ECLI:NL:RVS:2026:215

ECLI:NL:RVS:2026:215, Raad van State, 14-01-2026, 202401156/1/R2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer 202401156/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 14 december 2023 heeft de raad van de gemeente Someren het bestemmingsplan "Waterlaat en Opper oneven Someren" vastgesteld. Het plan voorziet in de realisatie van maximaal veertien woningen in de vorm van vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen en aaneengebouwde en geschakelde woningen. Het plangebied, in het zuiden van de kern Someren, is op dit moment grotendeels in gebruik als achtertuinen bij verschillende woningen aan de Kommerstraat. [appellant] woont aan de [locatie] in Someren, grenzend aan het plangebied. Hij kan zich niet verenigen met het plan, onder andere omdat op korte afstand tegenover zijn woning woningen gebouwd mogen worden. [partij] is eigenaar van een deel van de gronden in het plangebied, kadastraal bekend gemeente Someren, sectie B, nr. 5183, en sectie S, nr. 2166, tegenover het perceel van [appellant].

Uitspraak

202401156/1/R2.

Datum uitspraak: 14 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Someren,

appellant,

en

de raad van de gemeente Someren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Waterlaat en Opper oneven Someren" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 oktober 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, advocaat in Someren, en de raad, vertegenwoordigd door ing. J.F.W. van Oosterhout en mr. A.A.M. Kuijken, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], bijgestaan door mr. E.H.E.J. Wijnen, advocaat in Tilburg, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 18 augustus 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan voorziet in de realisatie van maximaal veertien woningen in de vorm van vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen en aaneengebouwde en geschakelde woningen. Het plangebied, in het zuiden van de kern Someren, is op dit moment grotendeels in gebruik als achtertuinen bij verschillende woningen aan de Kommerstraat.

2.1. [appellant] woont aan de [locatie] in Someren, grenzend aan het plangebied. Hij kan zich niet verenigen met het plan, onder andere omdat op korte afstand tegenover zijn woning woningen gebouwd mogen worden. [partij] is eigenaar van een deel van de gronden in het plangebied, kadastraal bekend gemeente Someren, sectie B, nr. 5183, en sectie S, nr. 2166, tegenover het perceel van [appellant].

Wijze van toetsen

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Strijd met uitgangspunten vorig bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan

4. [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan "Groote Hoeven" (hierna: het vorige plan) en het daarbij behorende beeldkwaliteitsplan, in het bijzonder wat betreft de aanleg van een groenstrook langs de woonstraat Opper. Volgens hem volgt uit de plantoelichting dat voor de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij het vorige plan en het beeldkwaliteitsplan. Daarmee heeft de raad dit beeldkwaliteitsplan zelf in de onderbouwing van het nu voorliggende plan geïncorporeerd, zodat het in zoverre als toetsingskader heeft te gelden. Nu de mogelijk gemaakte ontwikkeling afwijkt van die eerdere uitgangspunten, is het plan volgens [appellant] niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor het plan weliswaar het beeldkwaliteitsplan en de stedenbouwkundige opzet van het vorige plan als uitgangspunt zijn genomen, maar dat deze documenten geen juridisch bindend kader vormen, nu ze niet als bijlage bij de regels zijn opgenomen en evenmin via de welstandsnota voor dit plangebied zijn verankerd. Volgens de raad is het plan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

4.2. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor een gebied vaststellen. De raad is niet gebonden aan keuzes die met het vorige plan, dat in 2018 is vastgesteld, zijn gemaakt. Verder is er geen bepaling op grond waarvan een eerder vastgesteld beeldkwaliteitsplan bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan in acht genomen moet worden. Dat in de toelichting bij het plan staat dat wordt aangesloten bij de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing en de wegenstructuur van het vorige plan, betekent niet dat dit precies moet overeenkomen. Een plantoelichting heeft bovendien geen bindende werking.

De Afdeling stelt vast dat het plan afwijkt van het in het vorige plan opgenomen uitgangspunt dat langs de Opper een groenstrook zal worden gerealiseerd. De raad heeft voor deze locatie bij het voorliggende plan een andere afweging gemaakt. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat de realisatie van een afzonderlijke smalle groenstrook vanuit het oogpunt van beheer niet wenselijk is en de voorkeur uitgaat naar grotere aaneengesloten groenvlakken, zoals het vlak dat in het plan op de hoek van de Waterlaat en de Opper is voorzien. Verder heeft de raad toegelicht dat de beoogde invulling met maximaal zes grondgebonden woningen op het perceel van [partij] noodzakelijk is om te komen tot een haalbare en afgeronde ontwikkeling van dit deel van de wijk Groote Hoeven. Daarbij heeft de raad er tevens op gewezen dat de groenstrook in de eerdere planopzet, anders dan het groenvlak in het voorliggende plan, grotendeels kon worden benut voor inritten en parkeervoorzieningen, zodat de betekenis daarvan voor de ruimtelijke kwaliteit in de praktijk beperkt zou zijn. Tot slot heeft de raad erop gewezen dat in de wijk niet in alle woonstraten een groenstrook aanwezig is en dat het stedenbouwkundige plan zich kenmerkt door variatie.

Gelet hierop, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet langer vasthouden aan een groenstrook tegenover de woning van [appellant] niet leidt tot een onevenredige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit.

Het betoog slaagt niet.

Aantasting woon- en leefklimaat

5. [appellant] betoogt dat het plan leidt tot een vergaande aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij wijst erop dat de woningbouw op slechts 1,5 m van de Opper mogelijk wordt gemaakt, terwijl in het vorige plan nog een groenstrook van ongeveer 6 m diep was voorzien. Volgens hem kan daardoor tot nagenoeg op de straat worden gebouwd en komt de woningbouw te dicht op zijn woning te staan. Daarnaast voert [appellant] aan dat de in artikel 10, onder b, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid ertoe kan leiden dat de nieuwe woningen nog dichter bij zijn perceel worden gebouwd. Verder stelt hij dat de woningbouw zal leiden tot een onaanvaardbare afname van lichtinval in en bezonning van zijn woning. Omdat geen bezonningsstudie is verricht, is zijn belang onvoldoende afgewogen, zo voert [appellant] aan.

5.1. Artikel 10, aanhef en onder b, van de planregels luidt:

"Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in de regels, ten behoeve van:

b. Het bouwen met een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van de bouw- en bestemmingsgrenzen indien dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waar een rationele verkaveling van de gronden dit vergt."

5.2. De Afdeling overweegt dat uit de verbeelding volgt dat de voorziene afstand tussen de voorgevel van de woning van [appellant] en de voorgevelrooilijn van de nieuwe woningen ten minste 13,65 m bedraagt, waar dit in het vorige plan 16,9 m was. De afstand is daarmee met ongeveer 3,25 m verkleind. De raad heeft deugdelijk gemotiveerd toegelicht dat hoewel deze afstand kleiner is, deze niet ongebruikelijk is voor een woonstraat en, ook zonder groenstrook, past binnen de ruimtelijke opzet van de wijk. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling op dat standpunt kunnen stellen.

Voor zover [appellant] vreest dat de afwijkingsbevoegdheid van artikel 10, onder b, van de planregels ertoe kan leiden dat de nieuwe woningen nog dichterbij worden gebouwd, overweegt de Afdeling dat deze bevoegdheid beperkt is tot geringe afwijkingen als gevolg van afwijkingen of onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of als een rationele verkaveling dat vergt. Gelet hierop, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat toepassing van deze bevoegdheid zal leiden tot een significante verkleining van de afstand tot de woning van [appellant]. Bij toepassing van de bevoegdheid zullen bovendien de belangen van [appellant] moeten worden gewogen. Overigens heeft de raad toegelicht dat toepassing van deze bevoegdheid om daarmee de nieuwe bebouwing dichter op de straat of op bestaande woningen te plaatsen, niet in de rede ligt.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

5.3. De gevolgen voor de bezonning en schaduwwerking bij de woning van [appellant] zijn bij de planvaststelling niet onderzocht. De raad had dit uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wel moeten doen. Het besluit van 14 december 2023 is daarom in zoverre genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het betoog slaagt in zoverre.

5.4. Na de vaststelling van het plan heeft de raad aanleiding gezien om Duis architecture and services onderzoek te laten uitvoeren. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de "Rapportage bezonningsstudie" (hierna: de bezonningsstudie) van 4 juni 2024. Daarbij is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden wat betreft bouwhoogte, goothoogte en bouwvolume. De bezonningsstudie laat zien wat de invloed is van de beoogde woningbouw op de zonuren van de woning van [appellant] en op welke plekken er schaduwwerking optreedt. De raad heeft voor het aantal zonuren per dag in een woning de zogenoemde strenge TNO-norm als uitgangspunt gehanteerd. Deze norm gaat uit van minimaal drie bezonningsuren per dag in de periode 21 januari tot en met 22 november ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Uit de bezonningsstudie volgt dat de woning van [appellant] ook na de realisering van de nieuwe woningen aan deze norm voldoet. [appellant] heeft dit niet bestreden. De raad mocht zich dan ook op het standpunt stellen dat de voorziene ontwikkeling niet leidt tot een grote vermindering van zonlichttoetreding en tot ernstige schaduwhinder. De Afdeling ziet aanleiding om het onder 5.3 vastgestelde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in de einduitspraak te passeren.

Strijd met Waterhuishoudingsplan Groote Hoeven

6. [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met het Waterhuishoudingsplan Groote Hoeven van 16 september 2016, omdat de in het vorige plan voorziene groenstrook tussen de nieuwe woningen en de Opper is komen te vervallen. Volgens hem wijkt het plan daarmee af van de uitgangspunten in het Waterhuishoudingsplan, waarin is geadviseerd om voldoende groenzones aan te leggen op gelijke hoogte of lager dan de rijbaan om wateroverlast te voorkomen. [appellant] vreest voor wateroverlast. Hij voert verder aan dat het Waterhuishoudingsplan en het Rioolontwerp Groote Hoeven van 10 april 2018 ongewijzigd aan het plan ten grondslag zijn gelegd, terwijl deze onderzoeken niet meer actueel zijn omdat daarin is uitgegaan van de aanwezigheid van een groenzone langs de Opper.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met het plan nog steeds wordt voldaan aan de eisen van waterberging. Bij de berekeningen van het vorige plan is rekening gehouden met de oppervlakteverharding van de kavels. Hoewel de totale oppervlakteverharding van het plan enigszins afwijkt van de oorspronkelijke uitgangspunten van het Waterhuishoudingsplan, volgt uit het Rioolontwerp dat er een totale waterbergingscapaciteit van 3.840 m3 voor de gehele wijk Groote Hoeven wordt gerealiseerd. De door het waterschap gestelde eis bedraagt 2.600 m3, zodat sprake is van een overcapaciteit van 1.240 m3. Volgens de raad leidt de geringe toename van het verhard oppervlak door het plan niet tot strijd met de eisen voor waterberging, omdat de beschikbare bergingscapaciteit nog steeds ruimschoots toereikend is. Daarbij wijst de raad erop dat bij de inrichting van het openbaar gebied wordt gezorgd voor een goede afwatering, zodat geen wateroverlast zal ontstaan.

De raad wijst er verder op dat het plan in het kader van het wettelijk vooroverleg aan het waterschap is voorgelegd, zoals vermeld in paragraaf 8.2 van de plantoelichting. De reactie van het waterschap is volgens de raad niet afzonderlijk bijgevoegd, maar het vooroverleg heeft inhoudelijk niet geleid tot aanpassingen van het plan, anders dan het tekstueel aanvullen van de waterparagraaf naar aanleiding van vragen van het waterschap.

6.2. Artikel 3.1.1a van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) luidt: "Bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar."

6.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer onder 14.3 van haar uitspraak van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:437, staat artikel 3.1.1a van het Bro er niet aan in de weg dat onderzoeksgegevens ouder dan twee jaar aan het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd.

Uit het Waterhuishoudingsplan, het Rioolontwerp en paragraaf 5.2.3 van de plantoelichting volgt dat de ontwikkeling voorziet in een waterbergingscapaciteit die ruimschoots voldoet aan de door het waterschap gestelde bergingseis voor de gehele wijk Groote Hoeven. In het Rioolontwerp staat bovendien dat volgens de berekeningen geen wateroverlast optreedt.

Dat bij de opstelling van het Waterhuishoudingsplan aanvankelijk is uitgegaan van een groenzone langs de Opper, maakt niet dat de onderzoeken geen grondslag kunnen vormen voor het plan. De raad heeft deugdelijk gemotiveerd dat ondanks het vervallen van die groenzone nog steeds wordt voorzien in voldoende bergingscapaciteit. Daarbij is van belang dat op de hoek van de Waterlaat en de Opper een groenvlak met een oppervlakte van ruim 300 m2 wordt aangelegd. De Afdeling overweegt dat in het voorliggende plan sprake is van een beperkte toename van verhard oppervlak ten opzichte van het vorige plan. Volgens de berekening van [partij] gaat het om een verschil van ongeveer 40 m2. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van die berekening te twijfelen. Dat [appellant] op de zitting heeft gesteld dat de toename van het verhard oppervlak groter is, leidt niet tot een ander oordeel, nu die stelling niet met een eigen onderzoek of onderbouwing is gestaafd. Gezien de totale hoeveelheid verharding van ongeveer 43.400 m2 in de gehele wijk Groote Hoeven is het verschil verwaarloosbaar. Ook indien wordt uitgegaan van een iets groter verschil dan 40 m2, mocht de raad ervan uitgaan dat de te realiseren overcapaciteit van 1.240 m3 zodanig ruim is dat dit verschil geen invloed heeft op de toereikendheid van de waterberging.

Het betoog slaagt niet.

Voorwaardelijke verplichting

7. [appellant] betoogt dat de planregels onvoldoende borgen dat op de hoek van de Waterlaat en de Opper daadwerkelijk een groenvlak wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Hij wijst erop dat de bestemming "Groen" ingevolge artikel 3.1 van de planregels een breed scala aan functies toelaat, waaronder speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen. De raad had volgens hem de aanleg en instandhouding van een groenvlak met een voorwaardelijke verplichting in de planregels moeten borgen.

7.1. De raad licht toe dat in het vorige plan ook geen voorwaardelijke verplichting was opgenomen voor de bestemming "Groen". De raad acht het vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Groen" met alleen groen wordt ingericht. Daarom is volgens de raad een voorwaardelijke verplichting niet nodig.

7.2. De Afdeling overweegt dat de bestemming "Groen" ingevolge artikel 3.1 van de planregels inderdaad ook andere functies toelaat, zoals speel-, nuts- of parkeervoorzieningen. De raad heeft toegelicht dat hij het vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk acht dat het volledige bestemmingsvlak als groenstrook wordt ingericht. De Afdeling ziet geen aanleiding dit standpunt van de raad niet te volgen. De Afdeling betrekt daarbij dat de raad gemotiveerd heeft toegelicht dat de waterbergingscapaciteit van de wijk Groote Hoeven zodanig ruim is gedimensioneerd dat ook zonder het groenvlak van 300 m2 op de hoek van de Waterlaat en de Opper geen problemen worden verwacht.

Het betoog slaagt niet.

Afwijkingsbevoegdheid

8. [appellant] betoogt dat artikel 10, onder a, van de planregels, waarin een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen, onvoldoende rechtszekerheid biedt. Volgens hem is onduidelijk wanneer sprake is van een bouwkundige of architectonische inpassing die toepassing van de 10%-regeling rechtvaardigt. Ook is volgens hem onduidelijk wat onder c wordt bedoeld met de voorwaarde dat de stedenbouwkundige betekenis niet wordt aangetast. Omdat niet kenbaar is waaraan het bevoegd gezag bij de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid moet toetsen, acht hij de planregel rechtsonzeker.

8.1. Volgens de raad is er geen aanleiding om aan te nemen dat gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid, omdat de maximale bouwhoogte van 11 m voldoende ruimte biedt om binnen de gestelde maatvoering te bouwen. Voor zover in een concreet geval toch toepassing wordt gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid, gaat daaraan volgens de raad een belangenafweging vooraf waarbij ook de belangen van [appellant] worden betrokken. Bovendien staat tegen een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 10, rechtsbescherming open.

8.2. Artikel 10, aanhef en onder a en c, van de planregels luidt:

"Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in de regels, ten behoeve van:

a. Het afwijken van de voorgeschreven minimum- en maximummaten met niet meer dan 10%, mits:

1. daarvoor in deze regels geen bijzondere afwijkingsbevoegdheden zijn opgenomen.

2. dit noodzakelijk is voor de bouwkundige dan wel architectonische inpassing.

c. De onder a en b geregelde omgevingsvergunningen kunnen worden verleend indien door deze verlening belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en de stedenbouwkundige samenhang niet onevenredig wordt aangetast. Er zal sprake zijn van onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige samenhang als:

1. de karakteristiek van de openbare ruimte wordt aangetast.

2. de historische of stedenbouwkundige betekenis van de bebouwing wordt aangetast."

8.3. De Afdeling overweegt dat het een planregel niet rechtsonzeker maakt als daarin een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen die het bevoegd gezag beoordelingsruimte laat. Uit artikel 10, onder a, van de planregels volgt binnen welke bandbreedte de afwijkingsbevoegdheid kan worden toegepast, namelijk een afwijking van ten hoogste 10% van de voorgeschreven maten en slechts indien dit noodzakelijk is voor bouwkundige of architectonische inpassing. In artikel 10, onder c, van de planregels is dit nader begrensd. Belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad en de stedenbouwkundige samenhang mag niet onevenredig worden aangetast. In dit verband merkt de Afdeling op dat in artikel 10, onder c, onder 1, is verduidelijkt wanneer van een onevenredige aantasting sprake is, namelijk indien de karakteristiek van de openbare ruimte of de historische of stedenbouwkundige betekenis van de bebouwing wordt aangetast. Dat geeft voldoende richting voor de beoordeling. Daarmee is voldoende gewaarborgd dat toepassing van de afwijkingsbevoegdheid slechts in bepaalde gevallen mogelijk is en deugdelijk dient te worden gemotiveerd. Voor zover [appellant] vreest voor een oneigenlijke toepassing, wijst de Afdeling erop dat tegen een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning waarbij artikel 10 is toegepast, rechtsmiddelen openstaan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 10, onder a en c, van de planregels onvoldoende rechtszekerheid biedt.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond.

10. Gelet op het onder 5.3 vastgestelde gebrek, moet de raad de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Someren tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat de raad van de gemeente Someren aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Van den Biggelaar

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bechinka

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026

371-1077

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Bechinka

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?