202506209/1/A2.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van Fontys Hogeschool (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 21 augustus 2025 heeft de directeur van Fontys Educatie het resultaat van het 21+ toelatingsonderzoek (het onderzoek) van [appellant] vastgesteld op ‘Niet Behaald’.
Bij beslissing van 17 december 2025 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 februari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Salamat, rechtsbijstandsverlener in Enschede, en het CBE via een videoverbinding, vertegenwoordigd door mr. M. Middendorp en mr. drs. M.E.C. Hesseling-Hertsenberg, zijn verschenen.
De Afdeling heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heropend.
Het CBE heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.
[appellant] heeft hierop gereageerd.
Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft deelgenomen aan een toelatingsonderzoek voor de lerarenopleiding Geschiedenis aan de Fontys Hogeschool (de opleiding). Het toelatingsonderzoek bestaat uit een capaciteitentoets en een taaltoets. Om voor het onderzoek te slagen, moet de kandidaat zowel de capaciteitentoets als de taaltoets met een positief resultaat afronden. De capaciteitentoets is behaald bij een totaalscore van 4 of hoger.
2. [appellant] heeft voor de capaciteitentoets een totaalscore van 3,6 behaald. Dit betekent dat hij het onderzoek niet heeft behaald en dus niet is toegelaten tot de opleiding.
Beslissing van het CBE
3. Het CBE heeft zich, voor zover relevant, op het standpunt gesteld dat de beoordeling van het onderzoek niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Er heeft in de afname van het onderzoek geen aan de onderwijsinstelling toe te rekenen onregelmatigheid plaatsgevonden. In de uitnodiging voor het onderzoek, de bijbehorende instructie en het bericht van de toetsleverancier op de dag van het onderzoek zelf, staat dat een kandidaat eerst een instructie krijgt en pas daarna, zodra de surveillant dit heeft aangegeven, mag starten. Niet kan worden vastgesteld of de surveillant mondeling andere informatie heeft gegeven. Voor zover [appellant] het afbreken en opnieuw opstarten van het onderzoek heeft ervaren als een onregelmatigheid, is dit niet dermate ingrijpend dat dit begrijpelijkerwijs van invloed is geweest op het eindresultaat. [appellant] heeft het onderzoek onder normale omstandigheden en met gebruikmaking van de vooraf gecommuniceerde tijdsduur kunnen maken.
Beoordeling van het beroep
Zorgvuldigheidsbeginsel
4. [appellant] betoogt dat het CBE ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de beoordeling van het onderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen. De surveillant heeft voorafgaand aan de afname daarvan een afwijkende instructie gegeven dan vooraf aan de kandidaten is gecommuniceerd. Hij heeft gezegd: "Volg mij het lokaal in, dan mag je gaan zitten en van start gaan dan." [appellant] is hierdoor direct met het onderzoek gestart, terwijl eerst een instructievideo moest worden bekeken. De surveillant heeft vervolgens het onderzoek gereset, wat heeft geleid tot concentratieproblemen. Ten onrechte is in dit verband het risico van de ambiguïteit van de instructie van de surveillant gelegd bij [appellant]. Hij had immers uit "van start gaan" mogen afleiden dat hij mocht aanvangen met het onderzoek. [appellant] wijst er verder op dat hij kenmerken heeft van een autismespectrum stoornis en is gediagnosticeerd met ADHD, waardoor hij kwetsbaar is voor plotseling gewijzigde instructies. Daarbij komt dat door de reset van het onderzoek tijd verloren is gegaan. Niet is inzichtelijk gemaakt dat het onderzoek daadwerkelijk is gereset en welke vragen goed of fout waren. Door voornoemde omstandigheden heeft [appellant] het onderzoek niet gehaald. Het had verder op de weg van de onderwijsinstelling gelegen om inzicht te verschaffen in de beoordeling van de capaciteitentoets, aldus [appellant].
4.1. Uit de door het CBE overgelegde informatie uit het Kandidaatgeschiedenis overzicht van de Test-Toolkit van Ixly volgt dat het onderzoek om 10:29 door de surveillant is gereset. Op hetzelfde moment zijn 'Fontys 21+ Toelatingsonderzoek (Extra tijd)’, ‘Fontys 21+ Toelatingsonderzoek Capaciteitentest (Extra tijd)' en 'ACT Begrijpend Lezen (Extra tijd)' teruggetrokken. Vervolgens zijn ‘Fontys 21+ Toelatingsonderzoek Capaciteitentest (Extra tijd)’, ‘ACT Begrijpend Lezen (Extra tijd)’ en ‘Fontys 21+ Toelatingsonderzoek (Extra tijd)’ toegevoegd. [appellant] heeft het onderzoek uiteindelijk om 12:09, ongeveer 90 minuten nadat hij was gestart met het onderzoek, afgerond. Het onderzoeksrapport is volgens het overzicht om 12:35 gegenereerd. Verder blijkt uit het overzicht van gegevens afkomstig uit de interne (R&D) scorehash van het afgenomen onderzoek dat [appellant] voor iedere vraag de aan hem toegekende extra tijd heeft gekregen, te weten 60 seconden per vraag, waar dit zonder extra tijd 45 seconden is. Niet blijkt daaruit dat vragen door het verstrijken van de tijd niet zijn beantwoord. De Afdeling overweegt dat het CBE met de overgelegde informatie voldoende heeft onderbouwd dat het onderzoek van [appellant] volledig is gereset en hij geen tijdsverlies heeft geleden. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de overgelegde technische gegevens geen betrekking zouden hebben op [appellant].
Nu aannemelijk is dat het onderzoek van [appellant] volledig is gereset en hij daarvoor de volledige tijdsduur heeft gekregen die daarvoor staat, is de Afdeling van oordeel dat het CBE terecht tot het oordeel is gekomen dat de beoordeling van het onderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen. Wat de aanleiding was voor de reset, is door de volledige reset van het onderzoek niet van belang. Dat [appellant] daardoor mogelijk concentratieproblemen heeft ervaren, maakt niet dat het onderzoek onzorgvuldig is afgenomen.
Het betoog slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
5. [appellant] betoogt dat het CBE niet heeft onderkend dat de beoordeling van het onderzoek in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Door het treffen van een voorlopige voorziening heeft hij deel mogen nemen aan het onderwijs, waarvoor hij goede resultaten heeft behaald. [appellant] stelt dat dit laat zien dat hij beschikt over het vereiste hbo-niveau.
5.1. Het CBE heeft terecht het standpunt ingenomen dat de door [appellant] behaalde studieresultaten, die hij heeft behaald naar aanleiding van de door het CBE getroffen voorlopige voorziening, niet van belang zijn voor de beoordeling van het onderzoek, dat voorligt in deze procedure en dient ter beoordeling of [appellant] geschikt is voor de opleiding.
Het betoog slaagt niet.
Motiveringsbeginsel en vertrouwensbeginsel
6. [appellant] heeft zijn betogen over het motiveringsbeginsel en vertrouwensbeginsel onvoldoende onderbouwd. Wat hij daarover heeft aangevoerd, leidt daarom niet tot het oordeel dat de beoordeling van het onderzoek niet in stand kan blijven.
De betogen slagen niet.
Slotsom
7. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het CBE terecht het standpunt heeft ingenomen dat het resultaat voor het onderzoek mocht worden vastgesteld op ‘Niet behaald’.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
1062