202302457/1/A3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 februari 2023 in zaak nr. 22/1515 in het geding tussen:
[appellante]
en
het College van Bestuur van de Universiteit Leiden en de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften van de Universiteit Leiden (hierna: gezamenlijk en in enkelvoud: het college).
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2022 heeft het college beslist op een verzoek van [appellante] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).
Bij besluit van 23 december 2022 heeft het college aanvullend beslist op dat verzoek.
Bij uitspraak van 28 februari 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het verzoek
niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 6 april 2022 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven met uitzondering van de beoordeling van document 61. Verder heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 december 2022 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Bij e-mailbericht van 2 mei 2023 heeft het college document 61 aan [appellante] verstrekt, waarbij de passages die inzicht geven in de werkwijze van de universiteit met het oog op het verkrijgen van middelen onleesbaar zijn gemaakt.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
[appellante] heeft een zienswijze ingediend.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.H. Mandel, bijgestaan door mr. N.N. Bontje, advocaat in Den Haag, is verschenen.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. [appellante] heeft het college verzocht om openbaarmaking van de volgende op de website van de Universiteit Leiden vermelde documenten: ‘publiek-private activiteiten’, ‘projectbeheer’ en ‘facturering’. Het gaat om de versies van de documenten die op 23 september 2021 op de website waren geplaatst. Ook heeft [appellante] het college verzocht om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de afhandeling van haar bezwaarschrift door het college in een eerdere Wob-procedure. Het gaat daarbij om interne correspondentie van het college, de correspondentie van het college met de commissie, met zijn advocaat, met Janssen Vaccines & Prevention B.V. en met eventuele andere derden.
2. Het college heeft naar aanleiding van het verzoek de volgende documenten gevonden: correspondentie van het college met de commissie, interne correspondentie van de commissie, correspondentie tussen het college en zijn advocaat, de Regeling Werken voor Derden en een tarieflijst met een begeleidende brief.
Bij besluit van 6 april 2022 heeft het college de gevraagde documenten openbaar gemaakt, met uitzondering van:
a. persoonsgegevens en tot personen te herleiden gegevens van derden en medewerkers die vanuit hun functie niet naar buiten treden (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob);
b. de correspondentie tussen het college en de advocaat omdat die ziet op persoonlijke beleidsopvattingen die bestemd zijn voor intern beraad en leidt tot onevenredige benadeling van de universiteit en een onevenredige bevoordeling van [appellante] (artikel 11, eerste lid, van de Wob en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob).
c. de correspondentie tussen de voorzitter, leden en de secretaris van de commissie, voor zover deze persoonlijke beleidsopvattingen bevat die bestemd zijn voor intern beraad (artikel 11, eerste lid, van de Wob);
d. de tarieflijst omdat openbaarmaking ervan nadelig is voor de economische en financiële belangen van de universiteit en leidt tot onevenredige benadeling van de universiteit of bevoordeling van derden (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob).
Verder heeft het college gesteld dat de gevraagde correspondentie met betrekking tot Janssen Vaccines & Prevention B.V. er niet is.
3. Op 23 december 2022 heeft het college een aanvullend besluit genomen omdat is gebleken dat er nog meer documenten bij hem berusten die onder de reikwijdte van het verzoek vallen. Het gaat om interne correspondentie van de commissie, correspondentie van de commissie met (de advocaat van) het college, een e-mail die is gewisseld tussen het college en zijn advocaten en twee conceptadviezen van de commissie. Het college heeft besloten om deze documenten openbaar te maken, met uitzondering van namen en andere persoonsgegevens van derden en medewerkers die uit hoofde van hun functie niet in de openbaarheid treden (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, Woo). Daarnaast wordt een e-mail tussen het college en zijn advocaten niet openbaar gemaakt, omdat het goed functioneren van het college daaraan in de weg staat en sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen in een document bestemd voor intern beraad (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, Woo en artikel 5.2, eerste lid, Woo).
Het college is gebleken dat het document ‘projectbeheer’ en bijbehorend document ‘richtlijn projectbeheer’ abusievelijk niet zijn verstrekt bij het eerdere besluit. Het college heeft deze documenten daarom alsnog volledig openbaar gemaakt.
Verder heeft het college besloten om de informatie op de tarieflijst openbaar te maken, met uitzondering van de daarin opgenomen tarieven. Het besluit van 6 april 2022, waarbij de tarieflijst niet is openbaar gemaakt in verband met de financiële belangen en het voorkomen van onevenredige benadeling van de universiteit, blijft dus in stand voor zover het de weigering van de openbaarmaking van de tarieven betreft.
Wat heeft de rechtbank overwogen?
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard omdat het college inmiddels inhoudelijk heeft beslist op het verzoek. [appellante] heeft daarom geen procesbelang meer bij dit beroep.
De rechtbank heeft het beroep, voor zover het is gericht tegen het besluit van 6 april 2022, gegrond verklaard omdat het college daarin niet volledig op het verzoek heeft beslist. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten, met uitzondering van de beoordeling van document 61 genaamd Regeling Werken voor Derden. Volgens de rechtbank valt niet in te zien waarom openbaarmaking van de algemeen geformuleerde uitgangspunten voor het werken met derden onevenredig benadelend zou zijn voor de universiteit of de universiteit zou raken in enig financieel belang. Het college moet per passage beoordelen of daarop een weigeringsgrond van toepassing is.
Verder heeft de rechtbank het beroep tegen het aanvullende besluit van 23 december 2022 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een vergoeding van de proceskosten voor de indiening van het beroep wegens het niet-tijdig beslissen op het verzoek.
5. [appellante] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
Wat heeft [appellante] aangevoerd?
Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob
6. [appellante] betoogt dat de uitzonderingsgrond met betrekking tot de financiële belangen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob niet van toepassing kan zijn op de bedragen in de tarieflijst en op de Regeling Werken voor Derden (hierna: de Regeling). Daartoe heeft zij aangevoerd dat de universiteit haar bevoegdheid tot vrij onderhandelen met commerciële partijen heeft ingeperkt en dat de universiteit geen marktpartij is. Verder wijst [appellante] erop dat de Regeling inmiddels geheel openbaar op internet is te vinden. De Regeling bevat - blijkens de ongelakte tekst - niet of nauwelijks inzicht in de werkwijze van de universiteit met het oog op het verkrijgen van middelen of iets dat de concurrentiepositie zou kunnen schaden. Verder had de rechtbank moeten oordelen dat de salarisschalen openbaar gemaakt moeten worden zodat zij kan controleren of die overeenstemmen met die van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU).
6.1. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen.
6.2. Het college heeft in de schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat het juist is dat de universiteit niet zonder meer mag concurreren met het bedrijfsleven omdat zij grotendeels door het Rijk wordt bekostigd. Daarom moet bij het uitvoeren van opdrachtonderzoek voor derden een vergoeding in rekening worden gebracht die ten minste gelijk is aan de integrale kostprijs. Het college stelt daarvoor jaarlijks tarieven vast, die als ondergrens gelden bij de onderhandeling met derden. Het college heeft in die zin zijn bevoegdheid tot vrij onderhandelen met commerciële partijen ‘ingeperkt’. Dit laat onverlet dat de universiteit onderhandelingsruimte heeft, omdat zij met opdrachtgevers een hogere vergoeding kan overeenkomen dan het minimumtarief. Gelet op de huidige bekostigingssystematiek, waarbij universiteiten voor hun financiering gedeeltelijk afhankelijk zijn van derden, zal een hogere vergoeding dan kostendekkend vaak ook noodzakelijk zijn om inkomsten te genereren. Bij openbaarmaking van de bedragen van de tarieflijst, met uitzondering van de eerste kolom, kunnen derden die met de universiteiten onderhandelen hun voordeel hiermee doen, met als gevolg dat de onderhandelingspositie van de universiteit verslechtert. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op deze toelichting, de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat bij openbaarmaking van de bedragen uit de tarieflijst de financiële belangen van de universiteit in het geding zijn. [appellante] kan daarom niet worden gevolgd in haar betoog dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob niet van toepassing kan zijn op de bedragen uit de tarieflijst. Voor de vraag of deze uitzonderingsgrond kan worden toegepast is verder niet relevant of het college al dan niet een marktpartij is, omdat deze grond betrekking heeft op de in artikel 1a, eerste lid, onder c en d bedoelde bestuursorganen. Deze uitzonderingsgrond heeft dus ook betrekking op het college.
6.3. Dat wat [appellante] heeft aangevoerd over de Regeling, behoeft geen bespreking. [appellante] heeft inmiddels de beschikking gekregen over de gehele inhoud van de Regeling en heeft te kennen gegeven dat zij geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar betoog over de Regeling.
6.4. Voor zover [appellante] aanvoert dat de in de eerste kolom van de tarieflijst vermelde salarisschalen openbaar gemaakt moeten worden, overweegt de Afdeling het volgende. De rechtbank heeft overwogen dat ter zitting aan de orde is geweest dat de bedragen in de eerste kolom feitelijk al openbaar zijn, omdat daarin de salarisschalen en bedragen conform het overzicht van de VSNU staan. Dat betekent dat deze salarisschalen dus al openbaar zijn en dat het college dus niet gehouden was om die informatie openbaar te maken.
6.5. Het betoog slaagt niet.
De correspondentie van het college met zijn advocaat
7. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de correspondentie met zijn advocaat niet openbaar heeft hoeven maken in verband met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob. De communicatie met advocaten mag volgens [appellante] niet anders behandeld worden dan de communicatie met anderen. Er moet alleen gekeken worden of er sprake is van intern beraad en van persoonlijke beleidsopvattingen. [appellante] bestrijdt dat het goed functioneren van de universiteit door openbaarmaking van de correspondentie wordt gehinderd. Verder is er ten onrechte niet per document en per passage beoordeeld of een uitzonderingsgrond geldt.
7.1. De gronden die [appellante] heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 20 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Moeten de conceptadviezen openbaar worden gemaakt?
8. [appellante] betoogt dat de conceptadviezen van de commissie ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt. Die conceptadviezen moeten volgens haar openbaar gemaakt worden, ook als die nauwelijks afwijken van de definitieve adviezen.
8.1. Het college heeft bij besluit van 23 december 2022 twee conceptadviezen openbaar gemaakt met uitzondering van de daarin opgenomen persoonsgegevens. Deze conceptadviezen wijken nauwelijks af van de definitieve versie van het advies. De overige conceptadviezen heeft de commissie niet openbaar gemaakt omdat die, ofwel al (gedeeltelijk) openbaar zijn, ofwel meer afwijken van de definitieve versie van het advies en daarom persoonlijke beleidsopvattingen bestemd voor intern beraad bevatten. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht geoordeeld dat de commissie deze conceptadviezen daarom niet openbaar heeft hoeven maken.
Het betoog slaagt niet.
Zijn de zoekslagen zorgvuldig geweest?
9. [appellante] heeft aangevoerd dat de zoekslagen niet zorgvuldig zijn geweest. Er had moeten worden gezocht met zoektermen zoals: Johnsson, corona, vaccin, overeenkomst, FNE, [naam persoon] en op de namen van alle betrokken medewerkers van de universiteit en Janssen. De stukken zijn met een uniek bezwaarnummer gezocht. De vraag is of dat correct is gebeurd en in welke mailboxen en documentsystemen is gezocht. Het college had ook in privé-apparatuur en privé-mailboxen moeten zoeken. [appellante] stelt dat de jurisprudentie van de Afdeling over de zoekslag moet worden herzien, in die zin dat er een zwaardere bewijslast op het bestuursorgaan moet komen te rusten.
9.1. De gronden die [appellante] heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 33-37 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat zij geen aanleiding ziet om naar aanleiding van wat [appellante] heeft aangevoerd over de rechtspraak van de Afdeling, het toetsingskader in deze rechtspraak over de zoekslag bij te stellen.
Het betoog slaagt niet.
Vergoeding van proceskosten voor beroep niet-tijdig
10. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor het beroep wegens het niet-tijdig beslissen op het verzoek. [appellante] voert daartoe aan dat de termijn voor het nemen van een besluit op haar verzoek niet rechtsgeldig was verdaagd. De medewerker die haar op 17 februari 2022 had medegedeeld dat de beslistermijn met vier weken wordt verdaagd, was volgens haar niet bevoegd om dat te doen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat het indienen van een beroep wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek een onnodige proceshandeling is die voor haar rekening moet blijven.
10.1. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep wegens het niet-tijdig beslissen op haar verzoek terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit is een middel om ervoor te zorgen dat in dit geval het college een besluit neemt op het verzoek van [appellante]. Omdat het college op 6 april 2022 en 23 december 2022 op het verzoek heeft beslist, is dat doel inmiddels bereikt. Vergelijk: uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5388, onder 5.1. Dit betekent dat het door [appellante] ingestelde beroep wegens het niet-tijdig beslissen dus niet slaagt en de rechtbank daarom geen aanleiding heeft hoeven zien om voor het instellen van dat beroep een proceskostenvergoeding toe te kennen. Dat wat [appellante] heeft aangevoerd over de bevoegdheid van de medewerker die haar over de verdaging van de beslistermijn heeft bericht, kan dat niet anders maken. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, had [appellante] naar aanleiding van dit bericht moeten begrijpen dat zij uiterlijk op 11 april 2022 een besluit op het verzoek kon verwachten. Dat zij desondanks op 31 maart 2022 en beroep wegens het niet-tijdig beslissen op haar verzoek heeft ingediend, moet daarom voor haar rekening blijven.
Het betoog slaagt niet.
11. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.
Mailbericht van 2 mei 2023
12. Bij e-mailbericht van 2 mei 2023 heeft het college de Regeling aan [appellante] verstrekt, waarbij de passages die inzicht geven in de werkwijze van de universiteit met het oog op het verkrijgen van middelen onleesbaar zijn gemaakt.
13. [appellante] heeft aangevoerd dat het e-mailbericht geen besluit is. Als er van moet worden uitgegaan dat het wel een besluit is, dan voert [appellante] aan dat zij het er niet mee eens. Daartoe verwijst zij naar de hogerberoepsgronden.
13.1. Bij de beantwoording van de vraag of het e-mailbericht een besluit is, is bepalend of de daarin vermelde mededeling gericht is op een rechtsgevolg. Dat is het geval als het bestuursorgaan een verandering beoogt in een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak. Van een op rechtsgevolg gericht mededeling is verder sprake als een bestuursorgaan beoogt een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak bindend vast te stellen.
13.2. In het e-mailbericht staat het volgende:
"De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 28 februari jl. (UTR 22/1515) bepaalt dat de universiteit de ‘Regeling Werken voor derden’ niet integraal heeft mogen weigeren, omdat er passages zijn aan te wijzen waarop de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob niet van toepassing zijn (overweging 23). Bijgaand treft u het bewuste document aan. De passages die wel inzicht geven in de wijze van de universiteit met het oog op het verkrijgen van middelen, de zogenoemde derde geldstroom, zijn onleesbaar gemaakt. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank.
Met vriendelijke groet,
mr. D.H. Mandel
Hoofd Juridische Zaken
Universiteit Leiden"
13.3. De Afdeling overweegt dat in het e-mailbericht is vermeld welk document gedeeltelijk openbaar wordt gemaakt en daarmee is bedoeld om gevolg te geven aan de uitspraak van de rechtbank en dus (gedeeltelijk) opnieuw op het Wob-verzoek te beslissen. Vergelijk: uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:99. Het e-mailbericht is dus gericht op rechtsgevolg. Anders dan [appellante] heeft aangevoerd, heeft het college daarmee een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb genomen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19 van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
13.4. [appellante] heeft aangevoerd dat, indien het e-mailbericht wel een besluit is, zij zich hier niet mee kan verenigen. Daartoe heeft zij verwezen naar de hogerberoepsgronden. De Afdeling overweegt dat uit de voorgaande overwegingen volgt dat die hogerberoepsgronden niet slagen.
13.5. Het beroep is daarom ongegrond.
Overschrijding van de redelijke termijn
14. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders, omdat de Afdeling het onderzoek op 21 november 2025 heeft gesloten. Er was op dat moment nog geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 van de Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor [appellante] geen reden was dit naar voren te brengen. Daarom beoordeelt de Afdeling ambtshalve of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.
14.1. Volgens vast rechtspraak van de Afdeling geldt als uitgangspunt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is (zie onder meer de uitspraak van 17 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1432, onder 7.1). Wanneer tijdens de behandeling van een beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit alsnog een reëel besluit wordt genomen waartegen een beroep van rechtswege ontstaat, gaat de Afdeling ervan uit dat de termijn aanvangt op de dag waarop het beroep van rechtswege is ontstaan. Die laatste situatie is in dit geval aan de orde, met het besluit van 6 april 2022. De Afdeling doet vandaag uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn van vier jaar met minder dan een half jaar is overschreden. Deze overschrijding is geheel aan de Afdeling toe te rekenen, zodat de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) zal worden veroordeeld in de betaling van de schadevergoeding. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, stelt de Afdeling de vergoeding van de door [appellante] geleden immateriële schade vast op een bedrag van € 500,00.
Proceskosten
15. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 2 mei 2023 ongegrond;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellante] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Larsson-van Reijsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
978
BIJLAGE
Wet openbaarheid van bestuur
Artikel 10
1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
[…].
2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
[…]
b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;
[…]
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
[…]
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden.
Artikel 11
1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
[…].
Wet open overheid
Artikel 5.1 Uitzonderingen
1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
[…]
2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
[…];
b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;
[…];
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
[…]
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
Artikel 5.2. Persoonlijke beleidsopvattingen
1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
[…].