ECLI:NL:RVS:2026:2096

ECLI:NL:RVS:2026:2096

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 202305278/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 30 november 2021 heeft het Raad van Bestuur van het Leids Universitair Medisch Centrum een verzoek van [appellant sub 2] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gedeeltelijk ingewilligd. [appellant sub 2] heeft het LUMC verzocht om openbaarmaking van "alle documenten die betrekking hebben op afspraken, overeenkomsten, contracten, consultancycontracten, dienstverleningsovereenkomsten, sprekersovereenkomsten, sponsorovereenkomsten en contracten zoals benoemd in de Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH) die zijn gesloten tussen 1 januari 2019 en heden tussen uw ziekenhuis en/of in uw ziekenhuis werkzame zorgprofessionals enerzijds en (rechts)personen die een medisch hulpmiddel produceren, in de handel brengen, invoeren, in voorraad hebben, wederverkopen, afleveren dan wel aan een hulpmiddel gerelateerde activiteiten verlenen anderzijds." Het LUMC heeft 20 documenten gevonden die vallen onder de reikwijdte van het Wob-verzoek en heeft besloten om deze documenten gedeeltelijk openbaar te maken.

Uitspraak

202305278/1/A3.

Datum uitspraak: 15 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de Raad van Bestuur van het Leids Universitair Medisch Centrum (hierna: het LUMC), gevestigd in Leiden,

2. [appellant sub 2], wonend in [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 27 juni 2023 in zaak nr. 22/2711 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het LUMC.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2021 heeft het LUMC een verzoek van [appellant sub 2] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) gedeeltelijk ingewilligd.

Bij besluit van 28 april 2022 heeft het LUMC het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit gedeeltelijk vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft het LUMC hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 8 november 2023 heeft het LUMC het door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Het LUMC heeft nadere stukken en een zienswijze ingediend.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

[appellant sub 2] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2025, waar het LUMC, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.M. van de Laar, advocaat te Den Haag, en [appellant sub 2], zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (hierna: de Woo) in werking getreden. Het besluit op bezwaar dat in deze procedure ter beoordeling staat, is genomen vóór 1 mei 2022. Dat betekent dat voor de beoordeling van dit geding de Wob nog van toepassing is (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1699, onder 1.2.). Het LUMC heeft op 28 september 2023 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Dat besluit is, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, voorwerp van dit geding. Op dat besluit is de Woo van toepassing.

2. Het relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Waar gaat deze zaak over?

3. [appellant sub 2] heeft het LUMC verzocht om openbaarmaking van "alle documenten die betrekking hebben op afspraken, overeenkomsten, contracten, consultancycontracten, dienstverleningsovereenkomsten, sprekersovereenkomsten, sponsorovereenkomsten en contracten zoals benoemd in de Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH) die zijn gesloten tussen 1 januari 2019 en heden tussen uw ziekenhuis en/of in uw ziekenhuis werkzame zorgprofessionals enerzijds en (rechts)personen die een medisch hulpmiddel produceren, in de handel brengen, invoeren, in voorraad hebben, wederverkopen, afleveren dan wel aan een hulpmiddel gerelateerde activiteiten verlenen anderzijds."

4. Het LUMC heeft 20 documenten gevonden die vallen onder de reikwijdte van het Wob-verzoek en heeft besloten om deze documenten gedeeltelijk openbaar te maken. Het LUMC heeft een inventarislijst opgesteld waarin is vermeld welk soort document openbaar is gemaakt, wie de contractpartij is en op welke gronden openbaarmaking wordt geweigerd. De soorten documenten zijn getypeerd als ‘Dienstverleningsovereenkomst’, ‘Consultancy overeenkomst’ en ‘Sponsorovereenkomst’. Aan de gedeeltelijke weigering tot openbaarmaking van passages in de documenten heeft het LUMC artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g van die wet ten grondslag gelegd.

Bij besluit van 28 april 2022 heeft het LUMC het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Wat heeft de rechtbank overwogen?

5. De rechtbank heeft het daartegen door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar gedeeltelijk vernietigd.

De rechtbank heeft overwogen dat er volgens de jurisprudentie van de Afdeling in het algemeen van mag worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. De rechtbank ziet aanleiding om, gelet op de beroepsgrond van [appellant sub 2], te onderzoeken of daar in dit geval ook van kan worden uitgegaan.

De rechtbank heeft overwogen dat de motivering van het LUMC om de namen en eventuele specialisaties van medewerkers op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob weg te lakken tekortschiet. Het LUMC heeft deze gegevens, behalve van bestuurders of tekenbevoegden, weggelakt wegens eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Als het gaat om hoogleraren en/of gerenommeerde onderzoekers/wetenschappers, die bekend staan als gezaghebbend in hun vakgebied, kan er volgens de rechtbank vanuit gegaan worden dat zij uit hoofde van hun functie naar buiten treden. De aard van de functie brengt met zich dat zij wetenschappelijke onderzoeken doen en daarover publiceren. De functie bevat dus in zichzelf al een aspect van openbaarheid, waarbij niet relevant is of de medewerker zich als vertegenwoordiger van het LUMC presenteert of niet. Het LUMC heeft dit onvoldoende onderkend en ten onrechte geen onderscheid gemaakt naar de functies die medewerkers bekleden. Ook het weglakken van de specialisaties van alle desbetreffende medewerkers is daarmee onvoldoende gemotiveerd. Indien de vermelding van een specialisatie te herleiden is tot een medewerker die door zijn functie toch al naar buiten treedt, is er onvoldoende reden voor geheimhouding.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat ook de motivering van het LUMC om gegevens op grond van artikel 10, eerste lid, onder c, en tweede lid, onder g, van de Wob weg te lakken tekortschiet omdat deze weigeringsgronden te generiek zijn toepast. Dat geldt alleen niet voor het weglakken van de afgesproken bedragen en tarieven in alle documenten en voor de overige weggelakte passages in documenten 13, 14 en 19. De gelakte passages in documenten 13, 14 en 19 betreffen specifiek te onderzoeken of te ontwikkelen producten en de beschreven onderzoeksmethoden en de openbaarmaking daarvan is daarom ook terecht geweigerd. De gelakte passages in document 18 betreffen alleen maar financiële gegevens en de openbaarmaking van die passages is daarom ook terecht geweigerd. De rechtbank acht het belang bij geheimhouding van de passages op deze gronden in documenten 13, 14, 18 en 19 noodzakelijk en proportioneel wat betreft de toepassing van artikel 10, tweede lid, van het EVRM. Weigering van de overige delen in de andere documenten, waarin de overeengekomen diensten in algemene termen zijn omschreven, ligt volgens de rechtbank niet voor de hand en mist de noodzakelijke motivering. Ten aanzien van de overige documenten heeft de rechtbank overwogen dat zij niet kan toetsen of voldaan is aan de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit.

6. Het LUMC is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Hoger beroep van het LUMC en het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]

De AVG

7. Het LUMC betoogt dat de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) in de weg staat aan openbaarmaking van de namen van de medewerkers. Uit artikel 5, eerste lid, onder c, en artikel 6, eerste lid, onder c en e van de AVG volgt dat steeds het beginsel van dataminimalisatie moet worden gehanteerd en dat de verwerking van persoonsgegevens, ook als daarvoor een grondslag bestaat overeenkomstig artikel 6 van de AVG, noodzakelijk moet zijn. Volgens het LUMC is de verwerking van persoonsgegevens, in dit geval van de namen van medewerkers, anders dan degenen die in mandaat ondertekenen, niet noodzakelijk. Om inzicht te kunnen krijgen in de afspraken in overeenkomsten die zijn gesloten tussen het LUMC en leveranciers, zoals [appellant sub 2] heeft verzocht, is het niet noodzakelijk om de namen van de medewerkers openbaar te maken.

7.1. De Afdeling overweegt dat de AVG geen invulling geeft aan het recht op en beperkingen van toegang tot overheidsinformatie. De AVG heeft tot doel om natuurlijke personen te beschermen in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens en het vrije verkeer van deze gegevens. De Staat moet zorgen dat de belangen van burgers niet nodeloos worden geschaad. Dit brengt mee dat informatie over burgers alleen openbaar wordt gemaakt als dat noodzakelijk is. Waar het de bescherming van de persoonlijke levenssfeer betreft is deze zorgplicht neergelegd in artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob hoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen. De Wob gaat er vanuit dat bij de beoordeling van een verzoek om informatie het belang dat de verzoeker bij de informatie heeft in beginsel geen rol speelt. Anders dan het LUMC heeft aangevoerd, kan het belang dat [appellant sub 2] bij zijn verzoek zou hebben, namelijk om inzicht te krijgen in de afspraken in overeenkomsten die zijn gesloten tussen het LUMC en leveranciers, daarom geen rol spelen bij de beoordeling of de namen van medewerkers mochten worden gelakt.

7.2. Het betoog slaagt niet.

Treden hoogleraren en/of gerenommeerde onderzoekers/wetenschappers uit hoofde van hun functie naar buiten?

8. Het LUMC heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er bij hoogleraren en/of gerenommeerde onderzoekers/wetenschappers, die bekend staan als gezaghebbend in hun vakgebied, vanuit gegaan kan worden dat zij uit hoofde van hun functie naar buiten treden. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte van belang geacht dat de aard van de functie meebrengt dat deze medewerkers wetenschappelijke onderzoeken doen en daarover publiceren. Volgens het LUMC moet worden bezien of de medewerker in de specifieke situatie uit hoofde van zijn functie naar buiten treedt. Als in een overeenkomst met een leverancier is opgenomen dat een medewerker op een congres zal spreken of een lezing zal geven, dan vertegenwoordigt deze medewerker niet het LUMC op het congres. Hij baseert zich tijdens deze lezingen (mede) op resultaten van wetenschappelijk onderzoek, welke resultaten van de Wob zijn uitgezonderd. Degenen die namens het LUMC overeenkomsten tekenen, te weten leden van de Raad van Bestuur en divisiemanagers, treden daarbij, ook als ze hoogleraar zijn, wel vanwege hun functie naar buiten. Dat geldt weer niet voor de medewerkers die naast de bestuurders of divisiemanagers een handtekening plaatsen op de overeenkomst. Zij gaan de overeenkomst niet aan namens het LUMC, maar tekenen alleen mee omdat van hen op basis van de overeenkomst een bepaalde inzet wordt verwacht vanwege hun specifieke deskundigheid.

Het LUMC betoogt verder dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van openbaarheid zwaarder weegt dan het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betreffende arts. De weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob is daarom terecht in de overeenkomsten toegepast. Dat geldt ook voor zover de in de overeenkomsten opgenomen functiebeschrijvingen en/of specialismen tot de specifieke medewerker herleidbaar zijn.

Indien de overwegingen van de rechtbank zouden moeten worden gevolgd, dan is volgens het LUMC onduidelijk hoe zou moeten worden bepaald wie en op grond waarvan bekend staat als gezaghebbend in zijn vakgebied. Dat leidt tot onduidelijkheid en daarmee tot rechtsonzekerheid.

Verder heeft het LUMC aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op de weg van het LUMC ligt om, indien het LUMC voornemens is om openbaarmaking van namen te weigeren, te inventariseren hoe deze personen daar zelf tegenover stonden.

8.1. Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 13 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321, r.o. 3.2, verzet het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende Wob-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt.

8.2. De enkele omstandigheid dat een medewerker van het LUMC hoogleraar en/of gerenommeerd onderzoek/wetenschapper is, en op zijn vakgebied in wetenschappelijke tijdschriften publiceert, betekent nog niet dat deze medewerker dus ook vanuit zijn functie bij het LUMC in de openbaarheid treedt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is daarbij relevant of deze medewerker in de specifieke situatie als vertegenwoordiger van het LUMC optreedt. Daar is in beginsel sprake van als deze medewerker vanuit zijn functie bij het LUMC een bestuurlijke aangelegenheid behartigt en op basis van zijn positie van bestuurder of krachtens een volmacht of mandaat als vertegenwoordiger naar buiten treedt. Zoals het LUMC met juistheid heeft gesteld, zijn dat in dit geval leden van de Raad van Bestuur en divisiemanagers die overeenkomsten hebben getekend met derde partijen.

Zoals het LUMC ook met juistheid heeft gesteld, zijn dat niet de medewerkers die in de hoedanigheid van (arts)onderzoeker contracten ‘voor gezien’ hebben ondertekend. Zij zijn dan alleen bij een bepaald project betrokken op basis van hun wetenschappelijke of klinische expertise, maar zijn niet gemachtigd om het LUMC te vertegenwoordigen bij het sluiten van die overeenkomsten.

Zoals het LUMC verder met juistheid heeft gesteld, zijn dat ook niet de medewerkers waarvan in een overeenkomst is vermeld dat zij op een congres zullen spreken of een lezing zullen geven over een wetenschappelijk onderwerp. Uit de betreffende overeenkomsten volgt niet dat deze medewerkers een bestuurlijke aangelegenheid behartigen en op basis van een volmacht of mandaat als vertegenwoordiger van het LUMC naar buiten treden.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hoogleraren en/of gerenommeerde onderzoekers/wetenschappers, die bekend staan als gezaghebbend in hun vakgebied, alleen al daarom uit hoofde van hun functie bij het LUMC naar buiten treden.

8.3. De rechtbank heeft ook ten onrechte overwogen dat het op de weg van het LUMC ligt om, indien het voornemens was om openbaarmaking van de namen te weigeren, te inventariseren hoe deze personen daar zelf tegenover stonden. Zoals het LUMC terecht heeft aangevoerd, bevat artikel 10, derde lid, van de Wob daartoe geen verplichting. Vergelijk: uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3713.

8.4. Het LUMC heeft de namen, handtekeningen en functies van de personen die namens het LUMC overeenkomsten hebben ondertekend openbaar gemaakt. Zoals het LUMC terecht heeft aangevoerd, heeft zij de openbaarmaking van de namen, handtekeningen en parafen van haar medewerkers voor het overige terecht geweigerd. Het gaat hier om medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden dan wel in de specifieke situatie niet als vertegenwoordiger van het LUMC optreden. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het belang van de openbaarheid zwaarder weegt dan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betreffende medewerkers. Zoals het LUMC terecht heeft aangevoerd, geldt dat ook voor zover de in de overeenkomsten opgenomen functiebeschrijvingen en/of specialismen tot een specifieke medewerker herleidbaar zijn.

8.5. Het betoog slaagt.

Zoekslag

9. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank weliswaar terecht heeft overwogen dat de zoekslag van het LUMC niet voldoende is, maar dat de aanwijzingen van de rechtbank over hoe er gezocht moet worden, niet volgens de ‘best practice’ zijn op dit gebied. Het is onduidelijk bij wie het LUMC de zoekslag heeft verricht, in welke systemen, op welke schijven en welke deskundige personen daarbij zijn betrokken. Het LUMC heeft volgens [appellant sub 2] een verzwaarde motiveringsplicht hoe de zoekslag is verricht en waarom deze zoekslag voldoende is. Omdat [appellant sub 2] in bewijsnood verkeert, en het bestaan van bepaalde documenten niet kan bewijzen zonder medewerking van het LUMC, moet het LUMC uitvoerig en met feiten onderbouwen dat de documenten, na een zoekslag, niet bestaan.

9.1. De rechtbank heeft overwogen dat het LUMC onvoldoende duidelijk heeft gemaakt op welke wijze, in welke bestanden en dossiers en met welke zoektermen, en door wie is gezocht. Dat betekent dat [appellant sub 2] in zoverre dus gelijk heeft gekregen van de rechtbank. Dat wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd over ‘best practice’ en de motiveringsplicht van het LUMC is niet gericht tegen een dragende overweging van de uitspraak van de rechtbank. Het betoog kan daarom niet slagen.

Artikel 10 EVRM

10. Het LUMC heeft de overwegingen van de rechtbank over de toetsing aan artikel 10 EVRM bestreden. De Afdeling overweegt dat, wat er ook zij van de juistheid van deze overwegingen, het betoog van het LUMC niet is gericht tegen overwegingen van de uitspraak van de rechtbank die dragend zijn geweest voor haar oordeel om het besluit op bezwaar te vernietigen. Het betoog kan daarom niet slagen.

11. [appellant sub 2] heeft ter zitting zijn betoog, dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de noodzakelijkheids- en proportionaliteitstoets zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM moet worden uitgevoerd, ingetrokken.

Conclusie hoger beroep en incidenteel hoger beroep

12. Het hoger beroep van het LUMC is gegrond.

13. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Nader besluit van 8 november 2023

14. Bij besluit van 8 november 2023 heeft het LUMC naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant sub 2]. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

15. [appellant sub 2] heeft desgevraagd geen gronden ingediend tegen het nadere besluit.

16. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

17. Het LUMC hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de Raad van Bestuur van het Leids Universitair Medisch Centrum gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 8 november 2023 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen, en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.

w.g. Verheij

voorzitter

w.g. Larsson-van Reijsen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026

978

BIJLAGE

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 10. Vrijheid van meningsuiting

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Algemene verordening gegevensbescherming

Artikel 5

Beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens

1. Persoonsgegevens moeten:

[…]

c. toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt ("minimale gegevensverwerking").

Artikel 6

Rechtmatigheid van de verwerking

1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

[…]

c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;

[…]

e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;

[…].

Wet openbaarheid van bestuur

Artikel 10

1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:

[…]

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;

[…]

2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…]

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…]

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voor zover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?