202307448/1/A3.
Datum uitspraak: 16 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank MiddenÂNederland van 22 november 2023 in zaken nrs. 23/1897 en 23/3251 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Amersfoort.
Openbare zitting gehouden op 16 april 2026 om 13:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. R.F.J. Bindels
Jurist: mr. J. Zonneveld
Verschenen:
[appellant].
====================================
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 22 november 2023 van de rechtbank MiddenÂNederland. Bij die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van de burgemeester van 14 juli 2023 om niet handhavend op te treden ongegrond verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1. [appellant] heeft de burgemeester verzocht maatregelen te treffen tegen het gedrag van zijn medebewoner. Zijn verzoek ziet op een tijdelijk huisverbod en een gedragsaanwijzing.
2. De Afdeling stelt vast dat [appellant] belang heeft bij zijn hoger beroep. Hij heeft tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van de burgemeester.
3. Over het tijdelijk huisverbod merkt de Afdeling op dat uit de bestuurlijke rapportage en overige informatie uit het dossier volgt dat sprake is van een patroon van meldingen over ruzies en overlast waarbij [appellant] en de medebewoner een rol spelen. De politie is meerdere keren bij de woning geweest maar heeft geen concrete aanwijzingen waargenomen die duiden op een ernstig en onmiddellijk gevaar. De burgemeester is ervan uitgegaan dat geen ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar bestond om op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod aan de medebewoner een tijdelijk huisverbod op te leggen.
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester niet bevoegd was om een gedragsaanwijzing op te leggen. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat de burgemeester dat wel was, heeft de rechtbank opgemerkt dat [appellant] eerst gebruik had moeten maken van buurtbemiddeling of een gesprek onder begeleiding van een derde.
5. De Afdeling is, gelet hierop en alles afwegend, van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de burgemeester het verzoek heeft mogen afwijzen. De Afdeling kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank onder 6.1, 8.2. 8.3, 9.2 en 10. De Afdeling voegt daaraan toe dat [appellant] aan de bestuurlijke rapportage van 23 mei 2023 een uitleg geeft die niet geheel overeenkomt met de afsluiting van die rapportage. De burgemeester heeft naar aanleiding van deze rapportage daadwerkelijk onderzoek gedaan en in het kader van hoor en wederhoor beide bewoners gehoord. Gelet op wat daaruit is gebleken heeft de burgemeester mogen besluiten tot afwijzing van het verzoek van [appellant].
6. De overwegingen van de rechtbank over de vraag of de medebewoner moet worden aangemerkt als belanghebbende ziet alleen op deze procedure en, anders dan [appellant] betoogt, niet op de bestuurlijke rapportage.
7. Het betoog van [appellant] over het verspreiden van de bestuurlijke rapportage slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit betoog niet raakt aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Wat [appellant] heeft gesteld valt buiten de omvang van het geding en de rechtbank is dus daarop terecht niet verder ingegaan.
8. Wat [appellant] in hoger beroep nog verder heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard.
9. Het besluit van de burgemeester is dus rechtmatig.
10. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bindels
griffier
85-1104