 'gestapeld' uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd;

e. in afwijking van c mogen ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - rug aan rug gebouwd' uitsluitend rug aan rug woningen worden gebouwd;

f. voor grondgebonden woningen bedraagt het bebouwingspercentage per perceel 70%;

g. voor gronden met de bouwaanduiding 'gestapeld' en 'specifieke bouwaanduiding - rug aan rug gebouwd' geldt het op de verbeelding aangeduide maximale bebouwingspercentage 'bebouwingspercentage - (m)';

h. de diepte van hoofdgebouwen, gemeten vanaf de voorgevellijn, mag niet meer bedragen dan:

1. bij vrijstaande woningen: 12 meter;

2. bij twee-aaneen gebouwde woningen en aaneengebouwde woningen: 10 meter;

3. bij rug aan rug gebouwde woningen: 9 meter;

i. de afstand van hoofdgebouwen - over de hele diepte zoals toegestaan in lid h - tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan:

1. bij vrijstaande woningen tot beide zijdelingse perceelsgrenzen: 3 meter;

2. bij twee-aaneen gebouwde woningen en de hoekpercelen van aaneengebouwde woningen tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen: 3 meter. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - afstand tot zijdelingse perceelsgrens (m) meter' geldt die betreffende afstand;

3. indien de bestaande afstand van de hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens minder bedraagt dan 3 meter, dan mag deze afstand - over de hele diepte van hoofdgebouwen zoals toegestaan in lid h - worden aangehouden;

j. met betrekking tot bouwen in - en achter de gevellijn geldt het volgende:

1. ter plaatse van de gevellijn dient de voorgevel van de hoofdgebouwen in de gevellijn of tot maximaal 3 meter achter de gevellijn te worden gebouwd;

2. ter plaatse van de gevellijn bij de aanduiding rug-aan-rugwoningen dient de voorgevel van de hoofdgebouwen in de gevellijn of tot maximaal 4 meter achter de gevellijn te worden gebouwd.

k. de maximale goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer dan 7 meter respectievelijk 11 meter bedragen;

l. in afwijking van k geldt ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' of 'maximale goothoogte (m) - maximale bouwhoogte (m)' een andere maatvoering;

m. de maximale goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste 3,3 meter respectievelijk 6 meter bedragen;

n. in afwijking van m geldt ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte bijbehorende bouwwerken (m) de zelfde goothoogte, maar een afwijkende bouwhoogte."

Artikel 11.1 luidt:

"Het bevoegd gezag kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten behoeve van:

a. het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van geringe afmetingen ten dienste van het openbaar nut met een oppervlakte van maximaal 15 m² en een bouwhoogte van maximaal 3,50 m;

b. geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Hierbij zijn verschuivingen van de bestemmingsgrens met maximaal 5 meter toelaatbaar;

c. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 meter bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot."

Artikel 11.2 luidt:

"Bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in lid 11.1 kan het bevoegd gezag schriftelijk advies inwinnen bij een stedenbouwkundige."

Artikel 12 luidt:

"Parkeerregeling

Tenzij in hoofdstuk 2 expliciet is voorzien in een andere regel ten aanzien van de aanwezigheid van voldoende parkeergelegenheid, geldt de volgende regeling:

a. bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of afwijken dient tenminste voldaan te worden aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen, zoals opgenomen in het 'Beleidsplan Verkeer en Vervoer Gemeente Drimmelen 2018-2028' zoals bijgevoegd als Bijlage 1;

b. parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden;

c. indien het 'Beleidsplan Verkeer en Vervoer Gemeente Drimmelen 2018-2028' als bedoeld onder sub a. gedurende de planperiode van dit bestemmingsplan wordt gewijzigd, wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning rekening gehouden met die wijziging."

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?