ECLI:NL:RVS:2026:225

ECLI:NL:RVS:2026:225, Raad van State, 14-01-2026, 202205246/2/R3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer 202205246/2/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij tussenuitspraak van 11 december 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak de raad van de gemeente Katwijk opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 18 april 2024 te herstellen. Bij besluit van 5 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Tweede Herstelbesluit bestemmingsplan "Woongebied Valkenhorst"" vastgesteld. Deze zaak gaat over de plannen van de gemeente Katwijk om het voormalige Marinevliegkamp Valkenburg te transformeren naar een woon-, werk- en recreatiegebied. Om deze transformatie in planologische zin mogelijk te maken, heeft de raad bij besluit van 30 juni 2022 het bestemmingsplan "Woongebied Valkenhorst" vastgesteld. Onder andere Stichting Valkenburg Groen en Stichting Duinbehoud en anderen hebben tegen dat besluit beroep ingesteld. Naar aanleiding van deze beroepen heeft de raad op 18 april 2024 besloten het bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst" vast te stellen.

Uitspraak

202205246/2/R3.

Datum uitspraak: 14 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Stichting Valkenburg Groen (hierna: SVG), gevestigd in Wassenaar,

2. Stichting Duinbehoud en anderen, gevestigd in Leiden,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Katwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5127, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 18 april 2024 te herstellen.

Bij besluit van 5 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Tweede Herstelbesluit bestemmingsplan "Woongebied Valkenhorst"" vastgesteld.

SVG en Stichting Duinbehoud en anderen hebben zienswijzen naar voren gebracht over het besluit van 5 juni 2025.

De raad, SVG en Stichting Duinbehoud en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 oktober 2025, waar SVG, vertegenwoordigd door [gemachtigden], Stichting Duinbehoud en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, rechtsbijstandsverlener in Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, zijn verschenen. Ook is op de zitting BPD Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Deze zaak gaat over de plannen van de gemeente Katwijk om het voormalige Marinevliegkamp Valkenburg te transformeren naar een woon-, werk- en recreatiegebied. Om deze transformatie in planologische zin mogelijk te maken, heeft de raad bij besluit van 30 juni 2022 het bestemmingsplan "Woongebied Valkenhorst" vastgesteld. Onder andere SVG en Stichting Duinbehoud en anderen hebben tegen dat besluit beroep ingesteld. Naar aanleiding van deze beroepen heeft de raad op 18 april 2024 besloten het bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst" vast te stellen.

2. In de tussenuitspraak is geoordeeld dat er enkele gebreken kleven aan het besluit van 18 april 2024. De Afdeling heeft de raad opgedragen binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak de gebreken te herstellen.

3. De opdracht uit de tussenuitspraak heeft ertoe geleid dat de raad bij besluit van 5 juni 2025 het bestemmingsplan "Tweede Herstelbesluit bestemmingsplan "Woongebied Valkenhorst"" heeft vastgesteld.

4. De beroepen van SVG en Stichting Duinbehoud en anderen hebben van rechtswege ook betrekking op het besluit van 5 juni 2025. Dat bepaalt artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). SVG en Stichting Duinbehoud en anderen hebben in hun zienswijze over het besluit van 5 juni 2025 te kennen gegeven dat zij het niet eens zijn met dat besluit. De Afdeling zal hierna, aan de hand van de gronden die SVG en Stichting Duinbehoud en anderen hebben aangevoerd, beoordelen of het besluit van 5 juni 2025 stand kan houden.

5. De Afdeling zal eerst het beroep van rechtswege van SVG beoordelen en vervolgens het beroep van rechtswege van Stichting Duinbehoud en anderen.

Het van rechtswege ontstane beroep van SVG

Het gebrek

6. In overweging 23.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling besproken welke bouwhoogten het plan toestaat. Dit gaat over gestapelde woningen en niet over grondgebonden woningen. De Afdeling heeft vastgesteld dat het op bijna alle gronden binnen het plangebied is toegestaan gebouwen tot 40 m hoog te bouwen. Hoger dan 40 m is ook toegestaan, mits dat de leefbaarheid en/of de betaalbaarheid ten goede komt. Alleen voor de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - overgangszone groen woonmilieu" (ook wel de "groene zone" genoemd) is de maximum bouwhoogte voor gestapelde woningen beperkt tot 15 m. Onder 23.3 en 23.4 heeft de Afdeling besproken dat de raad deze keuzes heeft gemotiveerd aan de hand van de Verdichtingsvisie. Onder 23.5 heeft de Afdeling vastgesteld dat de Verdichtingsvisie het uitgangspunt hanteert dat een bouwhoogte van 40 m een uitzondering moet zijn. Dat rijmt niet met de keuze gebouwen van 40 m in bijna het hele plangebied toe te staan en niet met de keuze ook hogere gebouwen dan 40 m toe te staan.

In overweging 46 heeft de Afdeling de raad opgedragen te motiveren in hoeverre het in het plan opnemen van een maximum bouwhoogte van 40 m en de mogelijkheid nog hoger te bouwen dan 40 m in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, dan wel het plan op dit punt aan te passen.

Het aangepaste plan

7. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad het plan aangepast. Voor verschillende delen van het plangebied gelden nu voor gestapelde woningen verschillende maximum bouwhoogten. Om te zien welke bouwhoogte waar geldt, moet naar de verbeelding worden gekeken.

Voor de gronden die op de verbeelding de bestemming "Woongebied-2" hebben gekregen, geldt voor het gedeelte van deze gronden die tegen de gemeente Wassenaar aan liggen nog steeds dezelfde planregeling. Op de verbeelding hebben deze gronden de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - overgangszone groen woonmilieu". Vervolgens geldt voor de strook die tegen de overgangszone aan ligt de aanduiding "overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 1". Voor de overige gronden met de bestemming "Woongebied 2" en de gronden met de bestemming "Gemengd" geldt de aanduiding "overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 2".

De gronden die op de verbeelding de bestemming "Woongebied - 1" hebben gekregen, zijn al in meer vlakken verdeeld dan de andere bestemmingen. Per vlak geldt of de aanduiding "overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 2" of de aanduiding "overige zone - bouwhoogte 40 m afweegbaar".

7.1. De bijbehorende planregels regelen dat gestapelde woningen binnen de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - overgangszone groen woonmilieu" van maximaal 15 m hoog mogen worden gebouwd. Binnen de rest van het plangebied waar woningbouw is toegestaan mogen gestapelde woningen van maximaal 20 m hoog worden gebouwd. Van deze bouwhoogte mag voor maximaal 2,5% van het oppervlak van de gronden gelegen binnen de gebiedsaanduiding "overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 1" worden afgeweken tot een maximale hoogte van 32 m. Van de bouwhoogte van 20 m mag verder binnen de aanduiding "overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 2" voor maximaal 5% van het oppervlak van de gronden gelegen binnen deze aanduiding worden afgeweken tot een maximale hoogte van 32 m. Tot slot mag binnen de aanduiding "overige zone - bouwhoogte 40 m afweegbaar" voor maximaal 5% van het oppervlak van de gronden gelegen binnen deze aanduiding worden afgeweken tot een maximale hoogte van 40 m.

De beroepsgronden

Het nadere stuk

8. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nieuwe argumenten worden aangevoerd en stukken ter motivering van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval als die argumenten, gegevens of stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd.

8.1. Bij brief van 18 augustus 2025 is SVG uitgenodigd voor de zitting op 2 oktober 2025. In deze brief staat dat er nog nadere stukken kunnen worden toegezonden. Ook staat hierin dat deze stukken uiterlijk op 21 september 2025 door de Afdeling moeten zijn ontvangen. Ook staat in deze brief dat als stukken na 21 september 2025 bij de Afdeling binnenkomen, er rekening mee moet worden gehouden dat deze buiten beschouwing blijven.

8.2. SVG heeft op 29 september een nader stuk afgegeven. Dat is dusdanig laat dat het toelaten van dit stuk in strijd is met een goede procesorde. De Afdeling weegt hierbij mee dat, gelet op de datum van de zitting, het toelaten van dit stuk de goede voortgang van de procedure belemmert. De Afdeling laat dit stuk daarom buiten beschouwing.

Strijd met de Verdichtingsvisie?

9. SVG betoogt dat de raad de Verdichtingsvisie niet juist heeft toegepast. Er wordt een vergelijking gemaakt met kerktorens en kerktorenspitsen, maar flatgebouwen hebben door hun massaliteit stedenbouwkundig een veel ingrijpender uitstraling op de omgeving. Ook gaat de Verdichtingsvisie uit van een maximum bouwhoogte van 25 m in plaats van een maximum bouwhoogte van 40 m. Tot slot is de Verdichtingsvisie opgesteld voor het stedelijk gebied van Katwijk en kan deze niet één op één worden toegepast voor een onbebouwd open gebied ver buiten het stedelijk gebied van Katwijk. SVG wijst daarbij op de ligging van het plangebied tussen de duinen, weidegebied, groen en watergebied.

9.1. Zoals onder 23.4 van de tussenuitspraak al is besproken, wordt in de Verdichtingsvisie onderscheid gemaakt tussen twee types hoogbouw: "Middelhoog" en "Katwijks-hoog". Middelhoog bestaat uit 4 t/m 7 bouwlagen en is maximaal 25 m hoog. Katwijks-hoog bestaat uit 8 t/m 10 bouwlagen en is maximaal 32 m hoog (met een uitzondering tot 40 m). De Afdeling acht de huidige planregeling, waarbij de bouwhoogte van gestapelde woningbouw is beperkt tot 15 m en 20 m en slechts onder voorwaarden en beperkt mag worden verhoogd naar 32 m dan wel naar 40 m, hiermee niet in strijd. Verder staat op pagina 56 en 57 van de Verdichtingsvisie een afbeelding waarbij verschillende hoge gebouwen, waaronder kerktorens, uit Katwijk en uit Leiden naast elkaar zijn geplaatst. Een deel van deze afbeelding is ook in de plantoelichting opgenomen. In de plantoelichting staat hierover dat in deze figuur uit de Verdichtingsvisie alle hogere gebouwen van Katwijk naast elkaar zijn gezet. Hieruit komt naar voren dat er reeds een maximale bouwhoogte in Katwijk gehanteerd wordt. Dat is een bouwhoogte voor hoogbouw binnen de marge van 32 tot 40 m (gemeten vanaf maaiveld) voor woongebouwen. Alleen enkele kerktorens zijn nog iets hoger. De Afdeling stelt vast dat deze afbeelding in de plantoelichting is opgenomen om inzicht te geven in wat voor hoge gebouwen in Katwijk staan, maar dat niet de hoogtes van de daarop weergegeven kerktorens zijn gebruikt ter motivering van de in het plan opgenomen bouwhoogten. Ook ziet de Afdeling geen reden waarom de raad niet heeft kunnen aansluiten bij de Verdichtingsvisie. Het gebied is nu weliswaar grotendeels onbebouwd, maar het bestemmingsplan voorziet er juist in dat op Valkenhorst een geheel nieuwe woonwijk kan worden gebouwd die zal aansluiten op het stedelijk gebied van Katwijk.

Het betoog slaagt niet.

Ruimtelijke aanvaardbaarheid nieuwe bouwhoogten

10. SVG betoogt dat de raad nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre de nu gekozen bouwhoogten ruimtelijk aanvaardbaar zijn. SVG voert aan dat het verlagen van de maximum bouwhoogte naar 32 m qua uitstraling en beleving te gering is om als een verbetering in het licht van een goede ruimtelijke ordening te beschouwen. Daarbij wijst SVG erop dat het gebied waar 40 m hoog mag worden gebouwd een derde van het plangebied beslaat en het gebied waar 32 m hoog mag worden gebouwd twee derde van het plangebied. Dat levert nagenoeg geen verschil op met hoe de bouwhoogten in het vorige plan waren geregeld. Ook meent SVG dat flatgebouwen van 32 m en 40 m hoog niet passen bij het dorpse karakter dat de raad voor ogen heeft. Voor zover een zoneringsregeling in het plan is opgenomen, voert SVG aan dat deze regeling niet voldoet, omdat geen sprake is van een duidelijke, juridisch begrensde, stedenbouwkundige bouwhoogteregeling. Ook wordt geen inzicht geboden hoeveel accentbebouwing er mag komen en waar precies. SVG wijst er bijvoorbeeld op dat in de zone waar geldt dat 2,5% van het gebied 32 m hoog mag worden gebouwd, dat gezien de oppervlakte van die zone betekent dat er 15 flatgebouwen mogen worden gebouwd. Die mogen dan allemaal tegen de grens van de groene zone worden gebouwd. Dat valt niet te rijmen met de soepele overgang die de raad bij dat gebied heeft beoogd. Verder wijst SVG erop dat de raad de maximum bouwhoogte van 20 m niet heeft gemotiveerd.

Tot slot voert SVG aan dat de zichtlijnenstudie die als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, niet juist is uitgevoerd. Er is uitgegaan van een willekeurige zichtlijn in plaats van de voor Wassenaar meest belangrijke zichtlijn. Bovendien wordt er in de zichtlijnenstudie vanuit gegaan dat men de hogere bebouwing niet kan zien doordat deze onzichtbaar wordt gemaakt door bomen te planten. Maar verkeerde stedenbouwkundige keuzes mogen niet worden gemaskeerd door er bomen voor te planten. Ook is niet in het plan geborgd dat de bomen worden geplant.

10.1. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting, onder het kopje "Bestuurlijke lus (tweede herstelbesluit)", wordt de keuze voor de bouwhoogten nader onderbouwd. Samengevat staat hier dat de volgende uitgangspunten gelden voor Valkenhorst. Valkenhorst wordt een nieuwbouwwijk met een dorps, groen en compact karakter binnen de gemeente Katwijk, ingebed in het landschap. Als maximale bouwhoogte wordt gedacht aan een marge van 32 tot 40 m. Ook is aansluiting op het omliggende landschap belangrijk.

Aan de hand van deze uitgangspunten is een zonering in bouwhoogten opgenomen voor de gronden waarop woningbouw mogelijk wordt gemaakt. De maximum bouwhoogte loopt af van accentbebouwing van 40 m in het centrumgebied tot accentbebouwing van 32 m in de schil daaromheen en 15 m in de overgangszone richting Wassenaar. Hiermee blijft de impact van de hoogteaccenten vanuit de omgeving en het omringende landschap beperkt. Aan de zijde met Oegstgeest, dus bij de entree van Katwijk over de Oude Rijn, zullen vanaf de N206 de hoogteaccenten wat meer zichtbaar zijn. Dit past bij de nieuwe hogere bebouwing rond de Oude Rijn en markeert de overgang naar Katwijk. Los van de accentbebouwing, geldt 20 m als standaard voor de maximum bouwhoogte. Deze hoogte kan goed worden ingepast naast laagbouw en zorgt niet voor grote contrasten. De hoogte van een volwassen boom van de eerste grootte is 20 tot 25 m, waardoor de bebouwing tot 20 m op afstand achter deze bomenlaag zal vallen.

Voor de beoordeling van de planologische aanvaardbaarheid van deze bouwhoogten is een zichtlijnenstudie verricht. Deze is als bijlage 4 bij de plantoelichting gevoegd. Hierin zijn indicatieve bouwvolumes met bouwhoogten conform de van toepassing zijnde in het bestemmingsplan opgenomen regels in een 3D-model geplaatst. Vervolgens zijn vanuit vier standpunten rondom Valkenhorst de zichtlijnen op deze bouwvolumes weergegeven. De bevindingen per standpunt zijn op hoofdlijnen als volgt:

1. N441/Mient Kooltuin: door de afstand en de aanwezigheid van bestaande bebouwing en groen zijn bouwhoogten tot 20 m beperkt zichtbaar. Accentbebouwing zal zichtbaar zijn, maar vanwege de afstand tot bestaande gebouwen is dit een zichtbaarheid in een aanvaardbare mate.

2. N206/Valkenburg: dit standpunt ligt relatief dicht bij de nieuwe centrumbuurt, waardoor accentbebouwing meer zal opvallen. Dit sluit echter goed aan op de ontwikkelingen langs de N206 bij Oegstgeest en Leiden, waarbij ook hogere bouwhoogten worden toegepast.

3. Valkenburgse Meer: door de relatief grote afstand vanaf het Valkenburgse Meer valt accentbebouwing beperkt op. Dit in combinatie met de boomgrens die het zicht op bebouwing tot 20 m ontneemt geeft een rustig beeld.

4. Groene Zone: ook vanuit de Groene Zone in Wassenaar is de afstand tot de bebouwing relatief groot. De nieuw te realiseren natuur creëert vanuit dit standpunt een groene uitstraling. Alleen de accentbebouwing is beperkt zichtbaar.

10.2. De Afdeling ziet in wat SVG naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten het plan op dit punt gebrekkig te achten. Zoals onder 23.5 van de tussenuitspraak al is overwogen, maakte het vorige plan het mogelijk op alle gronden waar woningbouw is toegestaan (met uitzondering van de groene zone) een gebouw van 40 m te bouwen. Anders dan SVG betoogt, is de planregeling zoals die nu is vastgesteld, wel degelijk een aanzienlijke beperking ten opzichte van het vorige plan. Het uitgangspunt is nu immers dat gestapelde woningen tot 20 m hoog worden gebouwd. Slechts bij uitzondering en voor een beperkt gedeelte van de gronden mogen deze gebouwen hoger worden gebouwd. Voor zover SVG meent dat het bij uitzondering toestaan van bouwhoogten van 32 m en 40 m niet rijmt met het dorpse karakter dat de raad voor ogen heeft, ziet de Afdeling geen gebrek in het plan. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting staat dat Katwijk een gemeente is met een dorps karakter waarbij gebouwen eerder als hoog en hoogbouw worden ervaren dan in grotere steden. Daarom is bij de keuze welke bouwhoogten in Valkenhorst moeten worden toegestaan, juist gekeken naar al bestaande hogere gebouwen in Katwijk. Dit heeft geleid tot de in het plan opgenomen bouwhoogten.

Dat stelling van SVG dat de zoneringsregeling niet duidelijk en begrensd is, volgt de Afdeling niet. Aan de hand van de op de verbeelding te raadplegen aanduidingen en bijbehorende planregels is duidelijk welke bouwhoogte waar geldt. Wel wijst SVG er terecht op dat in het plan niet is bepaald waar de accenten precies komen. De Afdeling ziet daarin echter geen gebrek in het plan. Het gaat hier namelijk om een globaal plan, waarbij het juist de bedoeling is dat enige vrijheid blijft bestaan bij de inrichting van het gebied. De Afdeling weegt hier mee dat het plan wel regelt dat de door SVG gevreesde inrichting, waarbij alle accenten op een ongunstige plek naast elkaar worden gesitueerd, niet is toegestaan. In de planregels is namelijk geregeld dat sprake moet zijn van accentbebouwing. In artikel 2.10 van de planregels is geregeld dat accentbebouwing een stedenbouwkundig bijzonder gebouw of een gedeelte daarvan moet zijn dat zich bijvoorbeeld door zijn bouwhoogte of anderszins onderscheidt van de overige bebouwing in de directe omgeving, onder meer om de ruimtelijke dragers van het stedenbouwkundig ontwerp voor het plangebied te benadrukken. Weliswaar kunnen gebouwen met gestapelde woningen een grotere bouwhoogte dan aangegeven in het bestemmingsplan hebben. Maar de hogere bouwhoogten van dergelijke gebouwen zijn op hun beurt ook weer gemaximeerd. Verder mag het gezamenlijk oppervlak van dergelijke gebouwen een aangegeven percentage van het oppervlak van de gronden binnen de betreffende gebiedsaanduiding niet te boven gaan. En ook moeten dergelijke gebouwen in overeenstemming zijn met (en passen binnen) het kwaliteitsboek, waarin - zoals de raad op de zitting ook heeft bevestigd - ter plaatse van de aangegeven gebiedsaanduidingen "bijzondere accenten (special)" staan respectievelijk in het kader van een nog aan de orde zijnde aanvulling zullen worden aangegeven en welke accenten ook hoogte-accenten kunnen betreffen. Vergelijk artikel 11.4.2, onder m en artikel 12.4.2, onder j van de planregels, en de Essentiekaart "buurten en accenten" die is opgenomen in het kwaliteitsboek.

De Afdeling stelt verder vast dat de raad in de plantoelichting wel degelijk een motivering heeft gegeven over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een bouwhoogte van 20 m. Het betoog van SVG mist in zoverre feitelijke grondslag.

Over de zichtlijnenstudie overweegt de Afdeling dat zij geen aanknopingspunten heeft om deze onjuist te achten. De raad heeft toegelicht dat vanaf Wassenaar is gekozen voor een zichtlijn zo dicht mogelijk bij de aanduiding "overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 1". De door SVG voorgestelde zichtlijn zou zich op dezelfde afstand bevinden. Tot slot ziet de Afdeling in de zichtlijnenstudie niet terug dat de hogere bebouwing onzichtbaar wordt gemaakt door bomen te planten. De zichtlijnenstudie tekent een mogelijke inrichting van de bebouwing in op foto’s van de bestaande situatie. Het daarop weergegeven groen bestaat dus al.

Het betoog slaagt niet.

Overige gronden

11. SVG betoogt verder dat het in strijd is met de rechtszekerheid dat de stedenbouwkundige uitwerking van de gronden met de bestemming "Woongebied-2" nog moet worden uitgewerkt en dat de raad had moeten regelen dat het overgangsgebied overwegend groen zou worden en daar minder en lagere woonbebouwing moeten toestaan.

11.1. Deze gronden zijn reeds afgedaan in de tussenuitspraak. Voor zover SVG zich keert tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.

Het van rechtswege ontstane beroep van Stichting Duinbehoud en anderen

Het gebrek

12. In de tussenuitspraak, onder 40.4, 41.8 en 42.3, heeft de Afdeling overwogen dat het besluit van 18 april 2024 voor het onderdeel gebiedsbescherming berust op een niet toereikende motivering. De Afdeling is van oordeel dat op basis van de passende beoordeling en het mitigatieonderzoek onvoldoende is komen vast te staan dat met de daarin voorgestelde mitigerende maatregelen, bestaande uit de aanleg van alternatieve wandelroutes, de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. In het besluit van 18 april 2024 is niet goed gemotiveerd of en in hoeverre de resterende toename van de recreatiedruk (bestaande uit hardlopers, wandelaars en wandelaars met honden) vanwege het plan niet tot gevolg heeft dat de in het Natura 2000-gebied voorkomende typische soorten en habitats op een zodanige manier worden verstoord en/of aangetast, dat het plan niet tot gevolg heeft dat de natuurlijke kenmerken van het gebied worden aangetast. Het besluit van 18 april 2024 is daarom in zoverre in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en 3:46 van de Awb vastgesteld.

13. De in de tussenuitspraak gegeven opdracht hield in dat de raad met inachtneming van de overwegingen 40.4, 41.8 en 42.3 alsnog moest onderbouwen of en in hoeverre de resterende toename van de recreatiedruk op het Natura 2000-gebied vanwege het plan niet tot gevolg heeft dat de daarin voorkomende typische soorten en habitats op een zodanige manier worden verstoord en/of aangetast, dat het plan niet tot gevolg heeft dat de natuurlijke kenmerken van het gebied worden aangetast, en hiertoe de passende beoordeling en de daaraan ten grondslag liggende rapportages te actualiseren, of, indien uit de passende beoordeling niet de vereiste zekerheid kan worden verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zal aantasten, een zogenoemde ADC-toets overeenkomstig artikel 2.8, vierde en vijfde lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) uit te voeren, of een ander besluit te nemen.

De aanvullende onderbouwing

14. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad een aanvullende onderbouwing opgenomen in paragraaf 5.2.7.2 van de plantoelichting, die hoort bij het besluit van 5 juni 2025. Hierin is uiteengezet wat de effecten zijn van:

1) de bewoners die vanuit de nieuwe woningen het Natura 2000-gebied zullen bezoeken;

2) de toename van het aantal hardlopers op het Natura 2000-gebied, en

3) het effect van vermesting, verstoring en vertrapping door honden.

Om te voldoen aan de tussenuitspraak is verder het rapport "Addendum Passende beoordeling, bestemmingsplan Valkenhorst" van Antea van 3 juni 2025 (hierna: het addendum) aan het besluit van 5 juni 2025 ten grondslag gelegd.

15. In het addendum is kortgezegd geconcludeerd dat is uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied worden aangetast als gevolg van de resterende toename van recreanten (wandelaars, hardlopers en honden) in het Natura 2000-gebied. Allereerst is deze toename relatief beperkt gelet op het grote aantal recreanten dat het Natura 2000-gebied al bezoekt. Gezien de recreatieve zonering zal het aantal recreanten vooral worden opgevangen in de Mient Kooltuin en de Pan van Persijn. Deze gebieden zijn of worden beide ingericht voor de opvang van recreatie. Recreatie vindt verder plaats op de bestaande paden waar geen habitattypen of leefgebieden van habitatrichtlijnsoorten en typische soorten aanwezig zijn en waar voorzieningen zijn aangebracht om betreding van de aangrenzende begroeiing te voorkomen. Een klein deel van de bezoekers zal (een deel van) Berkheide bereiken. Gelet op de beperkte aantallen is de conclusie gerechtvaardigd dat de toename van wandelaars in Berkheide vanuit Valkenhorst niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.

Voor honden geldt een opruimplicht en aanlijnplicht, altijd in Pan van Persijn en in Berkheide in de broedperiode. Vermesting van het duingebied, vertrapping van nesten en verstoring van broedende vogels en zoogdieren met jongen zijn volgens Antea daarom uit te sluiten. De omvang van het leefgebied voor de typische soorten wijzigt niet en daarmee de draagkracht van het gebied voor de typische soorten ook niet. Nadelige gevolgen op het Natura 2000-gebied door de toename van het aantal recreanten vanuit het Plan Valkenhorst zijn daarmee uitgesloten.

In het addendum wordt nog vermeld dat het betreden van het Natura 2000-gebied buiten de paden door mensen en honden kan leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied. In het beheerplan is onderkend dat een beperkt deel van de mensen en honden, ondanks een verbod daartoe, buiten de paden komt. Het bevoegd gezag en de beheerders zijn verantwoordelijk voor toezicht en handhaving. In het beheerplan is geoordeeld dat met een adequate uitvoering van het toezicht en de handhaving nadelige gevolgen voor de natuurlijke kenmerken worden voorkomen. Dat geldt evenzeer voor de eventuele toename van het aantal mensen en honden dat buiten de paden zal treden.

De beroepsgronden

16. Stichting Duinbehoud en anderen kunnen zich niet verenigen met de wijze waarop de raad heeft gepoogd de in de tussenuitspraak onder 40.4, 41.8 en 42.3 geconstateerde gebreken te herstellen.

Stichting Duinbehoud en anderen betogen in de eerste plaats dat de berekeningen van de toename van het aantal recreanten waarvan is uitgegaan in het addendum niet berusten op juiste uitgangspunten. Er is niet worst case gerekend. Zo hadden familieleden van de nieuwe bewoners, en ook kinderen, moeten worden meegerekend. Daarnaast is geen rekening gehouden met bezoekers die te fiets komen en dus een groter bereik hebben. Ook had cumulatief rekening moeten worden gehouden met de recreanten van andere woonontwikkelingen in de omgeving.

Verder betogen Stichting Duinbehoud en anderen dat de gevolgen van de resterende toename van de recreatiedruk niet goed in kaart zijn gebracht. Ook zijn meerdere aspecten in de beoordeling buiten beschouwing gelaten. Er is ten onrechte vanuit gegaan dat de bezoekers zich in het Natura 2000-gebied aan de regels zullen houden. Stichting Duinbehoud en anderen wijzen in dit verband op de notitie van Ter Haar van 11 juli 2025 (hierna: de notitie van Ter Haar). Daarin is gereageerd op de bevindingen uit het addendum.

Berekende toenames en referentiegetallen

17. In hoofdstuk 3 van het addendum bij de passende beoordeling is ingegaan op de omvang van de toename van recreanten van Valkenhorst en de verspreiding van deze recreanten binnen het Natura 2000-gebied. Hierin staat dat er naar aanleiding van de herstelopdracht een actualisatie heeft plaatsgevonden van de door BügelHajema (in het mitigatierapport) berekende toename van het te verwachten aantal recreanten binnen het Natura 2000-gebied. Deze berekeningen staan in bijlage 1 bij het addendum. Op basis van een analyse van de meest geschikte routes tot de deelgebieden Pan van Persijn en het meer kwetsbare Berkheide komt Antea op basis van de cijfers van BügelHajema uit bijlage 1 tot een berekening van het aantal wandelaars dat (worst case) op een piekdag verwacht mag worden. Antea komt op basis van de cijfers van BügelHajema tot een maximaal aantal van 962 ommetjes per dag in Pan van Persijn, 705 wandelingen in Pan van Persijn en 705 wandelingen in Berkheide op een piekdag. Deze wandelingen zijn vervolgens (worst case) vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal ommetjes en wandelingen dat wandelaars per week maken. Hieruit volgt dat op een piekdag, rekening houdend met de wandelfrequentie, 2.405 ommetjes plaatsvinden in Pan van Persijn, 536 wandelingen in Pan van Persijn en 536 wandelingen in Berkheide. Deze toenames zijn afgezet tegen de aantallen wandelaars die in de huidige situatie Pan van Persijn en Berkheide bezoeken. Die aantallen worden geschat op ongeveer 1.500 tot 3.000 wandelaars per dag in Pan van Persijn op een piekdag en op een feestdag tussen de 3.000 en 6.000.

17.1. Stichting Duinbehoud en anderen stellen dat de door BügelHajema gemaakte berekeningen niet goed navolgbaar zijn en dat daarbij is uitgegaan van onjuiste aannamen. De fietsbezoekers ontbreken. Daarnaast zijn de bezoekers van bewoners van het plangebied niet meegerekend en maakt BügelHajema de aanname dat kinderen onder de 16 jaar niet in het Natura 2000-gebied komen. Hiermee zijn de bezoekersaantallen onderschat. Daarbij wijzen zij ook op de notitie van Ter Haar. Ter Haar stelt dat de berekeningen moeilijk zijn te volgen en dat deze volgens hem berusten op een onderschatting. Daarbij wijst hij erop dat langere wandelingen dan 10 km daarin niet zijn meegenomen. Verder betogen Stichting Duinbehoud en anderen dat de referentiecijfers waartegen de toename van het aantal recreanten zijn afgezet, niet voldoende zijn onderbouwd.

17.2. De Afdeling is van oordeel dat, zoals volgt uit overweging 40.3 van de tussenuitspraak, terecht de gevolgen van wandelingen langer dan 10 km buiten beschouwing zijn gelaten in het addendum. In het mitigatierapport, paragraaf 2.2.1, was al onderbouwd dat die bewegingen niet specifiek zijn toe te rekenen aan het gebruik van het plangebied voor bewoning. De Afdeling is van oordeel dat dit ook geldt voor recreanten die het gebied per fiets bezoeken.

In het betoog dat in het addendum de aanname is gedaan dat alleen de inwoners van 16 jaar en ouder gaan wandelen in het Natura 2000-gebied is, ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor de conclusie dat het totaal aantal wandelaars dat het gebied zal betreden is onderschat. Zoals de raad op de zitting heeft toegelicht is namelijk uitgegaan van het totale aantal bewoners dat zich kan vestigen in het plangebied, uitgaande van een gemiddelde gezinsgrootte van 2,14. Dit levert een aantal op van 12.166 inwoners. Vervolgens is het aantal recreanten hiervan berekend op basis van peilingen van de Wandelmonitor, die er vanuit gaat dat personen vanaf zestien jaar een besluit kunnen nemen een wandeling te gaan maken in een natuurgebied. Gemiddeld is 83,5% van de bevolking 16 jaar of ouder. BügelHajema gaat er gelet hierop vanuit dat 10.020 van het totaal aantal inwoners van het plangebied wel eens een wandeling gaan maken. In dit totaal aantal is ook een deel van de kinderen meegerekend. De enkele omstandigheid dat de peilingen die zijn verricht door de Wandelmonitor uitgaan van wandelaars vanaf 16 jaar, maakt dit niet anders. Stichting Duinbehoud en anderen hebben ook geen andere betrouwbare bron aangedragen op basis waarvan de raad en Antea tot een andere inschatting van het aantal wandelaars hadden moeten komen.

Het betoog slaagt niet.

17.3. Over het betoog dat de gehanteerde referentiecijfers berusten op een onderschatting, overweegt de Afdeling dat Antea en BügelHajema tot die cijfers zijn gekomen op basis van registraties van toegangsgelden en schattingen gebaseerd op ervaringen van boswachters in Pan van Persijn en van een recente peiling in het gebied. De Afdeling ziet in het aangevoerde niet waarom niet van die cijfers uitgegaan had kunnen worden. Zoals volgt uit de zienswijze en de notitie van Ter Haar zijn ook Stichting Duinbehoud en anderen uitgegaan van de cijfers die worden gepresenteerd in het addendum.

Het betoog slaagt niet.

Effecten toename aantal wandelaars

18. Stichting Duinbehoud en anderen betogen dat de analyse van de effecten van de toename van het aantal wandelaars in het Natura 2000-gebied niet berust op een deugdelijke onderbouwing. Het is volgens hen onduidelijk op grond van welke argumenten is geconcludeerd dat de substantiële toename van het aantal recreanten niet tot gevolg heeft dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied worden aangetast. Daarbij wijzen zij op de conclusies uit de notitie van Ter Haar, waarin de bevindingen van Antea worden betwist.

18.1. In hoofdstuk 4 van het addendum bij de passende beoordeling is ingegaan op de effecten van de toename van de recreatiedruk in het Natura 2000-gebied. Daarin staat dat wandelaars/gebruikers van de wandelpaden verschillende effecten kunnen hebben op de beschermde natuurwaarden in het Natura 2000-gebied. Genoemd worden de verstoring van habitatrichtlijnsoorten en typische soorten, met name door geluid en visuele verstoring. Verder kan ook sprake zijn van ruimtebeslag en mechanische effecten door betreding (vertrappen van planten en nesten). Maar omdat de wandelaars gebruik maken van de bestaande padenstructuur en er bij normaal gebruik geen betreding van habitattypen plaatsvindt, is er geen sprake van vernietiging van planten, nesten of van bodemverdichting. Daarbij beschrijft Antea dat er door bestaande intensieve betreding van de paden direct op en rondom de paden geen habitattypen en ook geen leefgebieden van soorten aanwezig zijn. De beoordeling is gedaan aan de hand van een analyse van de voor verstoring en betreding kwetsbare habitattypen en de daarin voorkomende typische soorten en habitatrichtlijnsoorten. Deze worden beschreven in figuur 4.1 van het addendum. Verder bevat het addendum een beschrijving van de in het Natura 2000-gebied voorkomende habitattypen en habitatrichtlijnsoorten en de in het gebied voorkomende typische soorten en hun verblijfplaatsen. De toename van het aantal recreanten leidt in dit geval volgens het addendum niet tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied, omdat de zonering van de padenstructuur in de plansituatie dezelfde is als die in de bestaande situatie en omdat de toename van het aantal wandelaars niet leidt tot een afname van de omvang en de kwaliteit van leefgebied van de typische soorten. Geconcludeerd wordt daarom dat ommetjes tot 5 km en wandelingen tot 10 km door recreanten vanuit het plangebied de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantasten.

18.2. In de notitie van Ter Haar staat dat het addendum niet berust op een deugdelijke wetenschappelijke onderbouwing. Volgens Ter Haar berust dat rapport op diverse onzorgvuldigheden en onjuistheden. Zo zijn er volgens Ter Haar wel kwetsbare habitattypen aanwezig langs de paden, is ten onrechte alleen het effect op een piekdag beoordeelt, leidt de recreatie op de paden aantoonbaar tot een afname aan draagvlak op het gebied van typische soorten en leidt een hogere recreatie-intensiviteit volgens Ter Haar tot meer verstoring. Verder noemt Ter Haar in zijn notitie dat niet of onvoldoende rekening is gehouden met groepsvorming als aanvullende verstoringsfactor.

18.3. De Afdeling ziet in wat Stichting Duinbehoud en anderen naar voren hebben gebracht niet dat de conclusies over de effecten van de toename van de recreatiedruk als gevolg van wandelaars in het Natura 2000-gebied daarin niet kunnen worden gevolgd. Wat in de notitie van Ter Haar wordt gesteld over de habitats nabij de bestaande paden leidt niet tot een andere conclusie.

In het addendum is inzichtelijk gemaakt hoe de routering door Pan van Persijn en Berkheide loopt, waar zich de te beschermen habitats bevinden en welke gevoelig zijn voor betreding en verstoring. Dit zijn Witte duinen (H2120), Grijze duinen (H2130) en Vochtige duinvalleien (kalkrijk) (H190B). Op pagina 23 van het addendum staat dat in Pan van Persijn met name habitattype duinbossen (H2180C) voorkomt, dat minder gevoelig is voor verstoring door recreanten. De Natuurdoelanalyse maakt geen melding van een knelpunt gerelateerd aan recreatiedruk voor het behalen van de instandhoudingsdoelen. Lokaal komen ook de habitattypen Duindoornstruweel (H2160) en Grijze duinen (kalkrijk) (H2130) voor. Deze zijn aanwezig aan de randen van de Pan van Persijn op niet toegankelijke plekken buiten de dichte padenstructuur en daarmee komt het behoud niet in gevaar. Wat Stichting Duinbehoud en anderen en Ter Haar hier tegenover hebben gesteld, geeft de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies uit het addendum. Daarbij hecht de Afdeling eraan dat het addendum tot stand is gekomen op basis van bureau- en veldonderzoek van een voor Antea werkzame ecoloog. Ter Haar heeft niet diezelfde expertise. Om die reden kan de Afdeling aan de notitie van Ter Haar, die veelal algemeen van aard is en verwijzingen bevat naar (algemene) wetenschappelijke studies over onderwerpen als verstoring van soorten en de kwaliteit van habitattypen, niet dezelfde betekenis toekennen als aan de locatie-specifieke ecologische onderbouwing die ten grondslag ligt aan het addendum. Overigens zijn in het addendum veelal dezelfde wetenschappelijke bronnen gehanteerd als die worden genoemd in de notitie van Ter Haar. In het addendum is ook acht geslagen op de in de literatuur bekende verstoringsafstanden en de verstoringsgevoeligheid voor de in het gebied voorkomende typische soorten en habitatrichtlijnsoorten. Niet in geschil is dat Antea die afstanden op een correcte wijze heeft toegepast.

18.4. Over het betoog dat ten onrechte alleen is gekeken naar piekdagen en dat ook langdurigere verstoringseffecten hadden moeten worden beoordeeld overweegt de Afdeling dat in het addendum is beoordeeld wat de effecten zijn van de toename van het aantal recreanten in het Natura 2000-gebied. Daarbij is de toename van het aantal wandelaars op een piekdag afgezet tegen het huidige aantal bezoekers op een dag. Dit betekent niet dat daarbij alleen is gekeken naar het aantal personen op de paden gedurende een piekdag, maar ook naar het daadwerkelijke effect van verstoring van typische soorten en habitatsoorten in de plansituatie. Hierbij is onder meer rekening gehouden met de afstand tussen de soort en de verstoringsbron, de intensiteit van de verstoring en de duur en frequentie van de verstoring. Daarbij is onderkend dat er in de plansituatie vaker een wandelaar op het pad aanwezig zal zijn. Maar de intensivering van het gebruik leidt er in de plansituatie volgens Antea niet toe dat de verstoring van de in het gebied aanwezige typische soorten en habitatrichtlijnsoorten toeneemt. Daarbij beschrijft Antea dat vanwege het bestaande gebruik van de paden er al een verstoorde zone aanwezig is langs de paden, waarin de dichtheid aan broedvogels of foeragerende vogels lager zal zijn. Die verstoorde zone wordt bepaald door de effectafstand voor verstoring die per soort verschillend is. De Afdeling is van oordeel dat gelet hierop in voldoende mate rekening is gehouden met de intensiteit van de verstoring van typische soorten en habitatrichtlijnsoorten in de plansituatie. Wat Stichting Duinbehoud en anderen hier tegenover hebben gesteld geeft geen aanknopingspunten om op dit punt te twijfelen aan de juistheid van het addendum.

Het betoog slaagt niet.

18.5. Over het betoog dat de toename van de recreatiedruk op de paden aantoonbaar leidt tot een afname aan draagvlak op het gebied van typische soorten overweegt de Afdeling dat uit de notitie van Ter Haar niet blijkt waarom dit volgens Ter Haar het geval is. In het addendum staat dat de dichtheid van deze soorten vanwege het huidige gebruik van de paden op en rondom die paden al beperkt is. Omdat al sprake is van een verstoringszone rondom deze paden maakt het volgens Antea niet uit of het plan tot een verdubbeling dan wel tot een verdrievoudiging van het aantal wandelaars op de paden leidt. De verstoringsafstand zal vanwege het huidige evenwicht ongeveer hetzelfde blijven. Hetgeen Stichting Duinbehoud en anderen hier tegenover hebben gesteld geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van het addendum.

Wat Stichting Duinbehoud en anderen verder hebben aangevoerd over de toename van de intensiteit van het gebruik van de paden en het bereik van wandelaars in het gebied, geeft evenmin aanknopingspunten voor de conclusie dat het addendum niet kan worden gevolgd. Met deze aspecten is naar het oordeel van de Afdeling rekening gehouden in het onderzoek. Er geldt in het hele Natura 2000-gebied - met uitzondering van de speelweides - een verbod op lopen buiten de paden en op de zitting is toegelicht dat er voorzieningen zijn getroffen, zoals bordjes en paaltjes, om mensen op de paden te houden. Voor zover recreanten toch buiten de paden treden, is dit een kwestie van handhaving door de beheerder van het specifieke gedeelte van het Natura 2000-gebied. Het betoog dat in het addendum geen rekening is gehouden met het aspect groepsvorming en dat dit maakt dat dit onderzoek niet berust op een deugdelijke wetenschappelijke analyse, volgt de Afdeling niet. De Afdeling acht het namelijk niet aannemelijk dat dit een gevolg is van het plan waarmee Antea in het onderzoek rekening had moeten houden.

Het betoog slaagt niet.

Effect toename aantal hardlopers

19. Stichting Duinbehoud en anderen betogen dat de beoordeling van de toename van het aantal recreanten dat zal gaan hardlopen niet toereikend is. Zij wijzen op de notitie van Ter Haar. Hierin staat dat uitgaande van het percentage recreanten dat hardloper is volgens het addendum jaarlijks sprake is van een toename van 14.468 hardlopers. Dit is volgens Ter Haar geen verwaarloosbare toename. Bovendien is bij de beoordeling buiten beschouwing gelaten het verstorende effect van het lopen in groepsverband en het effect van trailrunners/crossers, die ook buiten de paden treden. Verder had het urineren van hardlopers in de duinen moeten worden betrokken in het onderzoek.

19.1. In het addendum staat over de toename van het aantal hardlopers in het Natura 2000-gebied dat bij de toetsing van het bestaande gebruik van de paden in het Natura 2000-gebied in het beheerplan geen onderscheid is gemaakt tussen wandelaars en hardlopers. In het addendum is uitgegaan van een gemiddelde afstand tussen de 5 en 10 km van een rondje hardlopen met een gemiddelde snelheid van ongeveer 10 km per uur. Hiermee wijkt het gebruik volgens Antea niet veel af van het gebruik voor wandelen dat is geanalyseerd in de hoofdstukken 3 en 4 van het addendum. Op basis van het Draagkrachtonderzoek Nationaal Park Hollandse Duinen kan bovendien worden geconcludeerd dat er veel vaker wordt gewandeld dan er wordt hardgelopen. Uit figuur 5.1 van het addendum is af te leiden dat 71% van de respondenten zegt vaak te gaan wandelen. Het aandeel van de respondenten dat aangeeft vaak te gaan hardlopen is beperkt. Hierdoor is volgens Antea de toename van het aantal wandelaars maatgevend voor het planeffect ten aanzien van de recreatiedruk. Niettemin is ook beoordeeld wat het effect is van de hardlopers. Hierover zegt het addendum dat het hardlopen niet tot een aanvullende verstoring leidt, omdat ook voor hardlopers geldt dat zij op de paden moeten blijven. Er geldt hier geen uitzondering voor. In het Natura 2000-gebied zouden hardlopers door onoplettendheid verstoring kunnen veroorzaken. Maar hiervoor zijn al diverse maatregelen getroffen - zowel in de Pan van Persijn als in Berkheide, die het uitloopgebied vanuit Valkenhorst betreffen - om gebruikers van de wandelpaden, waaronder hardlopers, op de paden te houden.

Omdat er ook geen sprake is van ruimtebeslag of een afname van actueel areaal kwalificerende habitattype/leefgebied van typische soorten en geen verstoringseffecten optreden op de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de typische soorten, is de conclusie dat is uitgesloten dat de toename van hardlopers vanuit Valkenhorst zal leiden tot meetbare effecten op de Natura 2000-instandhoudingdoelstellingen van habitattypen en -soorten en aan de orde zijnde uitbreidings- of verbeteropgaven voor dit gebied.

19.2. Wat Stichting Duinbehoud en anderen specifiek naar voren hebben gebracht over de toename van het aantal hardlopers in het Natura 2000-gebied, biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de raad niet in zijn herstelpoging is geslaagd. Dat het niet om een geringe toename van het aantal hardlopers in het gebied gaat, is op zichzelf juist, maar hierin ziet de Afdeling geen aanleiding voor de conclusie dat het addendum niet kan worden gevolgen. In het addendum is geconcludeerd dat er ten opzichte van wandelaars geen noemenswaardig aanvullend effect uitgaat van de hardlopers op habitats, habitatsoorten en typische soorten. Daarbij is ook betrokken dat er voor hardlopers geen andere verstoringsafstanden gelden dan voor wandelaars. Bovendien is hardlopen geen nieuwe activiteit in het Natura 2000-gebied. Anders dan Stichting Duinbehoud en anderen aanvoeren, ziet de Afdeling niet waarom in het addendum niet mocht worden uitgegaan van het legale gebruik (het gebruik van de paden). Voor zover recreanten, waaronder ook hardlopers, buiten de paden treden, is dit zoals in 18.5 is overwogen een kwestie van handhaving door de beheerder van het specifieke gedeelte van het Natura 2000-gebied.

Het betoog slaagt niet.

Effecten toename aantal wandelaars met honden

20. Stichting Duinbehoud en anderen betogen dat de effecten op te beschermen natuurwaarden vanwege vermesting, vertrapping en verstoring door honden niet voldoende zijn onderzocht. Daarbij wijzen zij op de notitie van Ter Haar. Hierin staat dat de gevolgen voor gevoelige habitats en typische soorten als gevolg van de toename van het aantal honden in het Natura 2000-gebied zijn onderschat. Verder staat daarin dat de aanname dat er geen hondenpoep in het Natura 2000-gebied terechtkomt omdat er een opruimplicht geldt, niet realistisch is. Verder wijst Ter Haar op de negatieve effecten op in het Natura 2000-gebied aanwezige beplanting en begroeiing als gevolg van het urineren van honden.

20.1. In het addendum is een analyse gemaakt van de gevolgen van de toename van het aantal honden voor het Natura 2000-gebied. Daarbij is, zoals in de tussenuitspraak is overwogen, uitgegaan van een toename van ongeveer 1.120 honden in het plangebied. Dit is echter niet het aantal dat uiteindelijk in het Natura 2000-gebied zal komen. In het addendum wordt gesteld dat hondenbezitters meestal een (kort) rondje lopen bij het uitlaten. Daarbij is ervan uitgegaan dat hondenbezitters gemiddeld 1 tot 3 km afleggen tijdens een wandeling met hun hond. Omdat het plangebied op een afstand van ten minste 1.770 m van het Natura 2000-gebied ligt (bij een retour), bereiken de meeste hondenbezitters vanuit het plangebied het Natura 2000-gebied niet bij het uitlaten van de honden. In de analyse worden dan ook alleen de effecten beoordeeld van de honden die meekomen met de wandelaars/hardlopers die vanuit Valkenhorst een ommetje (tot 5 km) en wandelingen (tot 10 km) maken. Over de verspreiding van wandelaars vanuit het plangebied is in hoofdstuk 3 van het addendum beschreven dat op een piekdag 705 wandelaars tot in Berkheide komen. Uitgaande - worst case - van het feit dat 20% van de wandelaars ook een hond heeft, zullen op een piekdag 141 honden in Berkheide lopen. Uitgaande van het gemiddelde van 400 wandelaars in Berkheide betreft het dan 80 honden.

In het addendum wordt geconcludeerd dat deze toenames niet tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied zullen leiden. Dit komt omdat er geen sprake is van ruimtebeslag van actueel areaal kwalificerende habitattype/leefgebied van typische soorten of van leefgebied van habitatrichtlijnsoorten. De betreding op de plekken waar honden mogen loslopen in het hondenlosloopgebied leidt niet tot areaalverlies aan habitattypen. Ter plekke van de hondenlosloopgebieden zijn namelijk geen habitattypen/leefgebieden aanwezig en de begrenzing van de hondenlosloopgebieden wordt niet aangepast. In de gebieden waar honden buiten het broedseizoen wel los mogen lopen, kunnen als gevolg van betreding lokaal planten worden vertrapt. Maar in een dergelijk groot gebied leidt dat niet tot een verandering in de vegetatiesamenstelling en daarmee tot een aantasting van de kwaliteit van een habitattype. Verder staat in het addendum dat de kans klein is dat hondenpoep of -urine van honden vanuit Valkenhorst in het gebied komt, gelet op de afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied. Antea gaat er vanuit dat honden dan veelal hun behoefte al hebben gedaan. Verder geldt er voor hondenpoep een opruimplicht binnen het gehele Natura 2000-gebied - en overigens ook daarbuiten -, waardoor de hondenpoep niet bijdraagt aan de vermesting. Over urine staat in het addendum dat dit geen bijdrage levert aan vermesting en verzuring van de aanwezige habitattypes.

20.2. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in zijn herstelpoging is geslaagd. De raad heeft, gelet op de uiteenzetting in het addendum, reëel en aannemelijk kunnen achten dat het Natura 2000-gebied niet zal fungeren als uitlaatplek voor de gewone, dagelijkse uitlaatwandelingen vanuit het plangebied, maar slechts voor de wandelingen en ommetjes van wandelaars/recreanten waarbij de hond wordt meegenomen. Deze toenames zijn, zoals volgt uit het addendum, beperkt. Stichting Duinbehoud en anderen hebben deze toenames ook niet betwist.

Wat de honden betreft die het kwetsbare deel van het gebied wel bereiken, is de Afdeling van oordeel dat in het addendum toereikend is gemotiveerd dat de toename niet tot een zodanige verstoring, vertrapping en/of vermesting van actueel areaal kwalificerende habitattype/leefgebied van typische soorten of van leefgebied van habitatrichtlijnsoorten leidt, dat dit de natuurlijke kenmerken van het gebied aantast. Hierbij betrekt de Afdeling dat in het onderzoek rekening is gehouden met de omstandigheid dat honden een gedeelte van het jaar (buiten het broedseizoen) los mogen lopen in Berkheide. Wat Stichting Duinbehoud en anderen in dit verband hebben aangevoerd geeft onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de conclusies in het addendum. Dat, zoals Ter Haar aangeeft, wetenschappelijk onderzoek uitwijst dat het effect van wandelaars met hond maar liefst twee keer zo groot kan zijn als van wandelaars zonder hond, maakt niet dat het addendum op dit onderdeel berust op een onjuist uitgangspunt. Zoals volgt uit het addendum zijn de gebieden waarin honden los mogen lopen, afgebakend. De omvang van de hondenlosloopgebieden wordt niet groter door het plan. Wel wordt verwacht dat deze gebieden intensiever worden gebruikt. Maar ook in de bestaande situatie is al sprake van een intensief gebruik van de padenstructuur en de zone daaromheen, waardoor deze gebieden geen bijdrage leveren aan de draagkracht van het gebied als leefgebied voor de typische soorten van de kwetsbare habitattypen voor betreding. De toename van het aantal honden in Berkheide heeft volgens het addendum geen effect op de draagkracht van het gebied voor typische soorten en daarmee is er ook geen effect op de kwaliteit van de habitattypen.

21. Over hondenpoep en -urine staat in het addendum dat de toename hiervan in het Natura 2000-gebied niet tot vermesting of verzuring van de bodem kan leiden, omdat de kans klein is dat hondenpoep- of urine in het Natura 2000-gebied terecht komt. Daarbij wordt gewezen op de opruimplicht die er geldt voor hondenpoep. Het uitgangspunt hierbij is dat deze verplichting wordt nageleefd. De Afdeling is van oordeel dat in het addendum terecht het legale gebruik tot uitgangspunt is genomen. Voor zover zich niet-reglementair gebruik voordoet is dit namelijk niet een direct gevolg van het plan. Het is aan de beheerder van het gebied om hierop te acteren door monitoring, het houden van toezicht en het treffen van eventuele maatregelen. Dit blijkt ook uit het beheerplan waarin de uitwerking van een adequaat toezicht- en handhavingsplan, waarbij de naleving en handhaving van de toegangsregels en bepalingen ten aanzien van honden nader worden uitgewerkt, om vermesting en vertrapping door honden tegen te gaan, als instandhoudingsmaatregel voor diverse habitattypen is opgenomen. Daarbij is ook genoemd dat in de (tussentijdse) evaluatie van het beheerplan zal worden nagegaan in hoeverre een striktere handhaving heeft geleid tot aanpak van de in het beheerplan beschreven knelpunten.

In wat Stichting Duinbehoud en anderen hebben aangevoerd over de toename van hondenurine in het gebied ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het addendum op dit punt berust op een niet toereikende motivering.

Het betoog slaagt niet.

Tussenconclusie

22. De Afdeling is van oordeel dat de raad is geslaagd in zijn herstelpoging. De gebreken, zoals die onder 40.4, 41.8 en 42.3 van de tussenuitspraak zijn geconstateerd, zijn hersteld. Hierna zal de Afdeling de overige beroepsgronden over de in het plan opgenomen mitigerende maatregelen ten aanzien van recreatie beoordelen.

Mitigerende maatregelen

23. Stichting Duinbehoud en anderen betogen dat onvoldoende is gemotiveerd dat met de in de passende beoordeling beschreven en onderbouwde mitigerende maatregelen is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. De effectiviteit van deze maatregelen is volgens hen niet goed onderbouwd. Ook kan volgens hen niet worden vastgesteld dat met de aanleg van een wandelpad de druk op het Natura 2000-gebied niet verder toeneemt. Verder zijn de maatregelen niet goed geborgd in de regels van het plan.

23.1. De Afdeling brengt in herinnering, zoals is overwogen onder 41.6 en 41.7 van de tussenuitspraak, dat in de passende beoordeling de verwachte voordelen van mitigerende maatregelen mogen worden betrokken, mits die voordelen ten tijde van de passende beoordeling vaststaan.

Niet in geschil is dat de voorgestelde mitigerende maatregelen kunnen worden ingezet als beschermingsmaatregelen ter mitigatie van de schadelijke gevolgen die rechtstreeks voortvloeien uit het voorliggende bestemmingsplan. Die gevolgen bestaan in het concrete geval uit de verstoring van typische soorten en vermesting en vertrapping van in het Natura 2000-gebied voorkomende planten door wandelaars en honden.

23.2. In het addendum staat dat specifiek voor Valkenhorst in de nabijheid van het plangebied een recreatiegebied/wandelgebied wordt gerealiseerd, buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied, in de Mient Kooltuin. Dit is het gebied dat in bijlage 8 bij de planregels geografisch staat aangeduid op kaart 1 en dat zich ten noorden van het plangebied bevindt.

Hoofdstuk 8 van het addendum beschrijft de voortgang van de ontwikkeling van de Mient Kooltuin en andere gebieden om de recreatiedruk in het Natura 2000-gebied te beperken. Daarin staat dat de Mient Kooltuin als overgangszone wordt ingericht tussen de woningbouwontwikkeling en het Natura 2000-gebied. In de Mient Kooltuin zal, naast recreatieve voorzieningen zoals bosaanplant, ook een ecologische verbindingszone tussen het Groene Hart en de duinen worden ingericht. Hiervoor is een uitvoeringsprogramma in de maak met alle stakeholders, waaronder de gemeente Katwijk, de provincie en Staatsbosbeheer. Hierin worden diverse maatregelen opgenomen zoals bosaanplant, de aanleg van natuurvriendelijke oevers en kleine landschapselementen, het robuust maken van de ecologische verbinding Lentevreugd - De Horsten en het aantrekken van weidevogels door de aanplant van bloemen en kruidenrijk gras. Verder komt in de Mient Kooltuin een hondenlosloopgebied en zal een vergroening plaatsvinden van de Eerste Mientlaan. De bosaanplant in de Mient Kooltuin is op Katwijks grondgebied eind 2024 gestart. Verder worden in 2025 voorbereidende werkzaamheden gestart voor het volgende deel van de bosaanplant.

23.3. De Afdeling ziet in het aangevoerde niet dat de opgevoerde beschermingsmaatregel, bestaande uit de aanleg van nieuwe wandelpaden en het planten van nieuwe bosschages, in overeenstemming met het document ‘Maatregelen recreatiedruk’ dat als bijlage 8 bij de regels van het plan is gevoegd, niet toereikend is om de (resterende) negatieve effecten vanwege de toename van de recreatiedruk op het Natura 2000-gebied te mitigeren. In het mitigatierapport staat dat om te voorkomen dat de recreatiedruk op het Natura 2000-gebied teveel toeneemt, er externe maatregelen moeten worden getroffen buiten het gebied. Uit de in dat rapport aangehaalde literatuur volgt dat de meest effectieve maatregel is om alternatieve wandelmogelijkheden te realiseren die qua belevingswaarde kunnen wedijveren met het natuurgebied. Paragraaf 5.2.2 van het mitigatierapport bevat een uitgebreide beschrijving waaraan de externe mitigerende maatregelen moeten voldoen (zie ook het overzicht in paragraaf 5.3.). Wanneer deze maatregelen getroffen worden, kan volgens BügelHajema worden voorkomen dat de recreatiedruk in het Natura 2000-gebied toeneemt, zodat de aantasting van de natuurlijke kenmerken van dat gebied kan worden uitgesloten. Stichting Duinbehoud en anderen hebben de in het mitigatierapport gestelde vereisten voor de wandelmogelijkheden niet gemotiveerd bestreden. Zij stellen alleen dat de aantrekkelijk natuurlijke omgeving in de Mient Kooltuin nu ontbreekt en dat de fysieke mogelijkheden om een aantrekkelijk wandelpad van 5 km aan te leggen ontbreken. De raad heeft in het memo "Wandelroutes Mient Kooltuin" van 16 mei 2024 inzichtelijk gemaakt dat het mogelijk is om kwalitatief geschikte wandelvoorzieningen en routes te realiseren in en aansluitend op de Mient Kooltuin, die voldoen aan de in de passende beoordeling, het mitigatierapport en bijlage 8 bij de planregels gestelde voorwaarden. Hierin wordt een raamwerk aan wandelpaden geschetst tussen het plangebied en de rand van het Natura 2000-gebied van in totaal 8,6 km aan wandelpaden (hoofd- en secundaire wandelpaden). Wat Stichting Duinbehoud en anderen hier tegenover hebben gesteld biedt de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat geen toereikende wandelvoorziening kan worden aangebracht.

Om die reden slaagt het betoog niet.

Juridische borging mitigerende maatregelen

24. Over de juridische borging overweegt de Afdeling dat met het besluit van 18 april 2024 bijlage 8 bij de planregels is gewijzigd. Daaraan is kaart 1 "Mient Kooltuin" toegevoegd, waarin het gebied Mient Kooltuin geografisch is afgebakend, en zijn de voorwaarden voor de aanleg van een tijdelijk wandelpad gewijzigd. Deze voorwaarden zijn ongewijzigd overgenomen in het besluit van 5 juni 2025. Stichting Duinbehoud en anderen hebben niet geconcretiseerd waarom de wijze waarop de aanleg van de wandelvoorzieningen binnen - of buiten de Mient Kooltuin -, zoals die is geborgd in artikel 31.2 van de planregels, gelezen in samenhang met bijlage 8, niet toereikend is.

Om die reden slaagt het betoog niet.

Conclusie

25. In de tussenuitspraak is al overwogen dat het beroep van SVG en het beroep van Stichting Duinbehoud en anderen gebreken in het besluit van 18 april 2024 aan het licht hebben gebracht. De beroepen zijn gegrond. Het besluit van 18 april 2024 moet worden vernietigd.

26. De Afdeling stelt vast dat het besluit van 30 juni 2022 bij besluit van 18 april 2024 op de punten waar de Afdeling in de tussenuitspraak gebreken heeft gezien, niet is gewijzigd. Dat betekent dat dezelfde gebreken ook aan het besluit van 30 juni 2022 kleven. Dit besluit moet daarom ook worden vernietigd.

27. Het van rechtswege ontstane beroep van SVG en het van rechtswege ontstane beroep van Stichting Duinbehoud en anderen tegen het besluit van 5 juni 2025 is ongegrond.

28. De raad moet de proceskosten van Stichting Duinbehoud en anderen vergoeden. De raad hoeft geen proceskosten van SVG te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van Stichting Valkenburg Groen en Stichting Duinbehoud en anderen tegen het besluit van 30 juni 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Valkenhorst" gegrond;

II. vernietigt het besluit van 30 juni 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebied Valkenhorst";

III. verklaart het beroep van Stichting Valkenburg Groen en Stichting Duinbehoud en anderen tegen het besluit van 18 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst" gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 18 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst";

V. verklaart het beroep van Stichting Valkenburg Groen en Stichting Duinbehoud en anderen tegen het besluit van 5 juni 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tweede Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst" ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Katwijk tot vergoeding van bij Stichting Duinbehoud en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

€ 3.736,00, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat de raad bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Katwijk aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 365,00 aan Stichting Valkenburg Groen;

b. € 365,00 aan Stichting Duinbehoud en anderen, met dien verstande dat de raad bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Perlot, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Perlot

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026

901 - 952

BIJLAGE

De regels van het bestemmingsplan "Tweede Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst

Artikel 5.4.2:

"De gebouwen zoals bedoeld in artikel 5.4.1 mogen uitsluitend worden gebouwd als wordt voldaan aan het volgende:

(…)

k. de bouwhoogte van nieuwe gebouwen met gestapelde woningen mag niet meer bedragen dan 20 meter mits in overeenstemming met het kwaliteitsboek;

l. in afwijking van het bepaalde in sub k zijn nieuwe gebouwen met gestapelde woningen met een hogere bouwhoogte toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

1. gebouwen zijn gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 2';

2. er is sprake van een accentbebouwing;

3.de bebouwing past in en in overeenstemming is met het kwaliteitsboek;

4. de bouwhoogte van maximaal 5% van het oppervlak van de gronden binnen de gebiedsaanduiding wijkt af van de bouwhoogte zoals genoemd in sub k;

5. de bouwhoogte is niet hoger dan ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 2' is bepaald.

(…)."

Artikel 11.4.2:

"De gebouwen zoals bedoeld in artikel 11.4.1 mogen uitsluitend worden gebouwd als wordt voldaan aan het volgende:

(…)

l. de bouwhoogte van nieuwe gebouwen met gestapelde woningen mag niet meer bedragen dan 20 meter mits in overeenstemming met het kwaliteitsboek;

m. in afwijking van het bepaalde in sub l zijn nieuwe gebouwen met gestapelde woningen met een hogere bouwhoogte toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

1. gebouwen zijn gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 2' of 'overige zone - bouwhoogte 40 m afweegbaar';

2. er is sprake van een accentbebouwing;

3. de bebouwing past in en in overeenstemming is met het kwaliteitsboek;

4. de bouwhoogte van maximaal 5% van het oppervlak van de gronden binnen de gebiedsaanduiding wijkt af van de bouwhoogte zoals genoemd in sub l;

5. de bouwhoogte is niet hoger dan ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 2' of 'overige zone - bouwhoogte 40 m afweegbaar' is bepaald.

Artikel 12.4.2:

" De gebouwen zoals bedoeld in artikel 12.4.1 mogen uitsluitend worden gebouwd als wordt voldaan aan het volgende:

(…)

i. de bouwhoogte van nieuwe gebouwen met gestapelde woningen buiten de gebiedsaanduiding 'specifieke vorm van woongebied - overgangszone groen woonmilieu' mag niet meer bedragen dan 20 meter mits in overeenstemming met het kwaliteitsboek;

j. in afwijking van het bepaalde in sub i zijn nieuwe gebouwen met gestapelde woningen met een hogere bouwhoogte toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

1. gebouwen zijn gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 1', 'overige zone - bouwhoogte 32 afweegbaar - 2' of 'overige zone - bouwhoogte 40 m afweegbaar';

2. er is sprake van een accentbebouwing;

3. de bebouwing past in en is in overeenstemming is met het kwaliteitsboek;

4. de bouwhoogte binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 1' mag voor maximaal 2,5% van het oppervlak van de gronden gelegen binnen deze gebiedsaanduiding 'overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar -1' afwijken van de bouwhoogte zoals genoemd in sub i tot een maximale hoogte van 32 meter;

5. de bouwhoogte binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 2' mag voor maximaal 5% van het oppervlak van de gronden gelegen binnen deze gebiedsaanduiding 'overige zone - bouwhoogte 32 m afweegbaar - 2' afwijken van de bouwhoogte zoals genoemd in sub i tot een maximale hoogte van 32 meter;

6. de bouwhoogte binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - bouwhoogte 40 m afweegbaar' mag voor maximaal 5% van het oppervlak van de gronden gelegen binnen deze gebiedsaanduiding 'overige zone - bouwhoogte 40 m afweegbaar' afwijken van de bouwhoogte zoals genoemd in sub i tot een maximale hoogte van 40 meter;

(…)."

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?