202600211/1/A2.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van Hogeschool Inholland,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 10 oktober 2025 heeft de examencommissie Recht en Veiligheid het door [appellante] ingeleverde Plan van Aanpak -PvA 1419LB411A- ongeldig verklaard, haar uitgesloten van deelname aan toetsen gedurende twee periodes en aan het college van bestuur een voordracht tot uitschrijving gedaan wegens fraude.
Bij beslissing van 24 november 2025 heeft het CBE het door [appellante] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
Het CBE en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 maart 2026, waar [appellante], vergezeld door haar zus, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. S. van Bekkum, zijn verschenen. Verder is op zitting namens de examencommissie mr. J.C. Duivenvoorden gehoord.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellante] studeert HBO-rechten aan de Hogeschool Inholland. In mei 2025 moest zij als onderdeel van haar afstudeerprogramma een Plan van Aanpak inleveren. Bij de beoordeling constateerde de examinator onduidelijkheden in de bronvermelding. Hij heeft [appellante] om een toelichting gevraagd. Na ontvangst daarvan, zag de examinator aanleiding om een vermoeden van fraude te melden bij de examencommissie. Die heeft geconcludeerd dat er voldoende grond is om vast te stellen dat er sprake is van fraude. [appellante] heeft in haar Plan van Aanpak namelijk gebruik gemaakt van bronnen die niet bestaan of wel bestaan, maar een andere inhoud hebben dan in de tekst opgenomen. Het ging hierbij om 11 fouten in de bronvermeldingen. Als sanctie heeft de examencommissie het Plan van Aanpak ongeldig verklaard. Omdat dit de derde keer was dat [appellante] een sanctie wegens fraude werd opgelegd, heeft de examencommissie haar als aanvullende sanctie uitgesloten van toetsen gedurende twee periodes in studiejaar 2025-2026. Ook heeft de examencommissie medegedeeld dat zij voornemens is om aan het college van bestuur een voordracht te doen om de inschrijving van [appellante] te beëindigen.
De bestreden beslissing
3. Het CBE heeft het administratief beroep ongegrond verklaard. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat de aangehaalde literatuurbronnen inderdaad niet vindbaar zijn, dan wel niet bestaan, en dat de genoemde jurisprudentie verwijst naar óf niet gepubliceerde uitspraken óf uitspraken die over andere onderwerpen gaan. Hierdoor is het (geheel of gedeeltelijk) onmogelijk om een juist oordeel te geven over de kennis, het inzicht en vaardigheden van [appellante]. Op grond van artikel 140, eerste lid, aanhef en onder e, van de Onderwijs- en Examenregeling B HBO-rechten 2024-2025 (OER) is dat fraude. Bij de vaststelling van de ernst van de fraude en de daarbij behorende sancties is gebruik gemaakt van de sanctieladder van de examencommissie. De examencommissie heeft de fraude terecht als ernstig aangemerkt, omdat het Plan van Aanpak onderdeel is van het afstudeerprogramma. Bovendien gaat het om herhaalde fraude. Met de door [appellante] aangevoerde persoonlijke omstandigheden is rekening gehouden doordat in plaats van uitsluiting voor vier periodes, gekozen is voor uitsluiting voor twee periodes. Dat is op basis van de sanctieladder de minst zware sanctie die opgelegd kon worden in dit geval.
De ontvankelijkheid van het beroep
4. Vast staat dat [appellante] zich inmiddels heeft uitgeschreven van de opleiding. Maar zij wijst erop dat deze fraudebeslissing haar eer en goede naam aantast. Ook wil zij op enig moment graag proberen de opleiding alsnog af te ronden.
4.1. Niet is uit te sluiten dat degene die van fraude wordt beschuldigd in zijn eer en goede naam is aangetast. De Afdeling is daarom van oordeel dat [appellante] belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep (zie de uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2889, onder 5).
Gronden van beroep en de beoordeling daarvan
Zorgvuldigheid bij de vaststelling van fraude
5. [appellante] betoogt dat de procedure niet zorgvuldig is verlopen. Dit begon bij de examinator die de melding heeft gedaan. Hij heeft een eerdere, versie van deze literatuurlijst goedgekeurd zonder opmerkingen. Vervolgens is de procedure uit artikel 142 van de OER niet zorgvuldig doorlopen. Zo heeft de examinator niet meteen gezegd dat hij haar ergens van verdacht.
5.1. Anders dan [appellante] betoogt, mag een examinator in iedere fase van een beoordeling de inhoud en juistheid van de bronnen onderzoeken, ook als hij bij een eerder ingeleverde versie niets over de juistheid van de bronnen heeft opgemerkt. De examinator heeft bij het beoordelen van het Plan van Aanpak geconstateerd dat een deel van de bronnen waar [appellante] naar verwees niet bestaat, dan wel bestaat, maar dat de inhoud ervan niet overeenstemt met wat zij in haar tekst daarover had opgenomen. De examinator heeft voorafgaand aan het doen van de fraudemelding bij de examencommissie [appellante] de gelegenheid gegeven haar fout te herstellen door alsnog de juiste bronnen over te leggen of een duidelijke verklaring voor het onjuiste bronnengebruik te geven. [appellante] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt, maar in plaats daarvan een toelichting op de voetnoten gestuurd die bestond uit een document met stukken tekst uit nieuwe bronnen. Daarna heeft de examinator alsnog melding gemaakt bij de examencommissie van het vermoeden van fraude. De examencommissie is na deze melding een onderzoek gestart, heeft [appellante] hierover geïnformeerd en heeft haar gehoord. Hiermee is de door artikel 142 van de OER voorgeschreven procedure doorlopen. Anders dan [appellante] stelt, is het aan de examencommissie en niet de examinator om aan haar te melden dat sprake is van een vermoeden van fraude en dat er onderzoek werd gedaan. Overigens heeft de examinator per e-mail op 25 juli 2025 aan [appellante] laten weten dat hij een melding van fraude moest maken bij de examencommissie.
6. [appellante] betoogt dat de grondslag van de beschuldiging is veranderd. De examencommissie verweet haar enkel het gebruik van kunstmatige intelligentie. Later is dit volgens haar veranderd in het gebruik van onjuiste dan wel niet vindbare bronnen. Dat kan volgens [appellante] niet zonder dat opnieuw de hele besluitvormingsprocedure zou worden doorlopen met een nieuwe hoorzitting.
6.1. De grondslag voor de beslissing is artikel 140, onder e, van de OER. In die bepaling staat ‘e. gebruik wordt gemaakt van teksten, redeneringen, gegevens of ideeën van anderen, tekstgeneratoren of hulpmiddelen al dan niet gebaseerd op AI-software, gebruikt of overneemt zonder de bron daarvan compleet en goed te vermelden (plagiaat).’ Voor de vaststelling van de fraude is dus niet doorslaggevend wat de herkomst van de bron is en dus ook niet of gebruik is gemaakt van kunstmatige intelligentie. De tekst die opgenomen was in het Plan van Aanpak had een veelvoud aan voetnoten die niet overeenstemden met de inhoud van de tekst. Omdat de grondslag van de beschuldiging steeds dezelfde is gebleven, is van een wijziging geen sprake geweest.
Vaststelling van de (ernstige) fraude
7. Volgens [appellante] heeft de examencommissie bij de vaststelling van de fraude onvoldoende onderzocht hoe de 11 fouten in de bronnen zijn ontstaan. Daarmee is de beslissing niet zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Zij was tijdens het opstellen overbelast door persoonlijke omstandigheden, waardoor zij fouten heeft gemaakt bij het verwerken van de bronnen. Volgens haar vereist artikel 140 van de OER dat er een daadwerkelijke, verwijtbare, gedraging is, maar ontbreekt in de beslissing een gedragsgerichte onderbouwing. Daarbij geldt volgens [appellante] de bewijsmaatstaf dat de examencommissie moet aantonen dat zij opzettelijk heeft gehandeld en niet dat haar uitleg niet aannemelijk is.
7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is niet iedere onjuiste bronvermelding aan te merken als fraude. Bij het onjuist of onvolledig vermelden van bronnen zijn de omvang en de ernst van de onjuiste bronvermelding van belang (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5878, onder 3.2).
7.2. Uit de melding van de examinator blijkt dat de inhoud van 11 van de door [appellante] gebruikte 21 bronnen niet overeenstemt met wat zij daarover in haar Plan van Aanpak heeft opgenomen. Hoewel door de examinator in de gelegenheid gesteld dit te herstellen, bleek zij daartoe niet in staat. In plaats van alsnog een lijst met de juiste bronnen, dan wel de door haar gebruikte bestanden, te sturen, stuurde zij een toelichting op de voetnoten die bestond uit een document met stukken tekst uit nieuwe bronnen. Gelet op het ontbreken van een plausibele uitleg en de omvang en de ernst van de onjuiste bronverwijzing heeft het CBE zich terecht op het standpunt gesteld dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat [appellante] fraude heeft gepleegd. In tegenstelling tot wat [appellante] betoogt, is het aantonen van opzet daarbij niet vereist; voldoende is dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat een student heeft gefraudeerd (zie de uitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1831, onder 11.3).
8. Volgens [appellante] heeft het CBE de examencommissie ten onrechte gevolgd in het standpunt dat sprake is van ernstige fraude. Een Plan van Aanpak is namelijk niet hetzelfde als een scriptie en dat is een voorwaarde om fraude als ernstig aan te merken. Ook worden oude incidenten, die niet op waarheid berusten, erbij betrokken. Dit heeft verstrekkende gevolgen, omdat daardoor sprake is van herhaalde fraude, die ook als ernstig kan worden aangemerkt.
8.1. In artikel 140, tweede lid, onder i, van de OER staat dat fraude als ernstig kan worden aangemerkt als de fraude in een onderdeel van het afstudeerprogramma voorkomt. Uit artikel 36 van de OER volgt dat het Plan van Aanpak deel uitmaakt van het afstudeerprogramma. Dit is al voldoende om de fraude als ernstig aan te merken, ook als geen sprake zou zijn geweest van eerdere sancties wegens fraude.
De opgelegde sanctie
9. [appellante] betoogt dat in dit geval ten onrechte de sanctie alleen gebaseerd is op de sanctieladder van de examencommissie. Zo’n sanctieladder is wellicht toegestaan als beleidsmaatregel, maar het is niet juist dat zowel de examencommissie als het CBE die als automatisme toepassen, zonder blijk te geven van een op haar toegesneden beslissing. De examencommissie en het CBE hebben in hun beslissingen opgenomen dat de persoonlijke omstandigheden in beginsel geen rol spelen, maar dat zij wel zijn meegewogen. Dit spreekt elkaar tegen en daarom geven die beslissingen geen blijk van een evenredigheidsoordeel. Doordat zij al enige tijd met deze studie bezig is, wegen de gevolgen voor haar extra zwaar. Dit had ook bij de evenredigheidstoetsing moeten worden meegewogen. Ook ziet [appellante] in het feit dat het college van bestuur nog niet op de voordracht heeft beslist ondersteuning voor haar standpunt dat ook het college van bestuur twijfelt aan de proportionaliteit.
9.1. De Afdeling volgt de stelling van het CBE dat bij de vraag of is gefraudeerd geen rekening gehouden hoeft te worden met eventuele persoonlijke omstandigheden. Bij de keuze voor een sanctie moet echter wel een evenredigheidsbeoordeling worden gemaakt; in dat kader moeten ook eventuele persoonlijke omstandigheden kenbaar worden betrokken.
9.2. De examencommissie maakt bij de keuze voor een sanctie gebruik van een sanctieladder. Die sanctieladder kent een oplopende schaal en gaat bij fraude in afstudeerproduct en/of bij herhaalde fraude uit van een steeds zwaardere sanctie. Zoals hiervoor overwogen, zijn voor de vraag of sprake is van ernstige fraude de incidenten waarvoor [appellante] eerder is gesanctioneerd niet noodzakelijk. Voor de vraag welke sanctie kon worden opgelegd op basis van de sanctieladder mochten deze incidenten wel worden betrokken. Hoewel uit de stukken en wat ter zitting is besproken, duidelijk is dat [appellante] het niet eens is met de sanctionering van de eerdere incidenten, staat vast dat die sancties zijn opgelegd. [appellante] is destijds niet tegen die beslissingen in (administratief) beroep gekomen.
9.3. De sanctieladder stelt als sanctie voor fraude voor de derde keer gedurende de gehele studie: de ongeldigverklaring van de betreffende kans van het afstudeerproduct, de uitsluiting van de student van deelname aan alle kansen voor twee tot vier toetsperioden van alle nog te behalen studie-onderdelen en het doen van een voordracht door de examencommissie tot beëindiging van de inschrijving. Het CBE stelt dat bij het opleggen van de sanctie wel degelijk rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [appellante] doordat is gekozen voor een uitsluiting voor twee in plaats van vier perioden.
9.4. De Afdeling stelt vast dat de matiging van de uitsluiting voor twee in plaats van voor vier periodes moeilijk is te rijmen met de keuze om vervolgens wel een voordracht tot beëindiging van de inschrijving te doen. Dat maakt de gestelde matiging feitelijk zonder betekenis. Als het college van bestuur de voordracht volgt, is het gevolg daarvan immers dat [appellante] de opleiding niet kan vervolgen en dus niet kan afronden. Uit de beslissing van het CBE noch die van de examencommissie volgt waarom bij de keuze voor matiging van een sanctie, toch een eventuele beëindiging van de inschrijving evenredig wordt geacht. Het CBE heeft niet onderkend dat de beslissing van de examencommissie op dit punt een motiveringsgebrek bevat en in zoverre moet worden vernietigd.
Procedurele gebreken in het administratief beroep
10. Tot slot betoogt [appellante] dat ook de procedure bij het CBE niet goed is verlopen. Na de zitting heeft zij om een verslag gevraagd en toen is haar gezegd dat er geen afzonderlijk verslag is. Hierdoor heeft zij geen eerlijk proces gehad en kan zij de besluitvorming niet controleren.
10.1. Het CBE heeft in het verweerschrift en op zitting toegelicht dat de verslaglegging is opgenomen in de beslissing op het administratief beroep. De wet schrijft immers niet voor dat er een apart verslag van de zitting moet worden gemaakt. Het CBE meent dat met deze wijze van verslaglegging kan worden volstaan.
10.2. In artikel 7:21 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) staat dat van het horen in administratief beroep een verslag wordt gemaakt. Het CBE stelt zich terecht op het standpunt dat de wet niet voorschrijft dat van een hoorzitting een apart verslag moet worden gemaakt. Het verslag van wat tijdens de hoorzitting is besproken mag dan ook onderdeel uitmaken van de beslissing van het CBE. Maar dat wil niet zeggen dat de wet geen eisen stelt aan de inhoud van de verslaglegging. Het ontbreken van een goed verslag van de hoorzitting beperkt de Afdeling namelijk ernstig in de mogelijkheden de (zorgvuldigheid van de) besluitvorming te toetsen.
10.3. Voor het horen in bezwaar is in artikel 7:7 van de Awb een met artikel 7:21 van die wet gelijkluidende bepaling opgenomen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling over dat artikel volgt dat het verslag minimaal op schrift moet staan (zie de uitspraak van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:679, onder 4.3). Het verslag moet minimaal een zakelijke weergave bevatten van wat op de zitting is besproken (zie de uitspraak van 22 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN7919, onder 2.5.1). Het is onvoldoende als het verslag alleen bestaat uit een aanduiding van het onderwerp en vermelding van de aanwezigen (zie de uitspraak van 12 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP0546, onder 2.2.1).
10.4. De Afdeling stelt vast dat in de beslissing van het CBE van 24 november 2025, wel is vermeld dat een hoorzitting heeft plaatsgevonden en wie daar zijn verschenen, maar uit de beslissing is niet op te maken wat er op die zitting besproken is. Daarmee voldoet de verslaglegging niet aan de hierboven genoemde minimale voorwaarden die gelden voorverslaglegging.
10.5. Dit gebrek leidt evenwel niet tot vernietiging van het besluit. Op de zitting bij de Afdeling is besproken welke inhoudelijke elementen ten onrechte niet in het verslag zijn opgenomen. [appellante] heeft op de zitting namelijk toegelicht dat zij het met name belangrijk vindt dat duidelijk is dat de examencommissie op de zitting van het CBE heeft verklaard dat zij niet onomstotelijk vast kon stellen dat [appellante] kunstmatige intelligentie had gebruikt. Gelet op wat is overwogen onder 6.1 heeft dit voor de uitkomst van de besluitvorming geen verschil gemaakt. Dit is aanleiding toepassing te geven aan artikel 6:22 van de Awb.
Conclusie
11. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de beslissing van het CBE 24 november 2025. De Afdeling voorziet zelf in de zaak door het administratief beroep gericht tegen de beslissing van de examencommissie van 10 oktober 2025 gegrond te verklaren en die beslissing te vernietigen, voor zover daarin is bepaald dat een voordracht tot beëindiging van de inschrijving bij het instellingsbestuur zal worden gedaan. Dit betekent dat de beslissing in stand blijft voor zover daarin het door [appellante] ingeleverde Plan van Aanpak ongeldig is verklaard en zij is uitgesloten van deelname aan toetsen gedurende twee periodes.
12. Het CBE moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van beroep voor de examens van Hogeschool Inholland van 24 november 2025, kenmerk 28320;
III. verklaart het administratief beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de examencommissie Recht en Veiligheid van 10 oktober 2025, kenmerk 548053 1, voor zover daarin is bepaald dat een voordracht tot beëindiging van de inschrijving van [appellante] bij het instellingsbestuur zal worden gedaan;
V. gelast dat het college van beroep voor de examens aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
284-1043
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.12b. Taken en bevoegdheden examencommissie
1. Naast de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 7.11 en 7.12, tweede lid, heeft een examencommissie de volgende taken en bevoegdheden:
a. het borgen van de kwaliteit van de tentamens en examens onverminderd artikel 7.12c,
b. het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen binnen het kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, om de uitslag van tentamens en examens te beoordelen en vast te stellen,
c .het door de meest daarvoor in aanmerking komende examencommissie verlenen van toestemming aan een student om een door die student samengesteld programma als bedoeld in artikel 7.3j te volgen, waarvan het examen leidt tot het verkrijgen van een graad, waarbij de examencommissie tevens aangeeft tot welke opleiding van de instelling dat programma wordt geacht te behoren voor de toepassing van deze wet,
d. het verlenen van vrijstelling voor het afleggen van één of meer tentamens, en
e. het borgen van de kwaliteit van de organisatie en de procedures rondom tentamens en examens.
2. Indien een student of extraneus fraudeert, kan de examencommissie de betrokkene het recht ontnemen één of meer door de examencommissie aan te wijzen tentamens of examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan het instellingsbestuur op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van de betrokkene definitief beëindigen.
Onderwijs- en Examenregeling HBO - Rechten 2024-2025
Artikel 140 (ernstige) fraude
1. Fraude is het handelen van een student of het nalaten daarvan, waardoor een juist oordeel over de kennis, het inzicht, de vaardigheden of de (beroeps)houding geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt. Het is onder meer, maar niet uitsluitend, fraude als de student:
a. tijdens de toets hulpmiddelen gebruikt die hij niet mag gebruiken;
b. afkijkt tijdens een toets;
c. binnen of buiten de toetsruimte informatie over de toets aan anderen geeft of van anderen krijgt;
d. antwoorden bij enquêtes of interviews of onderzoekgegevens verzint of vervalst;
e. teksten, redeneringen, gegevens of ideeën van anderen, tekstgeneratoren of hulpmiddelen al dan niet gebaseerd op AI-software, gebruikt of overneemt zonder de bron daarvan compleet en goed te vermelden (plagiaat).
2. Als ernstige fraude kan, onder meer maar niet uitsluitend, worden aangemerkt:
f. beoordelingen vervalsen, bijvoorbeeld door het werk bij de inzage te veranderen;
g. de toets (gedeeltelijk) door of voor een ander (laten) maken;
h. het valselijk opmaken en/of het vervalsen van een handtekening;
i. wanneer bovenstaande onder 1.d. en 1.e. voorkomen in een onderdeel van het afstudeerprogramma.
Herhaalde fraude kan ook worden aangemerkt als ernstige fraude.
Artikel 142 Procedure bij onregelmatigheden en het vermoeden van fraude
Melding bij examencommissie
De surveillant of examinator maakt melding in het protocol dat bij elke toets gemaakt wordt, indien voor, tijdens of na de toets -bijvoorbeeld bij het nakijken - onregelmatigheden geconstateerd zijn of fraude vermoed wordt.
Rechten en plichten student
De student kan worden gevraagd de documenten, data of voorwerpen te geven, die een rol konden spelen bij de - vermoedelijke -fraude. Als de student dat weigert, wordt dat op het protocol gemeld.
De student mag opmerkingen over de gebeurtenis op het protocol zetten. In dat geval mag de student een handtekening op het protocol zetten, maar is dat niet verplicht.
De surveillant of examinator geeft de examencommissie:
• het protocol;
• bewijsstukken als die er zijn;
• het werk dat de student heeft gemaakt, als dat nodig is.
Opschorten beoordeling
Zijn er onregelmatigheden of is er het vermoeden van fraude voordat het werk is nagekeken? Dan wordt het werk van de student niet beoordeeld totdat de examencommissie een besluit heeft genomen.
Horen
Voordat de examencommissie een besluit neemt, heeft de student het recht gehoord te worden. Daarvan wordt een verslag gemaakt.
Voordat het college van bestuur beslist over een voorstel om de student uit te schrijven, mag de student zijn verhaal doen.
Daarvan wordt een verslag gemaakt.
1.Besluitvorming
De examencommissie beslist binnen dertig werkdagen of sprake is van fraude op grond van:
• de schriftelijke stukken;
• en wat de student in zijn verhaal heeft verteld.
Als sprake is van fraude, beslist de examencommissie of sprake is van ernstige fraude.
Daarna besluit de examencommissie welke maatregelen worden genomen. De mogelijke maatregelen staan in artikel 143.
Artikel 143 Maatregelen bij fraude
Maatregelen bij fraude
Bij fraude neemt de examencommissie maatregelen die bij de fraude passen.
Dat kunnen alleen deze maatregelen zijn:
• De examencommissie bevestigt de maatregelen die de examinator of surveillant heeft genomen;
• De student krijgt een schriftelijke waarschuwing;
• De examencommissie verklaart de toets van de student ongeldig. In dat geval wordt het werk niet beoordeeld. Als het werk al wel beoordeeld is, wordt geen cijfer opgenomen in het Peoplesoft-studiesysteem. Als er al een cijfer in dat systeem staat, wordt dat verwijderd. In beide gevallen worden de letters ME (Maatregel Examencommissie) ingevoerd;
• De examencommissie besluit dat de student niet mag meedoen bij de eerstvolgende gelegenheid van dezelfde toets;
• De examencommissie besluit dat de student niet mag meedoen aan alle toetsen voor een periode die de examencommissie bepaalt. Die periode is niet langer dan een jaar.
Maatregelen bij ernstige fraude
Bij ernstige fraude of herhaling van fraude kan de examencommissie het college van bestuur voorstellen de inschrijving van de student voor de opleiding te beëindigen. Zij heeft daarover eerst overleg met de domeindirecteur.
Sanctieladder
Fraudebeleid in het afstudeerproces
Bij fraude/plagiaat in het afstudeerproduct (plan van aanpak /afstudeervoorstel, scriptie of beroepsproduct m.b.t. afstuderen):
[…]
Bij de 3e keer fraude (over gehele studie)
De examencommissie zal de betreffende kans van het afstudeerproduct ongeldig verklaren en de student uitsluiten van deelname aan alle kansen voor twee tot vier perioden ten aanzien van alle nog te behalen studie-onderdelen en een voordracht doen voor uitschrijving bij het College van Bestuur van hogeschool Inholland.
[…]