202305277/1/A3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. de Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (hierna: het UMCU), en
2. [appellant sub 2], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 juni 2023 in zaak nr. 22/2714 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
het UMCU.
Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2021 heeft het UMCU een verzoek van [appellant sub 2] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) gedeeltelijk ingewilligd.
Bij besluit van 28 april 2022 heeft het UMCU het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft het UMCU hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 28 september 2023 heeft het UMCU, opnieuw beslissend op het bezwaar van [appellant sub 2], nog meer informatie openbaar gemaakt.
[appellant sub 2] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 28 september 2023.
Het UMCU heeft een zienswijze ingediend.
[appellant sub 2] en het UMCU hebben nadere stukken ingediend.
[appellant sub 2] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 november 2025, waar het UMCU, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. B. Wallage en mr. R.M. Bertens, beiden advocaat te Utrecht, en [appellant sub 2], zijn verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (hierna: de Woo) in werking getreden. Het besluit op bezwaar dat in deze procedure ter beoordeling staat, is genomen vóór 1 mei 2022. Dat betekent dat voor de beoordeling van dit geding de Wob nog van toepassing is (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1699, onder 1.2.). Het UMCU heeft op 28 september 2023 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Dat besluit is, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, voorwerp van dit geding. Op dat besluit is de Woo van toepassing.
2. Het relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Waar gaat deze zaak over?
3. [appellant sub 2] heeft het UMCU verzocht om openbaarmaking van "alle documenten die betrekking hebben op afspraken, overeenkomsten, contracten, consultancycontracten, dienstverleningsovereenkomsten, sprekersovereenkomsten, sponsorovereenkomsten en contracten zoals benoemd in de Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH) die zijn gesloten tussen 1 januari 2019 en heden tussen uw ziekenhuis en/of in uw ziekenhuis werkzame zorgprofessionals enerzijds en (rechts)personen die een medisch hulpmiddel produceren, in de handel brengen, invoeren, in voorraad hebben, wederverkopen, afleveren dan wel aan een hulpmiddel gerelateerde activiteiten verlenen anderzijds."
4. Het UMCU heeft 155 documenten gevonden die vallen onder de reikwijdte van het Wob-verzoek en heeft besloten om deze documenten gedeeltelijk openbaar te maken. Het UMCU heeft een inventarislijst opgesteld waarin is vermeld welk type document gedeeltelijk openbaar is gemaakt, de datum van het document en op welke gronden openbaarmaking gedeeltelijk wordt geweigerd. De documenten zijn getypeerd als ‘Dienstverleningsovereenkomst’, ‘Sponsorovereenkomst’ of ‘Overeenkomst financiële bijdrage’. Aan de gedeeltelijke weigering tot openbaarmaking van passages in de documenten heeft het UMCU artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, e, en g, van de Wob ten grondslag gelegd.
Bij besluit van 28 april 2022 heeft het UMCU het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Wat heeft de rechtbank overwogen?
5. De rechtbank heeft het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd.
De rechtbank heeft overwogen dat de motivering van het UMCU om de namen en eventuele specialisaties van medewerkers op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob weg te lakken tekortschiet. Het UMCU heeft de namen van alle medewerkers en hun eventuele specialisaties weggelakt wegens eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Volgens het UMCU treden deze medewerkers niet vanwege hun functie in de openbaarheid. Als het gaat om hoogleraren en/of gerenommeerde onderzoekers/wetenschappers, die bekend staan als gezaghebbend in hun vakgebied, kan er volgens de rechtbank vanuit gegaan worden dat zij wel uit hoofde van hun functie naar buiten treden. De aard van de functie brengt met zich dat zij wetenschappelijke onderzoeken doen en daarover publiceren of anderszins in de openbaarheid treden. De functie bevat in zichzelf dus al een aspect van openbaarheid, waarbij niet relevant is of de medewerker zich als vertegenwoordiger van het UMCU presenteert of niet. Het UMCU heeft dit onvoldoende onderkend en ten onrechte geen onderscheid gemaakt naar de aard van de functies die medewerkers bekleden. Ook het weglakken van de specialisaties van deze personen is onvoldoende gemotiveerd. Dat de vermelding van de specialisatie herleidbaar zou zijn naar personen die door hun functie toch al naar buiten treden is onvoldoende reden voor geheimhouding.
Over de overige weigeringsgronden heeft de rechtbank overwogen dat het UMCU ten onrechte heeft volstaan met een algemene motivering per weigeringsgrond en heeft nagelaten op enige wijze duidelijk te maken welke weigeringsgrond van toepassing is op welke geweigerde passage. De rechtbank kan daarom niet toetsen of de weigeringsgronden terecht zijn ingeroepen. De rechtbank kan daarom ook niet toetsen of voldaan is aan de eis dat de beperking van het recht om inlichtingen te ontvangen zoals vervat in artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in dit geval voldoet aan de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit die het tweede lid van deze verdragsbepaling stelt.
6. Het UMCU is het niet eens met deze uitspraak en heeft daarom hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Wat heeft het UMCU in hoger beroep aangevoerd?
De AVG
7. Het UMCU betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het in lijn heeft behandeld met de beginselen van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: de AVG) door de namen van hoogleraren en onderzoekers te lakken. Uit artikel 5, eerste lid, onder c, en artikel 6, vierde lid, van de AVG volgt dat, ook indien een grondslag voor gegevensverwerking te vinden is in een wettelijke verplichting, de gegevensverwerking ter zake dienend en beperkt moet zijn tot wat noodzakelijk is. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de mogelijke gevolgen voor de betrokkenen van de voorgenomen verdere verwerking. Volgens het UCMU wordt met het weglakken van de namen van onderzoekers en hoogleraren bovendien nog steeds voldoende inzicht geboden in de inhoud van de documenten. Uit de documenten blijkt namelijk welke afspraken er zijn gemaakt en alleen daar is het [appellant sub 2] om te doen.
7.1. De Afdeling overweegt dat de AVG geen invulling geeft aan het recht op en beperkingen van toegang tot overheidsinformatie. De AVG heeft tot doel om natuurlijke personen te beschermen in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens en het vrije verkeer van de gegevens. De Staat moet zorgen dat de belangen van burgers niet nodeloos worden geschaad. Dit brengt mee dat informatie over burgers alleen openbaar wordt gemaakt als dat noodzakelijk is. Waar het de bescherming van de persoonlijke levenssfeer betreft is deze zorgplicht neergelegd in artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob hoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen. De Wob gaat er vanuit dat bij de beoordeling van een verzoek om informatie het belang dat de verzoeker bij de informatie heeft in beginsel geen rol speelt. Anders dan het UMCU heeft aangevoerd, kan het door het UMCU gestelde belang dat [appellant sub 2] bij zijn verzoek zou hebben daarom geen rol spelen bij de beoordeling of de namen van onderzoekers en hoogleraren mochten worden gelakt.
7.2. Het betoog slaagt niet.
Treden hoogleraren en/of gerenommeerde onderzoekers/wetenschappers uit hoofde van hun functie naar buiten?
8. Het UMCU heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob niet kan worden toegepast bij hoogleraren en/of gerenommeerde onderzoekers/wetenschappers, die bekend staan als gezaghebbend in hun vakgebied. Volgens het UMCU treden deze medewerkers daarmee niet automatisch uit hoofde van hun functie naar buiten. Zo zijn er hoogleraren die zich actief in het publieke debat mengen of externe of interne publieke leidinggevende functies vervullen, maar dat geldt niet voor alle hoogleraren. Er zijn ook hoogleraren die alleen bij het betreffende project betrokken zijn op basis van hun wetenschappelijke of klinische expertise, maar niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden. Zij tekenen de overeenkomsten alleen ‘voor gezien’. De overweging van de rechtbank is volgens het UMCU daarom onjuist en bovendien onwerkbaar in de praktijk. Zo is het niet duidelijk wat onder ‘gerenommeerde onderzoekers’ moet worden verstaan of wanneer iemand als ‘gezaghebbend in zijn vakgebied’ bekend staat. Dat zal risico’s voor de rechtszekerheid opleveren. De rechtbank heeft bij haar oordeel verder ten onrechte van belang geacht dat de aard van de functie van betrokkenen is dat zij wetenschappelijke onderzoeken doen en daarover publiceren.
8.1. Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321, r.o. 3.2, verzet het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende Wob-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt.
8.2. De Afdeling stelt voorop dat het UMCU niet de conclusie van de rechtbank heeft bestreden, dat de motivering om de namen van medewerkers op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob weg te lakken in het besluit van 28 april 2022 tekortschiet, omdat het UMCU ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt naar de functies die medewerkers bekleden.
Het UMCU heeft alleen de overweging van de rechtbank bestreden, dat er bij hoogleraren en/of gerenommeerde onderzoekers/wetenschappers, die bekend staan als gezaghebbend in hun vakgebied, vanuit gegaan kan worden dat zij uit hoofde van hun functie naar buiten treden. Daarbij heeft de rechtbank volgens het UMCU ten onrechte van belang geacht dat de aard van de functie van deze medewerkers is dat zij wetenschappelijke onderzoeken doen en daarover publiceren.
8.3. De enkele omstandigheid dat een medewerker van het UMCU hoogleraar en/of gerenommeerd onderzoek/wetenschapper is, en op zijn vakgebied in wetenschappelijke tijdschriften publiceert, betekent nog niet dat deze medewerker dus ook vanuit zijn functie bij het UMCU in de openbaarheid treedt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is daarbij relevant of deze medewerker in de specifieke situatie als vertegenwoordiger van het UMCU optreedt. Daar is in beginsel sprake van als deze medewerker vanuit zijn functie bij het UMCU een bestuurlijke aangelegenheid behartigt en op basis van zijn positie van bestuurder of krachtens een volmacht of mandaat als vertegenwoordiger naar buiten treedt. Zoals het UMCU met juistheid heeft gesteld, zijn dat in dit geval leden van de Raad van Bestuur en divisiemanagers die overeenkomsten hebben getekend met derde partijen.
Zoals het UMCU ook met juistheid heeft gesteld, zijn dat niet de medewerkers die in de hoedanigheid van (arts)onderzoeker contracten ‘voor gezien’ hebben ondertekend. Zij zijn dan alleen bij een bepaald project betrokken op basis van hun wetenschappelijke of klinische expertise, maar zijn niet gemachtigd om het UMCU te vertegenwoordigen bij het sluiten van die overeenkomsten.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hoogleraren en/of gerenommeerde onderzoekers/wetenschappers, die bekend staan als gezaghebbend in hun vakgebied, alleen al daarom uit hoofde van hun functie bij het UMCU naar buiten treden.
8.4. Het betoog slaagt.
Incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]
Artikel 10 EVRM
9. [appellant sub 2] heeft ter zitting zijn betoog over artikel 10 van het EVRM ingetrokken.
Zoekslag
10. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ter zitting is gebleken dat het betoog over de zoekslag alleen het Leids Universiteit Medisch Centrum (hierna: LUMC) betrof en niet ook het UMCU. Dat is onjuist. Volgens [appellant sub 2] is ook de zoekslag van het UMCU onvoldoende en niet goed gemotiveerd. Het is onduidelijk bij wie het UMCU de zoekslag heeft verricht, in welke systemen en op welke schijven is gezocht en welke deskundige personen daarbij zijn betrokken. Het UMCU heeft volgens [appellant sub 2] een verzwaarde motiveringsplicht hoe de zoekslag is verricht en waarom deze zoekslag voldoende is. Omdat [appellant sub 2] in bewijsnood verkeert, en het bestaan van bepaalde documenten niet kan bewijzen zonder medewerking van het UMCU, moet het UMCU uitvoerig en met feiten onderbouwen dat de documenten, na een zoekslag, niet bestaan.
10.1. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 2] één beroepschrift bij de rechtbank heeft opgesteld voor zowel de procedure over het onderhavige Wob-verzoek dat ziet op het UMCU als voor de procedure over een gelijkluidend door hem ingediend Wob-verzoek bij het LUMC. De rechtbank heeft beide zaken gezamenlijk op een zitting behandeld. In het beroepschrift heeft [appellant sub 2] aangevoerd dat er niet goed is gezocht, dat daardoor veel documenten niet zijn verstrekt en dat ‘verweerder’ niet heeft gemotiveerd hoe de zoekslag is verricht. Volgens de zittingsaantekeningen van de rechtbank heeft de gemachtigde van [appellant sub 2] ter zitting bij de rechtbank verklaard dat de naar voren gebrachte beroepsgrond over de zoekslag op beide zaken zag. Zoals [appellant sub 2] met juistheid naar voren gebracht, heeft de rechtbank daarom ten onrechte overwogen dat het betoog over de zoekslag alleen het LUMC betrof en niet ook het UMCU. Dit betekent echter niet dat het betoog slaagt. Daartoe is het volgende van belang.
10.2. De Afdeling is van oordeel dat het UMCU voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de zoekslag is verricht. [appellant sub 2] heeft verzocht om openbaarmaking van documenten over de door hem in zijn verzoek genoemde afspraken, contracten en overeenkomsten. Het UMCU heeft toegelicht dat op grond van de bevoegdhedenregeling het management van de divisies bevoegd is om de gevraagde overeenkomsten aan te gaan namens het UMCU. Deze divisies archiveren de overeenkomsten vervolgens ook zelf. De afdeling Juridische Zaken van het UMCU heeft daarom per e-mail aan het management van alle divisies opgedragen om de door [appellant sub 2] gevraagde documenten naar de afdeling Juridische Zaken te sturen. Het UMCU heeft een kopie overgelegd van de mail die naar de divisies is gestuurd. Alle divisies hebben gehoor gegeven aan deze oproep. De Afdeling is van oordeel dat het UMCU hiermee blijkt heeft gegeven van een serieuze aanpak van de zoekslag die voldoende recht doet aan het Wob-verzoek.
10.3. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:292) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. In dit geval heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het UMCU, meer documenten onder het UMCU berusten dan al zijn verstrekt.
Conclusie hoger beroep en incidenteel hoger beroep
11. Het hoger beroep van het UMCU is gegrond.
12. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.
Nader besluit van 28 september 2023
13. Bij besluit van 28 september 2023 heeft het UMCU naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant sub 2]. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Het UMCU heeft besloten om de namen en handtekeningen van personen die gemachtigd zijn om het UMCU te vertegenwoordigen, zoals bestuurders, divisiemanagers en personen die in opdracht daarvan hebben getekend, alsnog openbaar te maken. Onder de documenten bevinden zich ook overeenkomsten waarbij hoogleraren of andere onderzoekers alleen in de hoedanigheid van (arts)onderzoeker contracten (mee)ondertekenen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij personen die het onderzoek met of ten behoeve van medische hulpmiddelen zouden verrichten waaraan de derde partij (financieel) een bijdrage leverde. Deze onderzoekers hebben dan getekend om zich te verbinden aan de contractuele voorwaarden die het UMCU met de derde partij in kwestie is aangegaan, of om te kennen te geven dat zij als onderzoeker van tevoren akkoord geven op het voorgestelde onderzoeksprotocol. Ook dienstverleningsovereenkomsten worden door onderzoekers in die hoedanigheid getekend voor gelezen/gezien. Zij zullen immers onderzoek verrichten, spreken op een congres etc. vanuit hun medisch-wetenschappelijke kennis en expertise. De gegevens van deze medewerkers heeft het UMCU niet openbaar gemaakt.
14. Bij brief van 23 oktober 2025 heeft [appellant sub 2] laten weten dat hij het niet eens is met het nadere besluit en verwijst hij naar alle ingediende gronden in deze procedure.
14.1. Uit overwegingen 9 -10.3 volgt dat die gronden niet slagen. In aanvulling daarop overweegt de Afdeling het volgende. Het UMCU heeft bij het nadere besluit de namen en handtekeningen van de personen die namens het UMCU overeenkomsten hebben getekend alsnog openbaar gemaakt. Het UMCU heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de persoonsgegevens van de medewerkers voor het overige worden geweigerd. Zoals volgt uit overweging 8.3, gaat het hier om medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden dan wel in de specifieke situatie als vertegenwoordiger van het UMCU optreden. In aanvulling daarop overweegt de Afdeling dat, voor zover het gaat om persoonsgegevens van medewerkers waarvan in een overeenkomst is vermeld dat zij het betreffende onderzoek verrichten of zullen spreken op een congres, uit de betreffende overeenkomst niet volgt dat zij een bestuurlijke aangelegenheid behartigen en op basis van een volmacht of mandaat als vertegenwoordiger van het UMCU naar buiten treden. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het belang van openbaarheid zwaarder weegt dan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betreffende medewerkers.
15. Het beroep is ongegrond.
Overschrijding van de redelijke termijn
16. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders, omdat de Afdeling het onderzoek op 21 november 2025 heeft gesloten. Er was op dat moment nog geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 van de Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor [appellant sub 2] geen reden was dit naar voren te brengen. Daarom beoordeelt de Afdeling ambtshalve of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.
16.1. De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat was in dit geval op 27 januari 2022. De Afdeling doet vandaag uitspraak. Dat betekent dat de redelijke termijn van vier jaar met minder dan een half jaar is overschreden. Deze overschrijding is geheel aan de Afdeling toe te rekenen, zodat de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) zal worden veroordeeld in de betaling van de schadevergoeding. Uitgaande van een forfaitair tarief van
€ 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, stelt de Afdeling de vergoeding van de door [appellant sub 2] geleden immateriële schade vast op een bedrag van € 500,00.
Proceskosten
17. Het UMCU hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Utrecht gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;
III. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 28 september 2023 ongegrond;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 2] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen, en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Larsson-van Reijsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
978
BIJLAGE
Algemene verordening gegevensbescherming
Artikel 5
Beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens
1. Persoonsgegevens moeten:
[…]
c. toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt ("minimale gegevensverwerking").
Artikel 6
Rechtmatigheid van de verwerking
(…)
4. Wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23 lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met:
(…)
d) de mogelijke gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking voor de betrokkenen;
(…).
Wet openbaarheid van bestuur
Artikel 3
[…]
3. De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.
[…].
Artikel 10
1. […]
2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
[…]
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
[…].