202405547/1/R4.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
de raad van de gemeente Winterswijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de raad de aanvraag van [appellant] om een bestemmingsplan vast te stellen voor de verplaatsing van het bouwvlak voor de locatie Jonkersweg 13 in Winterswijk afgewezen.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 december 2025, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Harberink, is verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om het bestemmingsplan vast te stellen is ingediend op 26 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] beoogt met de aangevraagde vaststelling van het bestemmingsplan "Jonkersweg 13" (hierna: het bestemmingsplan) de verplaatsing van een in het bestemmingsplan "Verblijfsrecreatieterrein Winterswijk" opgenomen bouwvlak voor een bedrijfswoning, gelegen in het recreatiepark Den Möllenhof, naar een andere locatie waar al een houten chalet, eigendom van [appellant], staat. Het oorspronkelijke bouwvlak zou ter plaatse worden verwijderd.
3. Uit het door [appellant] bestreden besluit blijkt dat de raad in de door een aantal eigenaren van recreatiewoningen op het park en de beheerder/exploitant van Den Möllenhof naar aanleiding van het ontwerpbestemmingsplan ingediende zienswijzen aanleiding heeft gezien om het bestemmingsplan niet vast te stellen. Uit de zienswijzen zou volgens de raad blijken dat de woning waarvan door middel van het bestemmingsplan het gebruik als bedrijfswoning planologisch mogelijk gemaakt zou worden, niet conform de bestemming gebruikt zou gaan worden. De indieners van de zienswijzen hebben onder meer verklaard dat [appellant] niet de beheerder is van het recreatiepark, dat de beheerder van het recreatiepark elders woont en belang houdt bij het bouwvlak voor een bedrijfswoning op het park conform het bestemmingsplan "Verblijfsrecreatieterreinen Winterswijk", en dat de vereniging van eigenaren geen bedrijfswoning op die locatie wenst. [appellant] heeft in een e-mail aan de gemeente van 26 februari 2024 verklaard dat hij zelf in de woning op het te verplaatsen bouwvlak zou gaan wonen en dat daarin dan een verkoopkantoor komt voor de recreatiewoningen. Uit door de raad bij [appellant] ingewonnen informatie en uit de ingekomen zienswijzen zou verder blijken dat [appellant] geen actuele formele of functionele relatie heeft tot het recreatiepark of tot de vereniging van eigenaren van het recreatiepark.
Bespreking beroep
4. De Afdeling constateert dat hetgeen [appellant] in zijn beroepschrift naar voren brengt, uitsluitend ziet op de interne verhoudingen binnen de vereniging van eigenaren van het recreatiepark. Dit volgt onder meer uit de verwijzingen door [appellant] in zijn beroepschrift naar een vaststellingsovereenkomst en een dagvaardingsprocedure. De raad heeft op de zitting daarover verklaard dat hij ermee bekend is dat [appellant] betrokken is of is geweest bij een civielrechtelijk geschil dat in elk geval de bedrijfswoning van het recreatiepark betreft en waarbij de gemeente geen partij is.
Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad de bij de motivering van het besluit in aanmerking genomen feiten en omstandigheden niet aan het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen ten grondslag heeft mogen leggen, of dat de motivering het besluit niet kan dragen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
418-1165