ECLI:NL:RVS:2026:2246

ECLI:NL:RVS:2026:2246

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 202506207/2/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 17 maart 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland aan Lache Vastgoed B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een appartementencomplex met winkels en commercieruimten, op het perceel Herenstraat 23A tot en met 23Z, 25 en Liesveld 6A tot en met 6E in Wateringen.

Uitspraak

202506207/2/R3.

Datum uitspraak: 23 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb)) op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd in Wateringen, gemeente Westland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 november 2025 in zaak nr. 25/2966 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2025 heeft het college aan Lache Vastgoed B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een appartementencomplex met winkels en commercieruimten, op het perceel Herenstraat 23A tot en met 23Z, 25 en Liesveld 6A tot en met 6E in Wateringen.

Bij uitspraak van 18 november 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en Lache Vastgoed hebben ieder een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.

Hoger beroep

2. [appellant] heeft op 30 december 2025 hoger beroep ingediend. In het hoger beroepschrift heeft hij vermeld dat hij bezig is de gronden van (hoger) beroep nader aan te vullen en te formuleren en dat de aan het hoger beroep ten grondslag liggende beroepsgronden zijn vervat in de als productie 2 bijgevoegde bijlage, die integraal onderdeel uitmaakt van dit beroepschrift. Deze gronden zullen, voor zover nodig, in een later stadium nader worden gemotiveerd en aangevuld, aldus [appellant].

3. Onder de aangevallen uitspraak is opgenomen dat op het hoger beroep de Chw van toepassing is en dat in het hoger beroepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt.

Op grond van artikel 1.6a van de Chw, gelezen in samenhang met artikel 1.9a van deze wet, kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep geen hoger beroepsgronden meer worden aangevoerd.

4. De Afdeling stelt vast dat productie 2 bij het hoger beroepschrift het aanvullend beroepschrift is dat [appellant] heeft ingediend bij de rechtbank. Dit betekent dat de gronden die hij binnen de hoger beroepstermijn heeft aangevoerd een (letterlijke) herhaling zijn van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft binnen deze hoger beroepstermijn geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. Aangezien de Chw op dit hoger beroep van toepassing is, had dit wel binnen deze termijn gemoeten.

Conclusie

5. Omdat niet binnen de hoger beroepstermijn is aangegeven waarom de beoordeling van de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn, is het hoger beroep kennelijk ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Knol

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Ouwehand

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).

- Verzet moet schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak worden gedaan.

- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met wat er in deze uitspraak staat.

- Als de indiener over het verzet door de Afdeling wil worden gehoord, moet dit in het verzetschrift worden gevraagd. De zitting gaat dan alleen over de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak waartegen uw verzet is gericht.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I.S. Ouwehand

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl ABkort 2026/126 NJB 2026/940
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand