202401012/1/R4.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Amersfoort,
appellant,
en
de raad van de gemeente Amersfoort,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Hogeweg 170-176" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad heeft het verweerschrift aangevuld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door L. Hom MSc en mr. W. Verbeek, zijn verschenen. Verder is op de zitting Happy Duck B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 19 april 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de percelen Hogeweg 170, 172, 174 en 176 en een braakliggende bedrijfskavel ten westen van de Hogeweg 170 in Amersfoort.
De gemeente Amersfoort heeft de wens om op meerdere plekken gemengde stedelijke milieus te creëren, waar wonen, werken en voorzieningen samengaan. Aan de drie (burger)woningen aan de Hogeweg 170, 174 en 176 wordt de bestemming "Bedrijfswoning" toegekend om daar woon-werklocaties te faciliteren. Het perceel Hogeweg 172 heeft al de bestemming "Bedrijfswoning" en dit blijft ongewijzigd.
Daarnaast voorziet het bestemmingsplan in de oprichting van een autowasserij op het braakliggende terrein. Happy Duck B.V. is de beoogde exploitant. Ten behoeve van de autowasserij worden 24 doe-het-zelf autowasplaatsen en 12 doe-het-zelf autostofzuigplaatsen gerealiseerd. Op het terrein wordt ook een loods met technische ruimte, kantoor, kantine en opslag gerealiseerd. De bedrijfswoning aan de Hogeweg 170 wordt bij het bedrijf betrokken voor het beheer van de autowasserij.
Binnen het plangebied gelden de bestemmingsplannen "Bedrijventerreinen eo en snelwegen", "Entreegebied De Wieken Zuid", "Bestemmingsplan Veegplan B" en "Chw-bestemmingsplan Parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten-energie installaties met houtige biomassa en/of fossiele brandstoffen". Om de beoogde ontwikkelingen mogelijk te maken dienen die geldende bestemmingsplannen te worden herzien. Het bestemmingsplan voorziet hierin.
2.1. [appellant] woont aan de [locatie A], schuin tegenover de voorziene autowasserij. Schuin achter deze woning ligt de woning aan de [locatie B]. [appellant] is eigenaar en verhuurder van deze woning. [appellant] vreest met name voor aantasting van het woongenot vanwege licht- en geluidhinder door de realisatie van de autowasserij.
Wettelijk kader
3. De relevante bepalingen staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Intrekking beroepsgrond
5. Op de zitting heeft [appellant] de beroepsgrond dat hij vreest voor waardevermindering van de woningen als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan ingetrokken.
Belangenafweging
6. [appellant] betoogt dat de raad bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen zoals beschreven in zijn zienswijze. Hij wijst er in dit verband op dat in de zienswijzennota staat dat de dichtstbijzijnde woningen op 100 m afstand van het plangebied zijn gelegen. De woning van [appellant] aan de [locatie A] is echter op 31 m afstand gelegen van de voorziene autowasserij en de woning aan de [locatie B] op 45 m. Volgens [appellant] zijn deze woningen ten onrechte niet meegewogen in de belangenafweging die door de raad is verricht bij de vaststelling van het bestemmingsplan.
6.1. Volgens de raad is inderdaad en per abuis in de zienswijzennota opgenomen dat de afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde woningen 100 m is. Uit de plantoelichting volgt echter ook dat de raad bij de beoordeling van de vraag of bij de realisatie van de autowasserij voor de omliggende gevoelige functies kan worden voldaan aan een goed woon- en leefklimaat, de woning aan de [locatie A] heeft meegenomen. Daarbij is de raad uitgegaan van een afstand van 33 m van de autowasserij tot de [locatie A].
In paragraaf 4.4. van de plantoelichting heeft de raad getoetst aan de richtafstanden van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Een autowasserij valt onder milieucategorie 2 en hiervoor wordt in beginsel een richtafstand van 30 m aangehouden. In dit geval is echter sprake van een gemengd gebied, zodat de richtafstand met één stap verkleind mag worden. Dit komt neer op een richtafstand van 10 m. De woning van [appellant] ligt aanzienlijk verder weg, zodat volgens de raad sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Gelet op het voorgaande heeft de raad bij de afweging of de voorziene autowasserij passend is in de omgeving en of daarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening, rekening gehouden met de beide woningen en de belangen van [appellant]. Weliswaar gaat de raad ten aanzien van de afstand tussen de autowasserij en de [locatie A] uit van een 2 m langere afstand dan waar [appellant] van uitgaat, maar dit maakt de conclusie niet anders, nu de richtafstand ruim gehaald wordt. Daarnaast heeft de raad in zijn toets niet expliciet de woning aan de [locatie B] meegenomen, maar deze woning ligt achter de woning aan de [locatie A] en daarmee verder weg van de voorziene autowasserij, zodat de raad rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant] ten aanzien van zijn beide woningen.
Het betoog slaagt niet.
Detailhandel
7. [appellant] betoogt dat de te leveren diensten aan particulieren binnen de autowasserij kunnen worden aangemerkt als een vorm van detailhandel. Volgens hem volgt uit jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot verkooppunten voor motorbrandstoffen dat sprake is van het toevoegen van detailhandel in strijd met de bestemming "Bedrijventerrein". [appellant] wijst er verder op dat bovendien geen distributie planologisch onderzoek is uitgevoerd, zoals op grond van de gemeentelijke Nota Detailhandel 2021 is vereist. Hierdoor blijft de vraag of behoefte bestaat aan een autowasserij van deze omvang volgens [appellant] ten onrechte onbeantwoord.
7.1. In artikel 1.36 van de planregels wordt detailhandel gedefinieerd als het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
De kernactiviteit van een autowasserij is het schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat een autowasserij een dienst levert. Een autowasserij verkoopt of levert ter plaatse geen goederen, zoals motorbrandstoffen. Voor zover [appellant] verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot verkooppunten van motorbrandstoffen, is deze jurisprudentie alleen al daarom niet van toepassing op de onderhavige zaak. Omdat de autowasserij geen goederen verkoopt is toetsing aan de Nota Detailhandel 2021 niet aan de orde.
De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de autowasserij een vorm van detailhandel is.
De beroepsgrond slaagt niet.
Geluidhinder
8. [appellant] vreest voor geluidhinder vanwege de voorziene autowasserij, met name in de avond en nacht. De autowasserij zal namelijk dag en nacht geopend zijn. Volgens [appellant] is in het in opdracht van Happy Duck B.V. uitgevoerde akoestisch onderzoek van Event Acoustics van 28 juni 2021 ten onrechte geen rekening gehouden met omgevingslawaai. Uit de omgeving is al veel geluid afkomstig van nabijgelegen bedrijven en het verkeer dat hierop afkomt. Als voorbeeld noemt [appellant] motoren die hij kan horen optrekken als zij wegrijden bij het nabijgelegen tankstation.
8.1. De Afdeling stelt vast dat in het akoestisch onderzoek piekgeluiden van rijbewegingen en dichtslaande autoportieren zijn meegenomen. Ook de geluidbelasting op de woninggevels door indirect lawaai als gevolg van verkeer van en naar de openbare weg is meegerekend. Uit het onderzoek blijkt verder dat het plan, inclusief de piekgeluiden, aan de geldende langtijdgemiddelde en maximale grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer voldoen. Dat betekent dat op grond van het Activiteitenbesluit geen bezwaren bestaan voor de realisatie van de autowasserij op het perceel. Ook wordt voldaan aan de grenswaarde die volgt uit de Circulaire inzake Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting.
Naar het oordeel van de Afdeling is met het akoestisch onderzoek voldoende aangetoond dat de autowasserij niet voor onevenredige geluidsoverlast zorgt voor omwonenden. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de richtafstand voor het aspect geluid ruimschoots wordt gehaald.
Wat betreft de cumulatie van geluid acht de Afdeling van belang dat uit de omgeving al veel geluid afkomstig is. Op ongeveer 100 m afstand van de woningen van [appellant] is een bedrijventerrein gelegen en een rotonde die leidt naar een grotere autoweg. Op de zitting is echter geconstateerd dat verkeer bestemd voor het bedrijventerrein of de voorziene autowasserij niet langs de woningen van [appellant] rijdt, omdat de Hogeweg uitmondt in een busbaan. Het verkeer gaat juist via de rotonde aan de Wiekenweg de andere kant op. Dit is op ruime afstand van de woningen van [appellant]. De Afdeling ziet daarom niet dat het uit de omgeving afkomstige geluid zorgt voor een dusdanige cumulatie van geluid dat dit nader onderzocht had moeten worden.
Het betoog slaagt niet.
Lichthinder
9. [appellant] vreest verder voor lichthinder als gevolg van de autowasserij waardoor zijn woongenot negatief zal worden beïnvloed. [appellant] wijst erop dat de autowasserij een sterk verlicht buitenterrein krijgt dat 24 uur per dag en zeven dagen per week in gebruik is. [appellant] zal hier met name in de avond en nacht last van hebben.
Ook vreest [appellant] voor hinder door autoverlichting als gevolg van auto’s die aan de Hogeweg het terrein van de autowasserij verlaten en dan met koplampen in zijn woning schijnen.
De raad heeft het aspect lichthinder volgens [appellant] onvoldoende betrokken bij de ruimtelijke afweging.
9.1. In artikel 3.1, aanhef en onder l, van de planregels staat dat de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden worden aangelegd, ingericht en beheerd volgens het inrichtingsplan Happy Duck zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels.
Uit het inrichtingsplan blijkt dat de autowasserij schuin tegenover de woningen van [appellant] is gelegen. Aan de Hogeweg en aan de Wiekenweg is een inrit voorzien die ook als uitrit kan dienen. Aan de Hogeweg is aan beide kanten van de in- en uitrit lage vakbeplanting in de vorm van rododendrons voorzien en worden bomen geplant. De stofzuigerplaatsen zijn zuidwestelijk van deze in- en uitrit, en daarmee verder van de woningen van [appellant], gesitueerd. Ook de wasboxen liggen op enige afstand van de woningen van [appellant]. Deze zijn meer naar achteren op het terrein voorzien, in lijn met de voorgevelrooilijn van de bestaande woningen aan de Hogeweg 170 en verder.
De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat de lichtinval van het licht van voertuigen ter plaatse van de woningen van [appellant] gelet op het voorgaande enigszins wordt beperkt.
De Afdeling stelt verder vast dat aan het perceel de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - verlichting en lichtmasten" is toegekend. In artikel 3.3 van de planregels zijn nadere regels opgenomen ten aanzien van die aanduiding. Daarin is onder meer vermeld dat in de periode april tot en met oktober ter plaatse van de wasboxen, tussen zonsondergang en zonsopkomst, uitsluitend dynamische verlichting, dat wil zeggen verlichting met bewegingssensoren, mag worden toegepast. Verder volgt uit dat artikel dat de verlichting gericht naar beneden moet schijnen en dat de verlichting aan de randen van het terrein uitsluitend mag bestaan uit vleermuisvriendelijke verlichting (Bat lampen). Daarnaast is het niet toegestaan (natuurlijke) elementen, bouwwerken of gebouwen in het plangebied met spots te verlichten. In zoverre wordt lichthinder door deze maatregelen beperkt.
Met betrekking tot de vrees voor hinder afkomstig van autoverlichting acht de Afdeling verder van belang dat de verwachting is dat auto’s bij het verlaten van de autowasserij niet langs de woningen van [appellant] rijden, omdat de Hogeweg uitmondt in een busbaan waar het voor auto’s niet is toegestaan te rijden. De in- en uitrit van de autowasserij is ten westen van de woningen van [appellant] gelegen en auto’s rijden vanaf daar verder weg in westelijke richting. Om die reden draaien de auto’s weg van de woningen van [appellant] en zullen er geen koplampen in zijn woningen schijnen.
Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad het aspect lichthinder onvoldoende bij de ruimtelijke afweging heeft betrokken. In het bestemmingsplan zijn maatregelen getroffen om lichthinder afkomstig van de autowasserij zoveel mogelijk in te perken. Daarnaast wordt de hinder afkomstig van autoverlichting beperkt door het aanwezige groen en door de ligging van de in- en uitrit ten opzichte van de woningen van [appellant].
De Afdeling komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat voor het oordeel dat het woon- en leefklimaat van [appellant] en zijn huurder als gevolg van lichthinder onevenredig wordt aangetast, zodat de vaststelling van het plan niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is, evenmin grond bestaat.
Het betoog slaagt niet.
Vervallen woonfunctie en sociale veiligheid
10. [appellant] betoogt ten slotte dat er door de vaststelling van het bestemmingsplan geen sprake meer is van een woonbuurt. [appellant] woont al 50 jaar aan de [locatie A] en in de loop van de tijd is er rondom zijn perceel steeds meer bebouwing en bedrijvigheid gekomen. Het uitgangspunt is volgens [appellant] juist altijd geweest dat bedrijven zich achter het woonbebouwingslint Hogeweg 170-176 zouden vestigen.
Voor [appellant] voelt het alsof hij woont op een bedrijventerrein en dit geeft hem een onveilig gevoel.
10.1. De raad heeft in de zienswijzennota toegelicht dat de Hogeweg van oudsher gekenmerkt wordt door een betrekkelijk dicht bebouwingslint met gevarieerde half-stedelijke bebouwing met doorkijkjes naar het landelijk gebied en een groene uitstraling door laanbeplanting en de bestaande elzenhagen. De bebouwing is kleinschalig, met een menging van (bedrijfs)woningen en (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing.
Verder is het uitgangspunt kleinschalige verkaveling met relatief groene ruime erven. Het gekozen ontwerp van de autowasserij voldoet volgens de raad aan de gestelde kaders uit het "Landschappelijke en stedenbouwkundige kaderplan Entreegebied De Wieken". Waar mogelijk is de bestaande bebouwing en het groen zoveel mogelijk gehandhaafd. De voorgevelrooilijn is teruggebracht naar 12 m om aan te sluiten bij de bestaande bebouwingskarakteristiek van de groene boorden. Verder is getracht de autowasserij zoveel mogelijk ruimtelijk in te passen door lage bebouwing die centraal op de kavel ligt. Hierdoor blijft zoveel mogelijk ruimte over aan de rand van de kavel voor structuurgroen.
10.2. Wat betreft de veiligheid heeft de raad in de zienswijzennota toegelicht dat Happy Duck in dit kader diverse maatregelen treft. Op het terrein is een pleinwachter aanwezig, er is 24-uurs cameratoezicht en er zijn slagbomen die het terrein afsluiten. Daarnaast neemt de beheerder van de autowasserij de bedrijfswoning in gebruik, zodat ook op deze manier toezicht op het terrein bestaat.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de Afdeling dat de autowasserij is ingepast in het bijzondere bebouwingslint van de Hogeweg en niet teveel inbreuk maakt op de karakteristieken van de omgeving. Er is veel groen en beplanting aanwezig in het plangebied en ter plaatse van de autowasserij zijn voldoende doorkijkjes behouden. Aan de Hogeweg 170, 174 en 176 worden weliswaar bedrijfsactiviteiten toegestaan, maar er wordt op deze percelen ook nog steeds gewoond. In zoverre blijft de woonbuurt van [appellant] behouden.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Melenhorst
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
490-1187
BIJLAGE
Wettelijk kader
Planregels behorende bij het bestemmingsplan "Hogeweg 170-176"
Artikel 3 Bedrijventerrein
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: […]
a. bedrijven in de categorie 1 tot en met 2, ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - zones Wet milieubeheer - 2' zoals aangeduid in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten; […]
l. met dien verstande dat de gronden worden aangelegd, ingericht en beheerd volgens het inrichtingsplan Happy Duck zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels.
[…]
3.3 Verlichting en lichtmasten
Ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'sba-vl', met uitzondering van de met 'bw' aangeduide gebouwen, gelden de volgende regels:
a. in de periode april tot en met oktober mag ter plaatse van de wasboxen, tussen zonsondergang en zonsopkomst, uitsluitend dynamische verlichting / bewegingssensoren worden toegepast;
b. naar gelang het tijdstip en het gebruik op het terrein;
c. de verlichting moet gericht naar beneden schijnen;
d. de verlichting aan de randen van het terrein mag uitsluitend bestaan uit vleermuisvriendelijke verlichting (Bat lampen);
e. het is niet toegestaan (natuurlijke) elementen, bouwwerken of gebouwen in het plangebied met spots aan te lichten / te verlichten.