202503388/1/V6.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 mei 2025 in zaak nr. 24/2750 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (het naturalisatieverzoek) afgewezen.
Bij besluit van 7 juni 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 maart 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.G. Wiebes, advocaat in Lelystad, en de minister, vertegenwoordigd door mr. W. Epema, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft op 6 maart 2023 het naturalisatieverzoek ingediend. De minister heeft dit verzoek afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (de RWN), omdat ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde. [appellant] is namelijk binnen de rehabilitatietermijn van vijf jaar als bedoeld in de Handleiding RWN meerdere keren strafrechtelijk veroordeeld voor misdrijven. Volgens de minister doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die maken dat hij in afwijking van het beleid in de Handleiding RWN toch het Nederlanderschap aan [appellant] moet verlenen. Daarnaast heeft de minister het naturalisatieverzoek afgewezen op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN, omdat [appellant] niet als voldoende ingeburgerd kan worden beschouwd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het naturalisatieverzoek op deze beide grondslagen mocht afwijzen.
Bijzondere omstandigheden
2. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] verschillende misdrijven heeft gepleegd en dat de rehabilitatietermijn ten tijde van het naturalisatieverzoek nog niet was verstreken.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zijn omstandigheden zo bijzonder zijn dat de minister hem in afwijking van het beleid toch het Nederlanderschap had moeten verlenen. De rechtbank heeft er volgens [appellant] onvoldoende rekening mee gehouden dat de strafrechter zijn psychiatrische beperkingen en kwetsbaarheid voor beïnvloeding niet bij zijn beoordeling heeft betrokken, omdat de hulpverlening na het laatste strafvonnis is gestart en deze omstandigheden toen pas duidelijk zijn geworden. Ook heeft de strafrechter niet meegewogen dat hij de misdrijven onder druk van een criminele groep heeft gepleegd, omdat dit ook pas na het laatste strafvonnis bekend is geworden. [appellant] vindt dat het in strijd met artikel 6 van het EVRM is als de bestuursrechter geen oordeel geeft over deze feiten die niet door de strafrechter zijn beoordeeld.
3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister de door [appellant] gestelde persoonlijke omstandigheden niet zo bijzonder hoefde te vinden dat hij moest afwijken van het beleid. In de naturalisatieprocedure mag de minister een strafrechtelijk vonnis als gegeven beschouwen. Het is hierbij niet aan de minister om te beoordelen, of aan de bestuursrechter om te toetsen, op welke wijze de strafrechter tot het opleggen van een sanctie is gekomen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:478, onder 5.2. De minister mag ervan uitgaan dat de omstandigheden die hebben geleid tot het plegen van een misdrijf al door de strafrechter zijn meegewogen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1944, onder 6.3. Dit betekent dat de minister bij zijn beoordeling niet hoefde te betrekken dat [appellant] naar gesteld door zijn psychische kwetsbaarheid de misdrijven onder druk van een criminele organisatie heeft gepleegd. Anders dan [appellant] betoogt, is de hulpverlening daarnaast al vóór de laatste veroordeling door de strafrechter op 19 februari 2021 gestart. Uit het overgelegde indicatiebesluit van 2 september 2020 volgt namelijk dat [appellant] met ingang van 1 januari 2021 recht heeft op zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Verder heeft hij medische stukken uit 2012 en 2016 overgelegd, waaruit ook volgt dat hij op verschillende momenten zorg voor zijn psychische problematiek heeft ontvangen. [appellant] had deze omstandigheden dus in de strafprocedure naar voren kunnen brengen. In deze naturalisatieprocedure is er gelet op het voorgaande geen ruimte voor het beoordelen van de door [appellant] naar voren gebrachte bijzondere, verzachtende omstandigheden. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van het gedrag van [appellant] vermoedens bestaan dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde.
3.2. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Inburgering
4. De omstandigheid dat er ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde is een zelfstandige afwijzingsgrond, die de afwijzing van het naturalisatieverzoek kan dragen. De hogerberoepsgrond die gaat over de afwijzingsgrond dat [appellant] als onvoldoende ingeburgerd moet worden beschouwd, behoeft daarom geen bespreking.
Hoorplicht
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van de hoorplicht in de bezwaarfase heeft gepasseerd. Hij betoogt dat de minister hem wel heeft benadeeld, omdat hij bij een hoorzitting laagdrempeliger zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden en psychische problematiek had kunnen toelichten.
5.1. Deze hogerberoepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft niet ten onrechte de schending van de hoorplicht in de bezwaarfase gepasseerd. Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft [appellant] in zijn beroepschrift en tijdens de zitting zijn standpunten naar voren kunnen brengen. Gelet op het oordeel van de Afdeling in de voorgaande overwegingen over de door [appellant] aangevoerde bijzondere omstandigheden en psychische problematiek, is niet aannemelijk dat een hoorzitting tot een andere beslissing had geleid. Dat het karakter van een hoorzitting laagdrempeliger is dan een zitting bij de rechtbank, is onder deze omstandigheden onvoldoende voor het oordeel dat [appellant] door het schenden van de hoorplicht is benadeeld.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Ruijter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
887-1127