202503413/1/A2.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2025 in zaak nr. 24/6427 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2024 heeft het college op een aanvraag van [appellante] om brede ondersteuning bij herstel kinderopvangtoeslagenaffaire een bedrag van € 1.328,00 toegekend.
Bij besluit van 18 september 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit en het college opgedragen een vergoeding toe te kennen van € 724,50.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. B.B.A. Willering, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door [gemachtigden, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft bij het college een aanvraag ingediend in het kader van de Beleidsregels ondersteuning gedupeerden Kinderopvangtoeslagaffaire 2024 van de gemeente Amstelveen. Deze beleidsregels geven uitvoering aan artikel 2.21, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Op grond van die bepaling kan het college gedupeerden van de kinderopvangtoeslagenaffaire brede ondersteuning bieden op de leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg. Op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, van de beleidsregels wordt de ondersteuning ingezet op basis van de behoefte en noodzaak van die ondersteuning. De noodzaak en vorm worden vastgesteld door het college op basis van een gezamenlijk opgesteld plan van aanpak, gericht op het maken van een nieuwe start.
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Besluitvorming
3. Het college heeft bij het besluit onder meer een bedrag van € 836,00 voor laminaat en € 132,00 voor muurverf toegekend. Deze bedragen zijn vastgesteld op basis van de richtprijzen van het Nibud.
4. [appellante] heeft tegen dit besluit in bezwaar gemaakt omdat de werkelijke kosten volgens haar hoger waren, namelijk € 2.174,68 voor het laminaat en € 500,00 voor de muurverf. Bij de beslissing op bezwaar heeft het college vastgehouden aan de normbedragen die volgen uit de richtlijnen van het Nibud.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de helft van het verschil tussen de werkelijke kosten en wat het college heeft toegekend alsnog door het college vergoed moet worden. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat enerzijds [appellante] zelf had kunnen informeren hoeveel zij vergoed zou krijgen en, anderzijds, het college voorafgaand aan de uitgaven aan [appellante] had kunnen uitleggen wat zij maximaal mocht uitgeven volgens de Nibudnormen. Het college heeft op zitting gezegd niet zeker te weten of [appellante] hierover is ingelicht en dit achtte de rechtbank onzorgvuldig.
Hoger beroep
6. Ter zitting is de grond over de proceskosten van de hoorzitting in bezwaar ingetrokken.
7. In wat [appellante] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen grond om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. Uit de gedingstukken blijkt niet van een toezegging dat alle daadwerkelijk gemaakte kosten zonder begrenzing zouden worden vergoed. De enkele stelling dat vooraf niet expliciet is gewezen op de toepassing van Nibud-richtprijzen is daarvoor onvoldoende.
8. Bij de toepassing van artikel 2.21 van de Wht heeft het college beslissingsruimte bij het bepalen welke ondersteuning noodzakelijk is en tot welk bedrag die wordt toegekend. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, mag het college daarbij aansluiten bij objectieve normbedragen, zoals de Nibud-richtprijzen. Dat [appellante] hogere kosten heeft gemaakt, betekent niet dat het college ook gehouden was die te vergoeden. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid en dat het college niet gehouden was het volledige verschil te dragen.
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
284-1190