ECLI:NL:RVS:2026:2145

ECLI:NL:RVS:2026:2145

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 202407796/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 13 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas aan [appellant] een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren/herstellen van twee stallen op het perceel Lange Heide te Maasbree, kadastraal bekend als gemeente Maasbree, sectie R, nummer 426 (het perceel). [appellant] is eigenaar van het aan zijn woonperceel grenzende perceel aan de Lange Heide. De twee stallen op dat perceel zijn in 1973 met een bouwvergunning opgericht. [appellant] heeft in 2020 bouwwerkzaamheden verricht aan de op dat moment in slechte staat verkerende stallen. [appellant] wil de stallen gaan gebruiken voor de stalling van agrarische vervoermiddelen van derden. Het college heeft hiervoor bij besluit van 13 april 2021 een tijdelijke omgevingsvergunning verleend. [partij A] en [partij B] hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Dat bezwaar heeft er toe geleid dat het college de omgevingsvergunning bij besluit op bezwaar van 4 oktober 2021 heeft herroepen en alsnog heeft geweigerd om omgevingsvergunning te verlenen.

Uitspraak

202407796/1/R1.

Datum uitspraak: 22 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Maasbree, gemeente Peel en Maas,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 november 2024 in zaak nr. 24/695 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2021 heeft het college aan [appellant] een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren/herstellen van twee stallen op het perceel Lange Heide te Maasbree, kadastraal bekend als gemeente Maasbree, sectie R, nummer 426 (het perceel).

Bij besluit van 4 oktober 2021 heeft het college het door [partij A] en [partij B] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 13 april 2021 herroepen en geweigerd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

Bij uitspraak van 25 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 februari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door R.A.H.M. van der Steen, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] is eigenaar van het aan zijn woonperceel grenzende perceel aan de Lange Heide. De twee stallen op dat perceel zijn in 1973 met een bouwvergunning opgericht. [appellant] heeft in 2020 bouwwerkzaamheden verricht aan de op dat moment in slechte staat verkerende stallen. [appellant] wil de stallen gaan gebruiken voor de stalling van agrarische vervoermiddelen van derden. Het college heeft hiervoor bij besluit van 13 april 2021 een tijdelijke omgevingsvergunning verleend. [partij A] en [partij B] hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Dat bezwaar heeft er toe geleid dat het college de omgevingsvergunning bij besluit op bezwaar van 4 oktober 2021 heeft herroepen en alsnog heeft geweigerd om omgevingsvergunning te verlenen.

De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar van 4 oktober 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingesteld. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op bezwaar daadwerkelijk naar [appellant] is verzonden en dat [appellant] in ieder geval ten tijde van een e-mailcorrespondentie begin 2022 bekend was met dit besluit, zodat de beroepstermijn van zes weken in die periode is gaan lopen. De rechtbank heeft het beroepschrift op 12 februari 2024 ontvangen, dat is buiten de beroepstermijn.

Beoordeling van het hoger beroep

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met het beroepschrift van 6 februari 2024 tijdig beroep is ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 4 oktober 2021. [appellant] heeft hierover aangevoerd dat hij het besluit op bezwaar pas per e-mailbericht op 6 februari 2024 heeft ontvangen. Zijn adviseur, F. Jansen van adviesbureau Reland, had daar op 29 januari 2024 om gevraagd naar aanleiding van een overleg tussen deze adviseur en een ambtenaar op diezelfde dag over het voornemen van het college om over te gaan tot handhaving. [appellant] stelt dat het college bij gebreke van een verzendadministratie niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit aan hem is verzonden. Volgens [appellant] heeft de rechtbank in de door het college overgelegde e-mailcorrespondentie van 20 januari 2022 tot en met 22 maart 2022 tussen hem en de gemeente en de toelichting daarover van het college ten onrechte een aanwijzing gezien dat hij het besluit toen al had ontvangen.

2.1. Als de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, moet het bestuursorgaan aannemelijk maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Daartoe volstaat in eerste instantie het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres door een bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf. Omdat de bij deze postvervoerbedrijven aangeboden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd rechtvaardigt het gebruik maken van deze bedrijven het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Vereist is wel dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat er een deugdelijke verzendadministratie is. Verder mag niet gebleken zijn van recente, concrete problemen bij de verzending van poststukken.

Als het bestuursorgaan de verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om voormeld vermoeden te ontzenuwen. De geadresseerde hoeft daarvoor niet aannemelijk te maken dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

2.2. Vast staat dat het college het besluit op bezwaar van 4 oktober 2021 niet aangetekend heeft verzonden. Omdat [appellant] betwist dat hij dit besluit omstreeks deze datum heeft ontvangen, is het aan het college om de verzending van het besluit aan hem aannemelijk te maken. Het besluit is voorzien van een juiste adressering en van een verzenddatum, 6 oktober 2021. Niet in geschil is dat het college niet beschikt over een verzendadministratie, waaruit kan worden afgeleid dat verzending daadwerkelijk heeft plaats gevonden.

Anders dan de rechtbank ziet de Afdeling in de door het college overgelegde e-mailberichten en de toelichting daarop van het college onvoldoende aanwijzingen dat het besluit ook daadwerkelijk aan [appellant] is verzonden of dat [appellant] in ieder geval ten tijde van deze e-mailcorrespondentie bekend was met het besluit. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende.

In het aan de adviseur van [appellant] gestuurde e-mailbericht van 20 januari 2022 met als onderwerp "terugbellen" is vermeld dat er een intern overleg zal plaatsvinden over "hoe nu verder met deze casus" en dat de adviseur daarna zal worden geïnformeerd. De adviseur heeft hier diezelfde dag op gereageerd met de tekst "Ok. Dank voor de update!". Op 11 februari 2022 heeft de medewerker van de gemeente aan de adviseur gemaild dat zij nog niet alles duidelijk heeft en ze er zo snel mogelijk op terug zal komen. In het e-mailbericht van 11 februari 2022 heeft de adviseur geantwoord: "Is goed. Zolang handhaving niet actief wordt, is dat niet zo’n ramp." Verder blijkt uit de mailwisseling in maart 2022 dat is geprobeerd een afspraak te maken tussen [appellant] en medewerkers van de gemeente "inzake de stallen aan de Lange Heide in Maasbree". In dat verband heeft [appellant] in een e-mailbericht van 16 maart 2022 laten weten dat hij aan een ambtenaar de vraag heeft voorgelegd wat de insteek daarvan is en hij op een reactie wacht. Vervolgens heeft [appellant] op 17 maart 2022 gemaild dat hij graag bij het overleg wil aansluiten maar dat hij eerst een antwoord wil hebben over de aan te vliegen route. Daarin heeft hij ook vermeld dat het hem aan planologische kennis ontbreekt en hij daarom een beroep doet op zijn adviseur. Dit overleg heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de Afdeling bevat deze mailwisseling geen objectieve gegevens waaruit de verzending van het besluit aan [appellant] blijkt. Weliswaar is niet in geschil dat het mailcontact ging over de stallen en de gevolgen van het ingediende bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor de verbouwing van die stallen, maar niet blijkt dat [appellant] wist dat hij niet meer beschikte over een omgevingsvergunning. Daarbij is van belang dat in geen van de mails een uitdrukkelijke bevestiging van ontvangst van de beslissing op bezwaar kan worden gevonden. Ook van de kant van het college is in deze mails niet gesteld dat de omgevingsvergunning is herroepen. Volgens de in beroep door [appellant] en de adviseur gegeven toelichting hebben zij in januari 2022 contact opgenomen met de gemeente omdat hen tijdens de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie duidelijk was geworden dat er twijfels waren of het college de juiste voorbereidingsprocedure had gevolgd. Zij hielden er om die reden rekening mee dat het college de omgevingsvergunning alsnog zou weigeren. Volgens [appellant] en de adviseur was het overleg in 2022 bedoeld om duidelijk te krijgen hoe het in dit mogelijk nadelige scenario procedureel verder moest om de stallen alsnog gelegaliseerd te krijgen. Dat rekening werd gehouden met een mogelijk nadelig scenario verklaart volgens [appellant] eveneens waarom in het e-mailbericht van 11 februari 2022 over handhaving wordt gerept.

De Afdeling stelt vast dat de overgelegde e-mailcorrespondentie deze door [appellant] geschetste gang van zaken niet uitsluit. Nu het college op de zitting heeft toegelicht dat het geen andere aanwijzingen dan de voormelde correspondentie heeft dat [appellant] op de hoogte was van het besluit, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling niet voldaan aan de onder 2.1 weergegeven op hem rustende bewijslast voor verzending van het besluit. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling daarom van oordeel dat het college er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat het besluit vóór 6 februari 2024 is verzonden. Dat betekent dat de termijn voor het instellen van beroep niet is ingegaan op de dag na 6 oktober 2021 en ook niet begin januari 2022, waarvan de rechtbank is uitgegaan. Het college heeft het besluit op bezwaar pas op 6 februari 2024 aan [appellant] toegezonden. Met het op 12 februari 2024 door de rechtbank ontvangen beroepschrift heeft [appellant] dan ook tijdig beroep ingesteld.

De Afdeling komt daarom tot het oordeel dat de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 4 oktober 2021 over de omgevingsvergunning voor de verbouwing van de twee stallen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het beoog slaagt.

Conclusie hoger beroep

3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. De Afdeling zal alsnog de door [appellant] bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden tegen het besluit op bezwaar van 4 oktober 2021 beoordelen, omdat de rechtbank daaraan ten onrechte niet is toegekomen.

Beoordeling van het beroep

Zijn [partij A] en [partij B] belanghebbende?

4. [appellant] heeft in beroep aangevoerd dat het college [partij A] en [partij B] ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt bij het besluit van 13 april 2021. Hij heeft hierover aangevoerd dat zij nauwelijks zicht hebben op de stallen en dat zij daarvan ook geen overlast ondervinden. Volgens [appellant] had het college het bezwaarschrift van [partij A] en [partij B] om die reden niet-ontvankelijk moeten verklaren.

4.1. Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit hebben. In het omgevingsrecht is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit, in beginsel belanghebbende is bij de vaststelling van de besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

4.2. De op 13 april 2021 verleende omgevingsvergunning waar [partij A] en [partij B] tegen opkomen, gaat alleen over de verbouwing van de al op het perceel aanwezige stallen. De zonnepanelen maken geen deel uit van de omgevingsvergunning. Het college heeft zich in het besluit van 13 april 2021 namelijk op het standpunt gesteld dat de zonnepanelen vergunningsvrij kunnen worden geplaatst op het dakvlak van de verbouwde stallen.

Het perceel van [partij A] en [partij B] grenst niet aan het perceel waar de twee stallen op staan. De afstand van hun woning tot de dichtstbij gelegen stal is ongeveer 90 m. Zoals bij de rechtbank aan de orde is geweest en het college op de zitting van de Afdeling heeft bevestigd, hebben [partij A] en [partij B] als gevolg van de aanwezige bebouwing en begroeiing tussen hun woning en de stallen alleen vanuit de slaapkamer op de eerste verdieping van hun woning hooguit een beperkt zicht op het dak van de stallen. De gevolgen van het zicht op de stallen acht de Afdeling te beperkt om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Aangezien de toegang van de stallen wordt verschaft via de Lange Heide en niet via de doodlopende weg in de nabijheid van de woning van [partij A] en [partij B], ziet de Afdeling ook in de gevolgen van het beoogde gebruik van de stallen geen aanleiding om aan te nemen dat [partij A] en [partij B] daarvan feitelijke gevolgen zullen ondervinden. [partij A] en [partij B] zijn daarom geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het besluit van 13 april 2021. Het college heeft dan ook ten onrechte inhoudelijk beslist op het door hen gemaakte bezwaar. Het betoog slaagt.

Conclusie beroep

5. Het beroep is gegrond. Het besluit op bezwaar van 4 oktober 2021 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 4 oktober 2021 vernietigen. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het door [partij A] en [partij B] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 13 april 2021 niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dat betekent dat de aan [appellant] verleende omgevingsvergunning van 3 april 2021 in stand blijft.

6. Het college moet de proceskosten van [appellant] vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 november 2024 in zaak nr. 24/695;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas van 4 oktober 2021, kenmerk 1894/2021/2405169;

V. verklaart het door [partij A] en [partij B] tegen het besluit van 13 april 2021 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 466,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Besselink

voorzitter

w.g. Deen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026

604

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.J.M. Besselink
  • mr. P.H.A. Knol
  • mr. J.A.W. Huijben

Griffier

  • mr. G.J. Deen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?