ECLI:NL:RVS:2026:217

ECLI:NL:RVS:2026:217, Raad van State, 14-01-2026, 202304429/1/R3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer 202304429/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 19 juni 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Staphorst besloten de opgelegde last onder dwangsom van 17 maart 2020, om verschillende overtredingen op het op het perceel [locatie] in Staphorst ongedaan te maken, op te heffen op grond van artikel 5:34, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. [appellanten] wonen op het perceel [locatie 2] in Staphorst. Dat is gelegen naast het perceel van [partijen] waar het in deze procedure om gaat. Op 21 januari 2020 hebben [appellanten] verzocht om handhavend op te treden tegen het strijdig gebruik van het weiland achter de woning. Het handhavingsverzoek is in eerste instantie bij besluit van 19 maart 2020 deels toegewezen en bij besluit van 17 maart 2020 is er een last onder dwangsom opgelegd aan [partijen] voor het ongedaan maken van het strijdig gebruik van gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur" als tuin en dit niet te herhalen. In het besluit op bezwaar van 28 september 2020 is het college hier echter op teruggekomen en heeft het college het verzoek om handhavend op te treden alsnog afgewezen, omdat het gebruik als tuin volgens het college niet in strijd is met de bestemming.

Uitspraak

202304429/1/R3.

Datum uitspraak: 14 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Staphorst,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2023 heeft het college besloten de opgelegde last onder dwangsom van 17 maart 2020, om verschillende overtredingen op het op het perceel [locatie] in Staphorst (hierna: het perceel) ongedaan te maken, op te heffen op grond van artikel 5:34, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Bij besluit van 20 juni 2023 heeft het college besloten het bezwaar van [appellanten] tegen de besluiten van 17 en 19 maart 2020 over het handhavend optreden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van een deel van het perceel als tuin, niet-ontvankelijk te verklaren.

Bij besluit van 31 juli 2023 heeft het college besloten om niet over te gaan tot het invorderen van dwangsommen.

Tegen deze besluiten hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Het college en [partij A] en [partij B] hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 september 2025, waar [appellanten], bijgestaan door mr. F. Krol-Postma, advocaat in Heerenveen en het college vertegenwoordigd door mr. L.F. Miltenburg, advocaat in Arnhem, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 21 januari 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellanten] wonen op het perceel [locatie 2] in Staphorst. Dat is gelegen naast het perceel van [partijen] waar het in deze procedure om gaat. Op 21 januari 2020 hebben [appellanten] verzocht om handhavend op te treden tegen het strijdig gebruik van het weiland achter de woning. Het handhavingsverzoek is in eerste instantie bij besluit van 19 maart 2020 deels toegewezen en bij besluit van 17 maart 2020 is er een last onder dwangsom opgelegd aan [partijen] voor het ongedaan maken van het strijdig gebruik van gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur" als tuin en dit niet te herhalen. In het besluit op bezwaar van 28 september 2020 is het college hier echter op teruggekomen en heeft het college het verzoek om handhavend op te treden alsnog afgewezen, omdat het gebruik als tuin volgens het college niet in strijd is met de bestemming. Bij uitspraak van 6 mei 2021 heeft de rechtbank de door [appellanten] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De Afdeling heeft bij uitspraak van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1162, het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak deels vernietigd.

3. Het college heeft na deze uitspraak van de Afdeling verschillende nieuwe besluiten genomen, deze zijn weergegeven in het procesverloop. [appellanten]s zijn het niet eens met deze door het college genomen besluiten.

Beoordeling van het beroep

Beroepen tegen de besluiten van 19 en 20 juni 2023

4. De Afdeling komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van [appellanten] tegen de besluiten van 19 en 20 juni 2023. [appellanten] hebben namelijk geen procesbelang meer bij een beoordeling daarvan. Bij deze besluiten heeft het college besloten de opgelegde last onder dwangsom van 17 maart 2020, om verschillende overtredingen op het perceel ongedaan te maken, op te heffen op grond van artikel 5:34, tweede lid, van de Awb en om het bezwaar van [appellanten] tegen de besluiten van 17 en 19 maart 2020, over handhavend optreden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van een deel van het perceel als tuin, niet-ontvankelijk te verklaren. De Afdeling licht dat hierna toe.

4.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft de appellant die opkomt tegen een besluit procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij die procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 14 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1610, moet het gaan om een actueel en reëel belang bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Als dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.

4.2. De reden voor [appellanten] om beroep in te stellen is omdat zij willen dat het college wél handhavend optreedt tegen het strijdig gebruik van het weiland achter de woning op het perceel. Bij brief van 19 augustus 2025 hebben [partijen] aangegeven dat zij inmiddels zijn verhuisd. Het college heeft dit op de zitting ook bevestigd. De Afdeling stelt vast dat het college de last onder dwangsom aan [partijen] heeft opgelegd en dat een clausule als bedoeld in artikel 5.18 van de Wabo, waarmee het besluit tot oplegging van de last ook geldt voor hun rechtsopvolger, in dat besluit ontbreekt. Het is daardoor niet mogelijk om het besluit waarbij de last is opgelegd tegenover de rechtsopvolgers van [partijen] of iedere verdere rechtsopvolger ten uitvoer te leggen. Door de verhuizing van [partijen] kan het doel van [appellanten] met de beroepen tegen de besluiten van 19 en 20 juni 2023 dus niet meer worden bereikt. Zij hebben daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van deze beroepen.

Conclusie besluiten van 19 en 20 juni 2023

5. De beroepen tegen de besluiten van 19 en 20 juni 2023 zijn niet-ontvankelijk.

Beroep tegen het besluit van 31 juli 2023

Verbeuring dwangsom en invordering

6. [appellanten] betogen dat het college ten onrechte niet heeft onderkend dat de dwangsom is verbeurd en daarom ook ten onrechte niet tot invordering van de dwangsom is overgaan.

Zij voeren hiertoe aan dat het gebruik van het perceel als moestuin in strijd was met de planregels en dit op 4 juni 2020 door de toezichthouder is geconstateerd. Zij wijzen tevens op de verklaring van [partij A] tijdens de zitting bij de rechtbank van 24 maart 2021. Hieruit blijkt dat de moestuin na 29 september 2020 is verwijderd, zodat door [partijen] wordt erkend dat deze daarvoor nog aanwezig was.

6.1. Bij besluit van 31 juli 2023 heeft het college besloten om niet over te gaan tot het invorderen van de op 17 maart 2020 opgelegde last onder dwangsom. Het college heeft deze dwangsom, die is verbonden aan de last tot het beëindigen van het strijdig gebruik van de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en Natuur" als tuin, bepaald op € 1.500,00 per week met een maximum van € 15.000,00. De Afdeling overweegt dat dit zo moet worden begrepen dat € 1.500,00 wordt verbeurd per week dat de overtreding na afloop van de gestelde begunstigingstermijn voortduurt. Een dwangsom verbeurt namelijk na het geheel verstrijken van een week dat niet aan de last is voldaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2920). De begunstigingstermijn van de opgelegde last onder dwangsom was op 3 juni 2020 verstreken. De toezichthouder heeft bij een controle van 4 juni 2020 geconstateerd dat het gebruik van het perceel als tuin voortduurde. De Afdeling overweegt dat op 4 juni 2020 dus nog geen dwangsom kon worden verbeurd; deze zou immers pas na afloop van de week verbeuren. Het college heeft op de zitting toegelicht dat verder geen controles meer hebben plaatsgevonden. Het college heeft verder aangeven dat de toezichthouder het perceel weliswaar nog op 28 augustus 2020 heeft bezocht, maar dat deze controle als doel had om de verbouwingswerkzaamheden aan de woning te inspecteren en te controleren of er sprake was van een tweede woning. Dit bezoek had dus niet tot doel om te controleren of de gronden nog werden gebruikt als tuin, aldus het college.

6.2. Naar het oordeel van de Afdeling kan, gelet op het voorgaande, niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de dwangsom is verbeurd. De verklaring van [partijen] alleen is daarvoor niet voldoende.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie besluit van 31 juli 2023

7. Het beroep tegen het besluit van 31 juli 2023 is ongegrond.

Proceskosten

8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 19 juni 2023, kenmerk UIT/23-092174, van het college van burgemeester en wethouders van Staphorst niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 20 juni 2023, kenmerk UIT/23-092463, van het college van burgemeester en wethouders van Staphorst niet-ontvankelijk;

III. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 31 juli 2023, kenmerk UIT/23-093048, van het college van burgemeester en wethouders van Staphorst ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.

w.g. Knol

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van der Heijden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026

884-1139

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.W.L. van der Heijden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?