ECLI:NL:RVS:2026:209

ECLI:NL:RVS:2026:209, Raad van State, 14-01-2026, 202405030/1/R4

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer 202405030/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 1 juli 2024 heeft de raad van de gemeente Elburg het bestemmingsplan "Kruisweg 18 te Elburg" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de bouwmogelijkheid voor tien appartementen en vijf grondgebonden rijwoningen op een plek aan de Kruisweg waar een autoverkoopbedrijf was gevestigd. [appellant] woont aan de [locatie] naast het plangebied. Hij komt op tegen het bestemmingsplan vanwege de gevolgen van het appartementengebouw voor zijn woonsituatie. Dat gebouw komt aan de zijkant van zijn woning en naast de zijtuin. [partij] is de initiatiefnemer van de woningbouwontwikkeling. Het appartementengebouw leidt volgens [appellant] vooral door de hoogte tot onrechtmatige hinder. Er had voor ten minste twee appartementen minder gekozen moeten worden. Het zonneonderzoek is volgens hem niet goed uitgevoerd. De raad heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom is gekozen voor de lichte TNO-norm. Daarbij is het verlies aan bezonning van de tuin, dat op momenten in het voor- en najaar 70-90% zal bedragen, niet beoordeeld.

Uitspraak

202405030/1/R4.

Datum uitspraak: 14 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Elburg,

appellant,

en

de raad van de gemeente Elburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Kruisweg 18 te Elburg" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 november 2025, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. L.F. Miltenburg, advocaat in Arnhem, en A.P. Veenstra-Bakker, zijn verschenen. Verder is daar [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 21 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het bestemmingsplan voorziet in de bouwmogelijkheid voor tien appartementen en vijf grondgebonden rijwoningen op een plek aan de Kruisweg waar een autoverkoopbedrijf was gevestigd. [appellant] woont aan de [locatie] naast het plangebied. Hij komt op tegen het bestemmingsplan vanwege de gevolgen van het appartementengebouw voor zijn woonsituatie. Dat gebouw komt aan de zijkant van zijn woning en naast de zijtuin. [partij] is de initiatiefnemer van de woningbouwontwikkeling.

Hoe toetst de Afdeling?

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Chw

4. [appellant] betoogt dat de Chw niet van toepassing is op deze zaak omdat de raad dit niet heeft vermeld bij de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Daarbij wijst hij op de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1129. De brief van de Afdeling van 27 november 2024, waarin staat dat het procesrecht uit hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is en dat tot en met 18 december 2024 nieuwe beroepsgronden kunnen worden ingediend, staat volgens hem haaks op die uitspraak.

4.1. De toepasselijkheid van de Chw volgt rechtstreeks uit de wet. Het bestemmingsplan voorziet in vijftien woningen. Dat de planontwikkeling in eerste instantie op tien woningen zag, zoals [appellant] stelt, is niet relevant omdat het gaat om het aantal woningen waarin het bestemmingsplan voorziet. Afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw is in dit geval van toepassing omdat het bestemmingsplan meer dan elf woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk maakt, als bedoeld in bijlage I, onderdeel 3.1. De omstandigheid dat de raad in de bekendmaking niet overeenkomstig artikel 11 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet heeft gehandeld, maakt dat niet anders. Dit laatste is wel van belang voor de vraag of na de beroepstermijn nog nieuwe beroepsgronden kunnen worden ingediend. De brief van 27 november 2024 is niet strijdig met de uitspraak van 22 april 2020. Uit die uitspraak volgt namelijk ook dat het niet indienen van beroepsgronden binnen de beroepstermijn wel kan worden tegengeworpen indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Met de brief van 27 november 2024 was [appellant] daarvan op de hoogte. De Afdeling stelt daarbij vast dat [appellant] na 18 december 2024 geen nieuwe beroepsgronden heeft ingediend, zodat dit punt voor hem ook geen verdere gevolgen heeft.

Het betoog slaagt niet.

Procedurele beroepsgronden

5. [appellant] betoogt dat de raad partijdig is omdat de raad erop is gericht zoveel mogelijk opbrengst uit hoofde van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet Woz) te behalen. Ook voert hij aan dat het raadsbesluit niet unaniem is genomen. Een amendement voor een lagere bouwhoogte en daarmee twee appartementen minder kreeg onvoldoende steun. Verder voert hij aan dat het besluit in strijd met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is genomen omdat de initiatiefnemer al voor de aankoop van de gronden contact met de gemeente heeft gehad. Tot slot heeft de raad volgens [appellant] vanwege de mogelijke vondst van drugs in het gebouw in het plangebied ten onrechte geen toepassing gegeven aan de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob).

5.1. [appellant] heeft geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat het bestemmingsplan erop is gericht zoveel mogelijk opbrengsten uit hoofde van de Wet Woz te behalen. De raad moet voor een bestemmingsplan een ruimtelijke afweging maken. Dat heeft de raad gedaan. De waardevaststelling in het kader van de Wet Woz is niet relevant bij het toekennen van een bestemming in het belang van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling zal de door de raad gemaakte ruimtelijke afweging hierna aan de hand van de inhoudelijke beroepsgronden beoordelen.

Dat de raad het besluit van 1 juli 2024 slechts in meerderheid, derhalve niet unaniem, heeft genomen, is niet relevant voor de geldigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Een meerderheid volstaat. Evenmin is een door een raadsfractie ingediend amendement van belang. Dat amendement is, zo volgt uit informatie op de gemeentelijke website, bovendien ingetrokken.

Verder maakt de omstandigheid dat de initiatiefnemer al in een vroeg stadium contact met de gemeente had, wat gebruikelijk is bij dit soort ontwikkelingen, niet dat de raad heeft gehandeld in strijd met het verbod op vooringenomenheid. [appellant] heeft daar ook geen concrete aanwijzingen voor gegeven.

Ten slotte is de Wet Bibob niet van toepassing op een ambtshalve besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan. Het beroep van [appellant] op deze wet kan al daarom niet leiden tot een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2991, onder 7 en 7.1.

De betogen slagen niet.

Woon- en leefklimaat

6. Het appartementengebouw leidt volgens [appellant] vooral door de hoogte tot onrechtmatige hinder. Er had voor ten minste twee appartementen minder gekozen moeten worden. Het zonneonderzoek is volgens hem niet goed uitgevoerd. De raad heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom is gekozen voor de lichte TNO-norm. Daarbij is het verlies aan bezonning van de tuin, dat op momenten in het voor- en najaar 70-90% zal bedragen, niet beoordeeld.

6.1. De afstand van het bouwvlak voor de appartementen tot de zijkant van de woning van [appellant] is ongeveer 25 m. Daartussen ligt de zijtuin. De afstand van het bouwvlak tot de zijtuin is ongeveer 10 m. De woning en zijtuin liggen ten oosten van het voorziene appartementengebouw. De gevolgen voor de bezonning zullen zich daarom kunnen voordoen als de zon in het westen staat. De maximumbouwhoogte voor de appartementen is 12,65 m. De bovenste bouwlaag moet terugliggend worden gebouwd, met een maximumoppervlak van 60% van het bouwvlak.

6.2. De Afdeling overweegt dat er voor de bezonning van woningen geen wettelijke normen bestaan. Dit neemt niet weg dat in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging dient plaats te vinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor de gevolgen van de bezonning op woningen hanteert de raad als uitgangpunt de lichte TNO-norm. De lichte TNO-norm houdt in twee bezonningsuren per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. De raad hoefde de toepassing van de lichte TNO-norm, in het licht van het bestaan van de strenge TNO-norm van drie bezonningsuren in de periode van 21 januari tot en met 22 november, niet nader te motiveren. Toepassing van de lichte TNO-norm in een stedelijke omgeving is niet ongebruikelijk. De raad is niet verplicht om de strenge norm te hanteren, omdat het geen wettelijk verplichte norm is. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:292.

Ten behoeve van de ontwikkeling heeft de initiatiefnemer twee bezonningsstudies laten uitvoeren. De eerste bezonningsstudie van Vinke Architecten is van 18 oktober 2023 en is daarmee uitgevoerd voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan. Deze studie is met onder meer [appellant] gedeeld. De studie ziet op de bezonningssituatie op twee momenten in het jaar (1 januari en 1 juli). Naar aanleiding van de zienswijzen heeft de initiatiefnemer een tweede bezonningsstudie laten uitvoeren om te bepalen welke effecten het appartementengebouw heeft op de bestaande bebouwing in de omgeving, waaronder de woning van [appellant], op zes momenten in het jaar (19 februari, 21 maart, 21 juni, 21 september, 21 oktober en 21 december) met verschillende tijdstippen. Deze bezonningsstudie van Zonnestudie.nl van 27 februari 2024 is ook met onder meer [appellant] gedeeld.

Uit de tweede bezonningsstudie volgt dat, uitgaande van de maximale bouwmogelijkheden, de bezonning op de meetpunten in de nieuwe situatie meer dan twee uur bedraagt in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober, zodat wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. [appellant] heeft hier niets naders tegen ingebracht. De raad heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat sprake blijft van een aanvaardbare bezonningssituatie in de woning van [appellant].

Voor zover het de gevolgen van het appartementengebouw voor de bezonning van de tuin betreft, volgt uit de zienswijzenota en bevestigt de raad in het verweerschrift dat hij de bezonningssituatie van de tuin bij het nemen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan heeft betrokken. Uit de bezonningsstudies blijkt dat er in de tuin van [appellant] als gevolg van het appartementengebouw in het voor- en najaar schaduwwerking optreedt. Het gaat hier om een toename van schaduw in een deel van de tuin vanaf het einde van de middag/begin van de avond gedurende ongeveer 1,5 tot 2,5 uur per dag. De rest van de dag is er wel voldoende zon(licht)toetreding en in de zomermaanden blijft de tuin van [appellant] (grotendeels) gevrijwaard van schaduw door het appartementengebouw. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich hiermee op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan ook niet leidt tot een onaanvaardbare toename van schaduwhinder in de tuin van [appellant].

De komst van het appartementengebouw heeft gevolgen voor de woonsituatie van [appellant]. Hiervoor is al overwogen dat de gevolgen voor de bezonning niet onaanvaardbaar zijn. Er zullen ook gevolgen zijn voor zijn uitzicht en privacy. Ook die gevolgen heeft de raad niet onaanvaardbaar hoeven achten. Daarbij acht de Afdeling van belang dat er een ruime afstand tussen de woning en het appartementengebouw is aangehouden en dat [appellant] geen recht op een ongewijzigd uitzicht toekomt. De raad heeft het woningbouwbelang zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van [appellant]. De raad heeft geen aanleiding hoeven zien om één bouwlaag dan wel twee appartementen minder mogelijk te maken.

Het betoog slaagt niet.

Molenbiotoop

7. [appellant] betoogt dat de ruwheidsfactor voor de molenbiotoop van molen De Tijd niet goed is berekend. Ten onrechte is de lichtste factor van 50 toegepast. Het had 75 moeten zijn. Ook is de afstand volgens hem verkeerd berekend. De bebouwing is dan ook strijdig met de molenbiotoop.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat deze beroepsgrond, gelet op het relativiteitsvereiste, buiten bespreking kan blijven.

7.2. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

7.3. In het bestemmingsplan is een regeling ter bescherming van het belang van molen De Tijd opgenomen. Daartoe is aan het plangebied in de verbeelding, zoals voor het plangebied ook al het geval was in het vorige bestemmingsplan "Elburg en Oostendorp", de gebiedsaanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" toegekend. Artikel 7.1 van de planregels ziet op de bescherming van de vrije windvang voor de molen. [appellant] is geen eigenaar of exploitant van de molen en de donatie aan de stichting die opkomt voor het behoud van de molen, geeft hem ook niet zo’n positie. Derhalve strekt de regeling in zoverre kennelijk niet tot bescherming van het belang van [appellant]. Artikel 7.1 ziet tevens op het zicht op de molen en daarmee ook op de belangen van de directe omwonenden van de molen. De afstand van de woning van [appellant] tot de molen, gelegen aan de Zuiderzeestraatweg Oost 18, is ongeveer 380 m. Op de zitting heeft [appellant] gesteld dat hij vanuit zijn zolderraam de bovenkant van de wieken kan zien. Dat is naar het oordeel van de Afdeling ontoereikend om aan te nemen dat de molen deel uitmaakt van de woon- en leefomgeving van [appellant]. Derhalve strekt de regeling ook in zoverre kennelijk niet tot bescherming van het belang van [appellant]. Gelet hierop, staat het relativiteitsvereiste eraan in de weg dat de beroepsgrond over de molenbiotoop leidt tot een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Vergelijk ook de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1581, en 17 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1412. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond.

Vleermuizen

8. [appellant] betoogt dat het onderzoek naar vleermuizen niet deugt. Er is aan voorbijgegaan dat op 115 m afstand van het plangebied vleermuiskasten aan woningen zijn aangebracht.

8.1. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

8.2. Als bijlage 7 is de ‘Quickscan Flora en Fauna, Kruisweg 18 te Elburg’ van Lycens van 24 november 2022 bij de plantoelichting gevoegd. Uit deze quickscan volgt dat het plangebied is onderzocht op de aanwezigheid van onder meer beschermde dieren en andere beschermde functies zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen. De gebouwen zijn beoordeeld op de geschiktheid als verblijfplaats. Daarbij is gekeken naar potentiële verblijfplaatsen in en aan de gebouwen. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het onderzoeksgebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Het gebied wordt mogelijk wel als foerageergebied gebruikt, maar het is, gelet op de inrichting, het beheer en de kleine oppervlakte, geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Het onderzoeksgebied vormt geen schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Lycens concludeert daarom, waar de raad zich bij heeft aangesloten, dat door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten geen vleermuis wordt verstoord of gedood, geen vaste rust- of voortplantingsplaats wordt beschadigd of vernield en geen essentieel foerageergebied of vliegroute wordt aangetast. Er hoeft geen ontheffing van de wettelijke verbodsbepalingen te worden aangevraagd.

8.3. Met de enkele stelling dat op 115 m afstand van het plangebied aan 51 woningen aan de Backerskamp, Biesenkamp en Rijsaert vleermuiskasten zijn opgehangen, onderbouwt [appellant] niet dat het onderzoek van Lycens naar vleermuizen ondeugdelijk of ontoereikend is geweest. Uit dat onderzoek komt juist naar voren dat niet is uitgesloten dat vleermuizen in het onderzoeksgebied (het plangebied) foerageren, al is het geen essentieel foerageergebied. [appellant] heeft tegen die conclusie verder niets ingebracht. Het rapport is dan ook niet tegenstrijdig met de aan de genoemde woningen opgehangen vleermuiskasten, nog daargelaten de vraag naar de feitelijke aanwezigheid van vleermuizen bij die woningen. De raad heeft zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.

Het betoog slaagt niet.

Planschade en waardevermindering woning

9. [appellant] voert aan dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan waardevermindering van zijn woning tot gevolg heeft. De ontwikkeling heeft er al toe geleid dat niemand zijn woning wil kopen. Hij betoogt dat ten onrechte niet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan een planschaderisicoanalyse is gemaakt. Hierdoor is niet tijdig duidelijk of de door hem te lijden planschade vergoed kan worden. De raad heeft volgens hem daarom gehandeld in strijd met artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Op de zitting heeft [appellant] hiervoor een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van 21 mei 2019, C-235/17, Commissie/Hongarije, ECLI:EU:C:2019:432. Uit het arrest kan volgens [appellant] ook worden afgeleid dat de planschaderegeling in artikel 6.1 van de Wro strijdig is met artikel 17 van het Handvest, dit omdat voor de behandeling van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade een fors recht moet worden betaald. [appellant] verzoekt de Afdeling het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen.

9.1. Artikel 17 van het Handvest heeft als opschrift "Het recht op eigendom". In het eerste lid is bepaald dat eenieder het recht heeft de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.

9.2. De zaak die nu voorligt, gaat niet om de mogelijkheid om een aanvraag om tegemoetkoming in planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro in te dienen, wat binnen het omgevingsrecht kan zodra het bestemmingsplan in rechte vaststaat. De vraag of de planschadeprocedure strijdig is met artikel 17 van het Handvest hoeft al daarom niet te worden beantwoord.

Voor zover [appellant] betoogt dat de raad, door bij de planvaststelling een planschaderisicoanalyse achterwege te laten, artikel 17 van het Handvest heeft geschonden, kan dit niet slagen. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van het Handvest zijn de bepalingen van dat Handvest slechts gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. De raad heeft bij het vaststellen van het bestemmingsplan niet het recht van de Unie ten uitvoer gebracht of anderszins bij dit recht aangeknoopt. Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4472, onder 5.3, en het arrest van het Hof van 6 maart 2014, C-206/13, Cruciano Siragusa, punten 20, 21, 24, 25, 26 en 29, ECLI:EU:C:2014:126. Derhalve valt deze zaak niet binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest en kan daarom geen sprake zijn van strijdigheid met artikel 17 van het Handvest. De Afdeling ziet al hierom geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.

[appellant] beroept zich bovendien ten onrechte op het arrest van het Hof van 21 mei 2019. Die zaak is anders dan deze bestemmingsplanzaak. Voor [appellant] gaat het om gestelde indirecte schade (planschade als gevolg van een planologische ontwikkeling op gronden van derden). Hem worden geen rechten ontnomen. Het arrest gaat daarentegen over nationale Hongaarse wetgeving inzake het van rechtswege schrappen van rechten van vruchtgebruik op landbouw- en bouwbouwgrond uit het grondregister. Daarmee is naar het oordeel van het Hof (punt 86) sprake van de ontneming van eigendom van de rechten van vruchtgebruik in de zin van artikel 17, eerste lid, van het Handvest.

Verder is van belang dat met een planschaderisicoanalyse wordt beoogd in een vroegtijdig stadium de eventuele financiële consequenties van de desbetreffende planologische maatregel in kaart te brengen. Dit instrument is, anders dan [appellant] kennelijk meent, niet bedoeld om voorafgaand aan het nemen van die maatregel vast te stellen of daadwerkelijk aanleiding bestaat voor het toekennen van tegemoetkomingen in planschade aan omwonenden van het plangebied. De Afdeling ziet, mede gelet op de beperkte omvang van de planontwikkeling, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval niet van het vooraf maken van een planschaderisicoanalyse heeft mogen afzien.

Het betoog slaagt niet.

Verwijzing naar zienswijze

10. [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de zienswijzenota is de raad ingegaan op die zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond.

12. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Knol

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bechinka

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026

371

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Bechinka

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?