202302453/1/A3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 februari 2023 in zaak nr. 21/5049 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van bestuur van de Universiteit Leiden.
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2021 heeft het college beslist op een verzoek van [appellante] om openbaarmaking van informatie.
Bij besluit van 2 februari 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 februari 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit gedeeltelijk vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college en Janssen Vaccines & Prevention B.V. (hierna: Janssen) hebben elk een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N.N. Bontje, advocaat te Den Haag, is verschenen. Voorts is ter zitting Janssen, vertegenwoordigd door mr. K. van Lessen Kloeke en mr. K.M. Mulder, beiden advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. De Nederlandse faciliteit voor elektronenmicroscopie (hierna: de NeCEN) is een onderzoeksinstituut dat ressorteert onder de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen van de Universiteit Leiden. De NeCEN heeft in opdracht en ten behoeve van farmaceutisch bedrijf Janssen tegen betaling onderzoeks-werkzaamheden verricht in het kader van de ontwikkeling van een coronavaccin.
2. [appellante] heeft het college op 26 maart 2021 verzocht om haar op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) alle documenten te verstrekken die betrekking hebben op: "sponsorovereenkomsten, researchcontracten, consultancycontracten, dienstverleningscontracten, sprekersovereenkomsten en anderszins benoemde documenten van december 2020 tot heden tussen uw universiteit en/of uw medewerkers enerzijds en (rechts)personen die een coronavaccin produceren, in de handel brengen, invoeren, in voorraad hebben, wederverkopen, afleveren dan wel aan een coronavaccin gerelateerde activiteiten verlenen anderzijds."
3. Het college heeft naar aanleiding van het verzoek een zoekslag verricht waarbij de volgende documenten zijn aangetroffen:
- een contractonderzoek tussen de NeCEN en Janssen van 2020 (hierna: de overeenkomst);
- kostenoverzichten van 2020 en 2021;
- e-mailberichten tussen NeCEN en Janssen.
Het college heeft geen van deze documenten openbaar gemaakt. Bij besluit van 2 februari 2022 heeft het college met verwijzing naar het advies van de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften (hierna: de commissie) het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft overeenkomstig dat advies een inventarislijst van de
niet-verstrekte documenten als bijlage bij het besluit gevoegd.
Wat heeft de rechtbank overwogen?
4. De rechtbank heeft overwogen dat het overgrote deel van de geïnventariseerde documenten e-mailberichten betreft waarin wordt gecorrespondeerd over de wijze waarop de overeenkomst wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld over wanneer monsters worden aangeleverd en onderzocht. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze berichten niet onder de reikwijdte van het verzoek vallen omdat ze geen informatie bevatten over financiële transacties met vaccinfabrikanten.
De rechtbank heeft verder overwogen dat het college over de mailberichten met financiële informatie in de beroepsfase een inventarislijst heeft gemaakt en de documenten nader heeft geduid. De documenten die daadwerkelijke financiële informatie bevatten en dus onder de reikwijdte van het verzoek vallen, zijn de financiële bijlagen (‘quotes’ ofwel de bedragen die door de NeCEN aan Janssen in rekening zijn gebracht). Het gaat om vier rekeningen, van 27 november 2020, 22 december 2020, 19 maart 2021 en 29 maart 2021, die bij de begeleidende e-mailberichten zijn verzonden.
De rechtbank is van oordeel dat de nadere duiding en motivering onderdeel van het bestreden besluit hadden moeten zijn. Nu deze ontbraken, is het beroep voor dit onderdeel gegrond. In zoverre moet het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank is echter van oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, omdat het college de overeenkomst, de twee kostenoverzichten en de mailberichten met de ‘quotes’ heeft mogen weigeren openbaar te maken, omdat daarop de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g van de Wob van toepassing zijn.
[appellante] heeft volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat er meer documenten moeten zijn dan de documenten die het college heeft gevonden.
De rechtbank is van oordeel dat [appellante] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor de rechtbank niet zou kunnen volstaan met de beoordeling of het college de weigeringsgronden van de Wob juist heeft toegepast. De beroepsgrond van [appellante] over artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) slaagt niet.
De rechtbank heeft tot slot overwogen dat de documenten geen milieu-informatie bevatten.
Wat heeft [appellante] aangevoerd?
De commissie
5. [appellante] heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de commissie niet onafhankelijk is, omdat de voorzitter van de commissie ten tijde van de advisering als gastmedewerker bij de universiteit en dus onder verantwoordelijkheid van het college werkte.
5.1. Het college heeft uitgelegd dat de voorzitter van de commissie als buitenpromovendus aan de universiteit verbonden is geweest. In dat verband had hij geen arbeidsrelatie met de universiteit. De Afdeling is van oordeel dat dit betekent dat, anders dan [appellante] heeft aangevoerd, de voorzitter ten tijde van de totstandkoming van het advies dus niet onder verantwoordelijkheid van het college werkzaam was.
Het betoog slaagt niet.
Vergewisplicht
6. [appellante] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft voldaan aan de vergewisplicht, zoals bedoeld in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat het college het advies zonder nadere motivering heeft overgenomen.
6.1. In artikel 3:5, eerste lid, van de Awb is bepaald dat in deze afdeling wordt verstaan onder adviseur: een college of persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.
In artikel 3:9 van de Awb is bepaald dat, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ervan dient te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
In artikel 7:13, zevende lid, van de Awb is bepaald dat, indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en het advies met die beslissing wordt meegezonden.
6.2. De Afdeling overweegt dat de commissie krachtens artikel 33 van het Bestuurs- en beheersreglement van de Universiteit Leiden is belast met de advisering van het college. De commissie is niet bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren van het bestuursorgaan. Dit betekent dat de commissie dus geen adviseur is, zoals bedoeld in artikel 3:5 van de Awb. Artikel 3:9 van die wet is daarom niet van toepassing. Dat laat onverlet artikel 3:2 van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan zich dient te vergewissen van de zorgvuldigheid van ieder onderzoek waarvan het de resultaten aan een besluit ten grondslag legt. Vergelijk: uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:18, r.o. 5.2. Het college heeft, conform het advies van de commissie, het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard. Daarbij heeft de commissie het advies met het besluit meegezonden. Het college heeft de motivering van het besluit, conform het advies, verbeterd door een inventaris van de niet-verstrekte documenten op te stellen. Anders dan [appellante] heeft aangevoerd, heeft het college daarmee aan de vergewisplicht voldaan.
Het betoog slaagt niet.
De correspondentie over bijeenkomsten en leveringen
7. [appellante] heeft aangevoerd dat de correspondentie over bijeenkomsten en leveringen onder de reikwijdte van het verzoek valt.
7.1. Dit betoog is niet gericht tegen een overweging van de uitspraak van de rechtbank en slaagt daarom niet.
Financiële belangen van de universiteit
8. [appellante] betoogt dat de uitzonderingsgrond met betrekking tot de financiële belangen, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob, niet van toepassing kan zijn op het college. [appellante] voert aan dat de universiteit haar bevoegdheid tot vrij handelen met commerciële partijen heeft ingeperkt en geen marktpartij is.
8.1. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen.
8.2. Het college heeft in de schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat het juist is dat de universiteit niet zonder meer mag concurreren met het bedrijfsleven omdat zij grotendeels door het Rijk wordt bekostigd. Daarom moet bij het uitvoeren van opdrachtonderzoek voor derden een vergoeding in rekening worden gebracht die ten minste gelijk is aan de integrale kostprijs. Het college stelt daarvoor jaarlijks tarieven vast, die als ondergrens gelden bij de onderhandeling met derden. Het college heeft in die zin zijn bevoegdheid tot vrij onderhandelen met commerciële partijen ingeperkt. Dit laat onverlet dat de universiteit onderhandelingsruimte heeft, omdat zij met opdrachtgevers een hogere vergoeding kan overeenkomen dan het minimumtarief. Gelet op de huidige bekostigingssystematiek, waarbij universiteiten voor hun financiering gedeeltelijk afhankelijk zijn van derden, zal een hogere vergoeding dan kostendekkend vaak ook noodzakelijk zijn. Daarvoor zal de universiteit, in tegenstelling tot wat [appellante] stelt, wel degelijk moeten onderhandelen.
8.3. Gelet op deze toelichting, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het college de overeenkomst, de kostenoverzichten en de financiële informatie in de e-mails heeft mogen weigeren in verband met de financiële belangen van de universiteit, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob. In dit geval zijn de overeenkomst, de daarmee samenhangende kostenoverzichten en de financiële informatie in de e-mails de uitkomst van onderhandelingen tussen de NeCEN en Janssen. Openbaarmaking van die informatie zou er bij andere onderhandelingen die de universiteit geregeld voert, toe kunnen leiden dat de onderhandelingsruimte van de universiteit wordt beperkt. Dat schaadt de financiële belangen van de universiteit, in die zin dat de inkomsten die de universiteit nodig heeft kunnen teruglopen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij openbaarmaking het risico bestaat dat derden geen contracten meer zullen aangaan met de universiteit als de inhoud daarvan via de Wob (thans: de Wet open overheid) openbaar wordt. De rechtbank heeft ook terecht aannemelijk geacht dat de universiteit daarom rechtstreeks wordt geraakt in haar mogelijkheden om noodzakelijke inkomsten te verwerven.
Voor de vraag of artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob kan worden toegepast is verder niet relevant of het college al dan niet een marktpartij is, nu deze uitzonderingsgrond betrekking heeft op financiële en economische belangen van bestuursorganen, zoals bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onder c en d van de Wob. Deze uitzonderingsgrond heeft dus ook betrekking op het college.
Het betoog slaagt niet.
Onevenredige benadeling
9. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat Janssen niet onevenredig wordt benadeeld, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, bij openbaarmaking van de gevraagde informatie. Zij bestrijdt dat de eenmalige overeenkomst inzicht geeft in de bedrijfsvoering van Janssen. Daarnaast had het college volgens haar de openbaarmaking van de overeenkomst niet integraal mogen weigeren, maar had het bijvoorbeeld de datum van de overeenkomst en de standaardbepalingen openbaar moeten maken. Verder stelt [appellante] dat de overeenkomst in strijd is met de Regeling Werken voor Derden van de Universiteit Leiden, wat betekent dat het belang van openbaarmaking moet prevaleren.
9.1. Zoals het college heeft toegelicht, biedt de overeenkomst inzicht in de financiële voorwaarden waaronder Janssen met andere partijen samenwerkt en daarmee in de bedrijfsvoering van Janssen. De omstandigheid dat het een eenmalige overeenkomst betreft maakt dat niet anders, nu de overeenkomst het resultaat is van onderhandelingen die Janssen op vergelijkbare wijze ook met andere partijen voert. Als deze informatie openbaar is kunnen andere farmaceutische bedrijven hun onderhandelingsstrategie afstemmen op de voorwaarden waaronder Janssen contracteert, en daarmee hun voordeel doen. Daardoor wordt de concurrentiepositie van Janssen onevenredig benadeeld. In dit verband is relevant dat de farmaceutische markt wordt gekenmerkt door grote onderlinge concurrentie. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college de overeenkomst niet openbaar heeft hoeven maken vanwege het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van de concurrentiepositie van Janssen.
9.2. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat het college niet alleen de openbaarmaking van passages over prijzen, tarieven, andere financiële afspraken en de afrekening daarvan heeft mogen weigeren, maar ook de openbaarmaking van overige passages, omdat deze passages onlosmakelijk samenhangen met de financiële informatie en te veel prijsgeven over de bedrijfsvoering van Janssen. Die overige passages, bijvoorbeeld over overlegstructuren en over de wijze waarop partijen met elkaar omgaan als er iets misgaat, bieden eveneens inzicht in de bedrijfsprocessen van Janssen en leiden bij openbaarmaking tot onevenredige benadeling van de concurrentiepositie van Janssen.
9.3. Voor zover [appellante] stelt dat de overeenkomst in strijd is met de Regeling Werken voor Derden, wordt overwogen dat de juistheid van de overeenkomst niet in het kader van een Wob-procedure kan worden beoordeeld. Het belang om de juistheid van de overeenkomst te kunnen controleren is ook geen belang dat een bijzonder gewicht in de schaal legt bij de belangenafweging die het college op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob heeft moeten maken.
9.4. Het betoog slaagt niet.
Is de zoekslag zorgvuldig geweest?
10. [appellante] heeft aangevoerd dat de zoekslagen niet zorgvuldig zijn geweest, omdat niet duidelijk is wie de zoekslag feitelijk heeft gedaan, in welke systemen is gezocht en welke deskundige personen daarbij zijn betrokken. Er moet worden betwijfeld of naar behoren op zoektermen is gezocht in mailboxen of documentsystemen. [appellante] stelt dat de jurisprudentie van de Afdeling over de zoekslag moet worden herzien, in die zin dat een zwaardere bewijslast op het bestuursorgaan moet komen te rusten. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de omstandigheid dat een verzoeker niet altijd weet welke documenten er al dan niet onder het bestuursorgaan rusten.
10.1. De gronden die [appellante] heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 23-27 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Artikel 10 EVRM
11. [appellante] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het toetsingskader heeft gevolgd dat is neergelegd in de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883, (hierna: de MH17-uitspraak). In die uitspraak heeft de Afdeling volgens [appellante] geen correcte uitleg gegeven aan het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 28 november 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011, Magyar Helsinki Bizottság t. Hongarije (hierna: het MHB-arrest).
Volgens [appellante] volgt uit het MHB-arrest dat het EVRM rechtstreeks van toepassing is als er sprake is van een Wob-verzoek van een ‘public watchdog’. Deze hoeft dan alleen aan te tonen dat de gevraagde informatie noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn recht op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijke noodzaak kan bestaan wanneer openbaarmaking van informatie transparantie verschaft over de wijze van afhandeling van openbare aangelegenheden en over aangelegenheden die van belang zijn voor de samenleving als geheel. Het moet dan gaan om informatie die, indien achtergehouden, de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting zou belemmeren of schaden, waaronder de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen en door te geven. Een ‘public watchdog’ hoeft geen ‘bijzondere omstandigheden’ aan te tonen. De uitzonderingen in artikel 10, tweede lid, van het EVRM zijn limitatief. Als artikel 10 EVRM van toepassing is, dan moeten de uitzonderingsgronden van de Wob die niet tevens zijn opgenomen in artikel 10, tweede lid, EVRM buiten toepassing blijven. Voor zover de uitzonderingsgronden daarin wel zijn opgenomen, dan moet gemotiveerd worden waarom de weigering noodzakelijk is in een democratische samenleving.
[appellante] heeft toegelicht waarom de gevraagde informatie volgens haar noodzakelijk is voor de uitoefening van haar recht op vrijheid van meningsuiting. De publicatie waar zij als onderzoeksjournalist aan werkt gaat over de samenwerking tussen de universiteit en Janssen. Het gaat hier om een algemeen belang, te weten de volksgezondheid. Het is een actueel onderwerp en het publiek heeft er recht op om te weten of Janssen miljardenwinsten met overheidsgeld heeft behaald en of de universiteit heeft verdiend aan het coronavaccin. Dat laatste zou namelijk in strijd zijn met de Regeling Werken met Derden.
[appellante] heeft een overzicht overgelegd waaruit zou blijken dat de in deze zaak toegepaste weigeringsgronden in artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob niet strekken ter bescherming van de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen.
Voor zover de MH17-uitspraak toch moet worden gevolgd, dan voert [appellante] aan dat er sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’, zoals bedoeld in die uitspraak.
[appellante] verzoekt de Afdeling tot slot om prejudiciële vragen aan het EHRM te stellen over de uitleg van het MHB-arrest.
11.1. De Afdeling heeft in de MH17-uitspraak een toetsingskader neergelegd voor beroepen op artikel 10 van het EVRM in relatie tot de artikelen 10 en 11 van de Wob. In het toetsingskader heeft de Afdeling overwogen dat artikel 10 van het EVRM niet vereist dat alle informatie verstrekt wordt of openbaar wordt gemaakt. Dit artikel biedt staten die partij zijn bij dit verdrag de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Met de bepalingen betreffende de weigeringsgronden in de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. De Afdeling heeft overwogen dat er in het algemeen van mag worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen.
11.2. Anders dan [appellante] heeft aangevoerd, strekken de weigeringsgronden in artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob dus ook ter bescherming van de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. Het in artikel 10, tweede lid, van de Wob bedoelde belang bij het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling strekt ter bescherming van het in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belang bij de bescherming van de rechten van anderen. Het op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob niet verstrekken van informatie over persoonlijke beleidsopvattingen in documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, strekt ter bescherming van het in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belang bij het voorkomen van de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen.
11.3. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd geen reden om het hiervoor weergegeven toetsingskader aan te passen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in r.o. 10.4-10.5 van haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:541, heeft zij voor het toetsingskader de gevolgen van het MHB-arrest bezien.
11.4. Volgens het toetsingskader zoals uiteengezet door de Afdeling in de MH17-uitspraak kan alsnog een beoordeling in het concrete geval plaatsvinden. Bij zeer bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan om weigeringsgronden uit de Wob buiten toepassing te laten. De beperking tot zeer bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd door het feit dat in dat geval een door de wetgever in een wet in formele zin gemaakte afweging van het belang van openbaarheid tegenover andere belangen wordt doorbroken.
11.5. De Afdeling ziet in dit geval in het aangevoerde geen grond dat zich zeer bijzondere omstandigheden, als bedoeld in de MH17-uitspraak, voordoen. De omstandigheid dat [appellante] de gevraagde informatie nodig heeft om te weten of Janssen miljardenwinsten met overheidsgeld heeft behaald en of de Universiteit Leiden in strijd met de Regeling Werken met Derden heeft verdiend aan het coronavaccin, is onvoldoende om zeer bijzondere omstandigheden aanwezig te achten. De rechtbank heeft terecht volstaan met de beoordeling of het college de uitzonderingsgronden van de Wob juist heeft toegepast.
11.6. Voor zover [appellante] aan de Afdeling heeft verzocht om prejudiciële vragen aan het EHRM te stellen, overweegt de Afdeling dat die mogelijkheid niet bestaat. Voor zover het verzoek zo moet worden begrepen dat [appellante] vraagt om de adviesprocedure van het EHRM te volgen, overweegt de Afdeling dat zij daartoe geen aanleiding ziet.
11.7. Het betoog slaagt niet.
Milieu-informatie
12. [appellante] betwist de overweging van de rechtbank dat geen sprake is van milieu-informatie als bedoeld in het Verdrag van Aarhus. Het onderzoek naar de geschiktheid van bepaalde eiwitten voor de ontwikkeling van een coronavaccin wordt verricht ten behoeve van de menselijke gezondheid en veiligheid en daarom is volgens haar sprake van milieu-informatie.
12.1. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de geheime documenten. De documenten die onder de reikwijdte van het verzoek vallen zien niet op informatie over de werking van het vaccin, maar op informatie over financiële aspecten met betrekking tot onderzoek naar het vaccin. Deze bevatten geen milieu-informatie als bedoeld in artikel 19,1a, eerste lid, Wet milieubeheer. Vergelijk: uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1647.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
13. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.
14. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Larsson-van Reijsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
978
BIJLAGE
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 10. Vrijheid van meningsuiting
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. […].
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.
Wet openbaarheid van bestuur
Artikel 10
1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
[…].
c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
[…].
2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
[…]
b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;
[…]
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden.
Artikel 11
1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
[…] .