ECLI:NL:RVS:2026:2251

ECLI:NL:RVS:2026:2251

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 202406952/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 23 maart 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] een boete opgelegd van € 15.750,00 wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit). Werknemers van [appellante] waren op 19 oktober 2021 bezig met het laden van bundels stalen profielen in een zeecontainer. Daarbij heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden. Het slachtoffer had de opdracht gekregen om samen met een collega in de zeecontainer te gaan staan om de bundels stalen profielen te begeleiden in de zeecontainer. Zij hadden inmiddels één bundel stalen profielen in de container geladen. Om de volgende bundel vanuit de container te begeleiden gebruikte de collega van het slachtoffer een afstandshouder om de bundel op zijn plek te duwen. Het slachtoffer zag dat de bundel aan zijn kant niet goed op zijn plek zakte en wilde met zijn handen de bundel aanduwen. Hij maakte geen gebruik van een afstandshouder. Opeens klapten de bovenste stukken van twee profielen in elkaar, waardoor het slachtoffer met zijn linker middel- en ringvinger tussen twee stalen profielen bekneld raakte.

Uitspraak

202406952/1/A3.

Datum uitspraak: 22 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd in [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 oktober 2024 in zaak nr. 23/5840 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2023 heeft de minister aan [appellante] een boete opgelegd van € 15.750,00 wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit).

Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. E. Koekoek en mr. J. van den Brink, advocaten in Barneveld, en de minister, vertegenwoordigd door mr. B.M. van der Kuil en R. Neef, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Werknemers van [appellante] waren op 19 oktober 2021 bezig met het laden van bundels stalen profielen in een zeecontainer. Daarbij heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden. Het slachtoffer had de opdracht gekregen om samen met een collega in de zeecontainer te gaan staan om de bundels stalen profielen te begeleiden in de zeecontainer. Zij hadden inmiddels één bundel stalen profielen in de container geladen. Om de volgende bundel vanuit de container te begeleiden gebruikte de collega van het slachtoffer een afstandshouder om de bundel op zijn plek te duwen. Het slachtoffer zag dat de bundel aan zijn kant niet goed op zijn plek zakte en wilde met zijn handen de bundel aanduwen. Hij maakte geen gebruik van een afstandshouder. Opeens klapten de bovenste stukken van twee profielen in elkaar, waardoor het slachtoffer met zijn linker middel- en ringvinger tussen twee stalen profielen bekneld raakte. Als gevolg daarvan moesten het bovenste kootje van zijn linker middel- en ringvinger geamputeerd worden.

2. Van het ongeval is melding gemaakt bij de Nederlandse Arbeidsinspectie en naar aanleiding daarvan zijn arbeidsinspecteurs een ongevalsonderzoek gestart. De bevindingen zijn vastgelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt boeterapport. De inspecteurs stellen dat het slachtoffer en zijn collega zich niet in de container hadden hoeven te begeven tijdens het laten zakken van de bundels stalen profielen. Zoals volgt uit de Taak Risico Analyse (TRA) die na het ongeval is opgemaakt, kan bij het hijsen van staaldelen met een stuurtouw gewerkt worden of kunnen pakketten gedraaid worden vanuit een hoogwerker buiten de container. Volgens de arbeidsinspecteurs is daardoor sprake van overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, in samenhang gelezen met artikel 7.18a, zesde lid, van het Arbobesluit.

3. De minister heeft, in afwijking van het boeterapport, geen boete opgelegd voor overtreding van artikel 7.18a, zesde lid, van het Arbobesluit, maar voor overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit. Volgens de minister is het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen in dit geval niet zoveel mogelijk voorkomen of beperkt.

De aangevallen uitspraak

4. De rechtbank is bij de beoordeling van het beroep ervan uitgegaan dat het bij de werkzaamheden nodig was dat zich personen in de zeecontainer bevonden om de last bij het laatste stukje te begeleiden. Tussen partijen is niet in geschil dat het slachtoffer gebruik had moeten maken van een afstandshouder. Dat heeft hij niet gedaan, waardoor het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen niet is voorkomen of zoveel mogelijk is beperkt. Er is dus sprake van overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] niet heeft voldaan aan de vier matigingsgronden van artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (Beleidsregel). Er is dus geen aanleiding om de boete te matigen op grond van verminderde verwijtbaarheid. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om de boete te matigen omdat de dertienwekentermijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is overschreden, omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Het beroep van [appellante] is daarom ongegrond verklaard.

Het hoger beroep

Overschrijden termijn uit artikel 5:51 van de Awb

5. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte de boete niet heeft gematigd wegens overschrijding van de dertienwekentermijn uit artikel 5:51, eerste lid, van de Awb. Dat daarvoor sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden volgt niet uit jurisprudentie van de Afdeling.

5.1. In artikel 5:51, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien van de overtreding een rapport is opgemaakt, het bestuursorgaan binnen dertien weken na dagtekening van het rapport over het opleggen van de bestuurlijke boete beslist. Het boeterapport is gedateerd op 8 februari 2022. Bij brief van 10 februari 2023 heeft de minister aan [appellante] schriftelijk kennisgegeven dat hij voornemens is om een boete op te leggen. Op 23 maart 2023 heeft de minister besloten om een boete op te leggen. De termijn van dertien weken is dus overschreden. De minister heeft dit op de zitting bij de Afdeling ook erkend. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1232, is de dertienwekentermijn een termijn van orde. Dat betekent dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, aan de overschrijding daarvan voor de bevoegdheid om een boete op te leggen geen consequenties zijn verbonden. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:913, onder 9.4, kan de bestuursrechter de overschrijding van de beslistermijn echter wel verdisconteren in de hoogte van de boete. Het boetebesluit is in dit geval ongeveer 58 weken, oftewel ruim een jaar nadat het boeterapport was uitgebracht, genomen. Dit is onwenselijk lang. De Afdeling ziet daarom, anders dan de rechtbank, aanleiding om de overschrijding van de dertienwekentermijn te verdisconteren in de hoogte van de boete. Een matiging van 5% acht de Afdeling passend en geboden. De boete wordt gelet op het vorenstaande verminderd met € 787,50.

5.2. Het betoog slaagt.

Overige gronden in hoger beroep

6. De gronden die [appellante] voor het overige heeft aangevoerd in hoger beroep, over de verwijtbaarheid van de overtreding en matiging van de boete op grond van artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.1, 7.1, 8.3, 9.1 en 10.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat de verwijzing van [appellante] naar de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:843, niet leidt tot een ander oordeel. In die uitspraak zag de Afdeling aanleiding om de boete te matigen omdat er sprake was van een situatie waarin de werknemer op eigen initiatief en tegen beter weten in buitengewoon onvoorzichtig had gehandeld. Zo’n situatie doet zich hier niet voor.

Conclusie

7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank de boete niet heeft gematigd wegens overschrijding van de termijn uit artikel 5:51 van de Awb. Het beroep is gegrond en het besluit van 1 augustus 2023 moet worden vernietigd, voor zover het de hoogte van de boete betreft. Het besluit van 23 maart 2023 zal worden herroepen voor zover het de hoogte van de boete betreft. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door de boete vast te stellen op € 14.962,50 en bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 1 augustus 2023.

8. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 oktober 2024 in zaak nr. 23/5840, voor zover de rechtbank de boete niet heeft gematigd;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 augustus 2023, kenmerk WBJA/SVIA/3.2023.0608.001, voor zover het de hoogte van de boete betreft;

V. herroept het besluit van 23 maart 2023, kenmerk 072200483/04, voor zover het de hoogte van de boete betreft;

VI. bepaalt dat aan [appellante] een boete van € 14.962,50 wordt opgelegd;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 1 augustus 2023, voor zover vernietigd;

VIII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 924,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. M.M. Kaajan en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier.

w.g. Meijer

voorzitter

w.g. Kamperman

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026

1000

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B. Meijer
  • mr. M.M. Kaajan
  • mr. J. Luijendijk

Griffier

  • mr. A.E. Kamperman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?