ECLI:NL:RVS:2026:2257

ECLI:NL:RVS:2026:2257

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 202404843/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 18 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem het wijzigingsplan "Hof Noordeinde 2022" vastgesteld. Het wijzigingsplan en de omgevingsvergunning maken de bouw van 20 woningen mogelijk achter het Noordeinde 96 in Roelofarendsveen. Op dit perceel bevindt zich nu leegstaande bebouwing. Hier was tot 2019 detailhandel in gevestigd. Uit de plantoelichting bij het wijzigingsplan volgt dat vanuit de gemeente initiatieven zijn genomen om versnippering van detailhandel te bestrijden en detailhandel meer te centreren. Daardoor is in het plangebied ruimte voor woningbouw ontstaan. [appellanten sub 1] wonen aan het [locatie 1] en zijn de eigenaren van het pand [locatie 2] tot [locatie 3]. Zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat in het bijzonder gelet op het aantal voorziene woningen. [appellant sub 2] en anderen wonen in de omgeving van het plangebied en vrezen voor een verdere verslechtering van de verkeersveiligheid op het overbelaste Noordeinde.

Uitspraak

202404843/1/R3.

Datum uitspraak: 22 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend in Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem,

2. [appellant sub 2] en anderen, wonend in Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2024 heeft het college het wijzigingsplan "Hof Noordeinde 2022" vastgesteld.

Bij besluit van 18 juni 2024 heeft het college aan Heevas B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 20 woningen achter Noordeinde 96 te Roelofarendsveen (project Hof Noordeinde).

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Tegen deze besluiten hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen, Heevas B.V. en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 maart 2026, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door G.T.M. Stoof RT, rechtsbijstandverlener, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], en het college, vertegenwoordigd door mr. V. Platteeuw en M. Bosman, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Heevas B.V., vertegenwoordigd door mr. A.P. IJkelenstam, advocaat te Amsterdam, en [directeur] als partij gehoord.

Overwegingen

OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is.

Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Het ontwerpwijzigingsplan is op 8 december 2023 ter inzage gelegd en de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 juni 2021. Dat betekent dat in deze procedure het recht, waaronder de Wro, de Crisis- en herstelwet en de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

INLEIDING

2. Het wijzigingsplan en de omgevingsvergunning maken de bouw van 20 woningen mogelijk achter het Noordeinde 96 in Roelofarendsveen. Op dit perceel bevindt zich nu leegstaande bebouwing. Hier was tot 2019 detailhandel in gevestigd. Uit de plantoelichting bij het wijzigingsplan volgt dat vanuit de gemeente initiatieven zijn genomen om versnippering van detailhandel te bestrijden en detailhandel meer te centreren. Daardoor is in het plangebied ruimte voor woningbouw ontstaan. [appellanten sub 1] wonen aan het [locatie 1] en zijn de eigenaren van het pand [locatie 2] tot [locatie 3]. Zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat in het bijzonder gelet op het aantal voorziene woningen. [appellant sub 2] en anderen wonen in de omgeving van het plangebied en vrezen voor een verdere verslechtering van de verkeersveiligheid op het overbelaste Noordeinde.

ZIENSWIJZE

3. [appellanten sub 1] betogen dat zij nooit een reactie hebben ontvangen op hun zienswijze en dat evenmin overleg heeft plaatsgevonden, terwijl zij hier in hun zienswijze wel om hadden verzocht. Verder betogen zij dat de wijze waarop het college de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1. De Afdeling stelt vast dat het wijzigingsplan en de omgevingsvergunning in overeenstemming met artikel 3.30 van de Wro zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Eenieder heeft de mogelijkheid gekregen om mondeling of schriftelijk zienswijzen naar voren te brengen over het ontwerpwijzigingsplan en de ontwerpomgevingsvergunning. [appellanten sub 1] hebben van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt. De Wro en de Awb verplichten er niet toe dat het college de indieners van een zienswijze uitnodigt voor een mondelinge toelichting. Evenmin verplichten deze wetten ertoe dat de indieners van een zienswijze persoonlijk in kennis worden gesteld van de reactie hierop van het college. In de Nota van Beantwoording zienswijzen heeft het college gereageerd op de ingediende zienswijzen en deze nota is, tezamen met het vastgestelde wijzigingsplan en de verleende omgevingsvergunning, voor een ieder te raadplegen op de landelijke voorziening. Verder verzet artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen dat het college de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de procedures ten behoeve van het wijzigingsplan en de omgevingsvergunning onzorgvuldig zijn verlopen.

Het betoog slaagt niet.

HET WIJZIGINGSPLAN

Toetsingskader

4. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat in beginsel als een gegeven worden beschouwd als is voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen, doet niets af aan de plicht van het college van burgemeester en wethouders om in de besluitvorming over de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is.

Adviezen in het kader van het vooroverleg

5. [appellanten sub 1] betogen dat in het kader van het wettelijk vooroverleg door de Omgevingsdienst West-Holland en het Hoogheemraadschap van Rijnland adviezen zijn uitgebracht en dat deze ten onrechte niet bij de plantoelichting zijn gevoegd.

5.1. Artikel 3:11, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage, met uitzondering van stukken waarvoor bij wettelijk voorschrift mededeling op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze is voorgeschreven."

Artikel 1.1.1, derde lid, van het Bro luidt: "In hoofdstuk 3 van dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt onder een bestemmingsplan mede begrepen een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet alsmede een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3 van de wet."

Artikel 3.1.1, eerste lid, - welk artikel staat in hoofdstuk 3 van het Bro - luidt: "Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan pleegt daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing."

Artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder c, luidt: "Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg."

5.2. De Afdeling overweegt dat daargelaten de vraag of de adviezen van de Omgevingsdienst West-Holland en het Hoogheemraadschap van Rijnland redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het ontwerpplan, de uitkomst van het vooroverleg overeenkomstig artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bro is neergelegd in hoofdstuk 5 en bijlage 3 van de toelichting behorende bij het ontwerpplan. Dit betekent dat alle relevante informatie voor belanghebbenden kenbaar was. Terinzagelegging van deze adviezen was daarom redelijkerwijs niet nodig voor de beoordeling van het ontwerp. De Afdeling concludeert dat geen sprake is van een schending van artikel 3:11 van de Awb (vgl. ook de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:407, onder 6.2).

Het betoog slaagt niet.

Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2025

6. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2025.

6.1. Dit betoog slaagt niet omdat deze omgevingsvisie ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsplan nog niet was vastgesteld. Het college kon deze omgevingsvisie dan ook niet betrekken bij de vaststelling van het wijzigingsplan.

Wijzigingsvoorwaarden in het bestemmingsplan "Braassemerland 2019"

7. [appellanten sub 1] voeren aan dat niet wordt voldaan aan de onderdelen a en d, onder 1, 2 en 6 van artikel 5.4 van de regels van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019".

7.1. In het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" zijn de gronden achter Noordeinde 96 bestemd als "Detailhandel". Op grond van artikel 5.4 van de regels van dit bestemmingsplan is het college bevoegd de in het plan opgenomen bestemming "Detailhandel" te wijzigen in de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Groen" onder nader genoemde voorwaarden.

- wijzigingsvoorwaarde: aantal te realiseren woningen stedenbouwkundig inpasbaar

8. [appellanten sub 1] voeren aan dat niet wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde dat het aantal te realiseren woningen stedenbouwkundig inpasbaar is. Concreet ontbreken volgens hen een locatie-specifiek ontwikkelingskader en een deugdelijke stedenbouwkundige onderbouwing waarin wordt ingegaan op de woningdichtheid, de ruimtelijke draagkracht van de locatie en de relatie van het plan tot omliggende bebouwing, waaronder de lintstructuur van het Noordeinde. In dit kader verwijzen [appellanten sub 1] naar het in hun opdracht door Buro Waalbrug opgestelde "Stedenbouwkundig advies Hof Noordeinde, Roelofarendsveen, Gemeente Kaag en Braassem" van 23 februari 2026 en naar de "Nota Inbreidingslocaties, gemeente Kaag en Braassem" van 7 februari 2011. In deze nota staat dat in het plangebied 6 tot 8 twee-onder-één-kap-woningen en/of vrijstaande woningen stedenbouwkundig inpasbaar zijn. Dit aantal sluit volgens [appellanten sub 1] aan bij de 11 tot 30 woningen per ha die het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" aanvaardbaar acht in de uit te werken gebieden.

8.1. Met het wijzigingsplan zijn de gronden in het plangebied bestemd als "Groen" en "Wonen". Op de gronden met de bestemming "Wonen" zijn 3 aanduidingen "bouwvlak", 2 aanduidingen "maximum aantal wooneenheden: 7" en 1 aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 6" opgenomen. Op grond van artikel 4.2.1, onder b, van de planregels mag het maximum aantal wooneenheden niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding. Het plan staat dus de bouw van 20 woningen toe. Op grond van artikel 4.3.4, onder a, van de planregels bedraagt het percentage sociale huurwoningen dat binnen het plangebied wordt gebouwd minimaal 30.

8.2. Zoals hiervoor onder 4 is overwogen, mag met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat, in beginsel als een gegeven worden beschouwd als is voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Gelet op artikel 5.4, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" is één van deze wijzigingsvoorwaarden dat het aantal te realiseren woningen stedenbouwkundig inpasbaar is.

8.3. In de plantoelichting wordt in dit kader verwezen naar de Nota Inbreidingslocaties. In paragraaf 1.3 van deze nota wordt onderscheid gemaakt tussen kleine initiatieven van maximaal twee grondgebonden woningen, waarvoor richtlijnen gelden, en overige initiatieven, waarop de richtlijnen niet letterlijk van toepassing zijn, maar waarvoor ze wel het uitgangspunt vormen. Tevens staat in deze paragraaf dat per locatie maatwerk moet worden geleverd. Paragraaf 4.9 van de nota betreft het Lint Noordeinde/Zuideinde met als richtlijn dat vrijstaande of twee-onder-één-kap-woningen worden toegestaan. In deze paragraaf staat tevens dat op een aantal plekken achter en in het lint kleine woningbouwprojecten zijn gerealiseerd die door hun compacte opzet en besloten karakter weinig invloed hebben op het beeld van het lint.

8.4. Naar het oordeel van de Afdeling wordt in de verwijzing van [appellanten sub 1] naar de Nota Inbreidingslocaties en naar het stedenbouwkundig advies geen grond gevonden voor het oordeel dat de 20 toegestane rijwoningen niet stedenbouwkundig inpasbaar zijn en een locatie-specifiek ontwikkelingskader en/of deugdelijke stedenbouwkundige onderbouwing ontbreken. In dit kader is allereerst van belang dat het plan de bouw van 20 woningen mogelijk maakt hetgeen volgens de Nota Inbreidingslocaties betekent dat de richtlijnen geen voorwaarden maar uitgangspunten betreffen. Verder overweegt de Afdeling dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de woningdichtheid aanvaardbaar is omdat de woningbouw in de plaats komt van detailhandelsbebouwing, het plangebied achter het lint ligt, het als hofje een overgang vormt van de lintbebouwing naar de achtergelegen woonwijk en de woningdichtheid in die woonwijk vergelijkbaar is met de woningdichtheid in het plangebied. Het standpunt van [appellanten sub 1] dat uit het bestemmingsplan en exploitatieplan "Braassemerland 2019" zou volgen dat de voorziene woningen niet achter het lint maar in het lint liggen, volgt de Afdeling niet gelet op het feit dat tussen de bouwvlakken in het wijzigingsplangebied en het Noordeinde verschillende gebouwen en woningen liggen. Verder hebben [appellanten sub 1] in reactie op voornoemd standpunt van het college op de zitting volstaan met een verwijzing naar het stedenbouwkundig advies. Daarin wordt het standpunt van het college niet weersproken. Sterker nog, in dit advies wordt geconcludeerd dat de woningdichtheid, bebouwingsmassa en het type woningen - rijwoningen - niet aansluiten bij het lint langs het Noordeinde maar wel bij de naastgelegen nieuwe woonwijk Braassemerland. Dat in het stedenbouwkundig advies tevens locaties worden genoemd achter het lint van het Noordeinde waar de woningdichtheid lager is, doet er niet aan af dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat de 20 toegestane rijwoningen stedenbouwkundig inpasbaar zijn. Dat, gelet op de artikelen 20 tot en met 23 van de regels van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019", voor uitwerkingsgebieden een lager aantal woningen per hectare wordt gehanteerd, doet evenmin af aan dit oordeel. In dit kader is van belang dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplangebied kleiner is dan de uit te werken gebieden en dat deze omstandigheid tezamen bezien met de omstandigheden dat ter plaatse nu detailhandelsbebouwing aanwezig is en dat sociale woningbouw en huurwoningen in het middensegment zijn voorzien, een hogere woningdichtheid rechtvaardigt.

Het betoog slaagt niet.

- wijzigingsvoorwaarde: uitvoerbaarheid: voldoende parkeergelegenheid

9. [appellanten sub 1] betogen dat is uitgegaan van de realisering van te kleine en te weinig parkeerplaatsen. In het kader van de afmetingen wijzen zij erop dat niet wordt voldaan aan de in de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018, de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom 2012 van het CROW (ASVV 2012) en de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR 7.0) gestelde minimale afmetingen van 2,1 bij 6 m. In het kader van het berekende aantal parkeerplaatsen wijzen zij erop dat gelet op de omgeving en de mogelijkheid van een aan huis verbonden beroep ten onrechte is uitgegaan van de minimale variant. Indien wordt uitgegaan van de maximale variant of een tussenliggende variant, is sprake van een tekort aan parkeerplaatsen, aldus [appellanten sub 1].

9.1. De wijzigingsvoorwaarde in artikel 5.4, onder d, sub 1, van de regels van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" luidt dat de uitvoerbaarheid wordt aangetoond waarbij in ieder geval aangetoond moet worden dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen erf.

9.2. In artikel 3.1 van het "Paraplubestemmingsplan parkeren Braassemerland" is bepaald dat alleen als in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien een omgevingsvergunning voor bouwen en/of gebruiken wordt verleend. Dat dit artikel in dit geval van toepassing is volgt uit artikel 3.6, derde lid, van de Wro waarin staat dat een wijzigingsplan deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Dit betekent dat algemene regels uit het bestemmingsplan "Braassemerland 2019", die met het "Paraplubestemmingsplan parkeren Braassemerland" zijn herzien, gelden in het wijzigingsplangebied.

9.3. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd gelet op hetgeen onder 9.2 is overwogen in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de in het wijzigingsplan voorziene ontwikkelingen aan de orde komt, dient het college bij de vaststelling van dit plan eveneens te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en of dus wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde. Daarbij geldt dat het wijzigingsplan geen bestaand parkeertekort hoeft op te lossen. Het college hoeft alleen rekening te houden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van de nieuwe woningen ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte in de omgeving.

9.4. In artikel 3, onder a, van de beleidsregel parkeernormen staat dat de parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de parkeernormen uit bijlage 2. Op grond van bijlage 2 geldt voor een tussenwoning/hoekwoning in het gebied "rest bebouwde kom" een parkeerbehoefte van 1,6 tot 2,4. Voor een huurwoning (sociale huur) geldt in het gebied "rest bebouwde kom" een parkeerbehoefte van 1,2 tot 2,0. In de toelichting op de beleidsregel parkeernormen staat dat de bandbreedtes uit de CROW publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" één-op-één zijn overgenomen.

In artikel 4, onder a, sub 2, van de beleidsregel parkeernormen staat dat de afmetingen van parkeervakken op terreinen moeten voldoen aan de minimale maten genoemd in de ASVV 2012 en de LIOR 7.0. In de toelichting op de beleidsregel staat dat dit betekent dat langsparkeerplaatsen een afmeting hebben van 2,1 bij 6 m en haaksparkeerplaatsen een afmeting van 2,5 bij 5,2 m.

9.5. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting is het aantal benodigde parkeerplaatsen berekend. In deze paragraaf staat dat met het wijzigingsplan 20 woningen zijn toegestaan. Ten minste 30% hiervan bedraagt sociale huurwoningen. Dit betekent dat ten minste 6 sociale huurwoningen moeten worden gerealiseerd. Hiervoor geldt een minimale parkeerbehoefte van 1,2 per woning. Voor de sociale huurwoningen zijn dus in totaal 7,2 parkeerplaatsen nodig. Voor de andere 14 rijwoningen geldt een minimale parkeerbehoefte van 1,6 per woning. Voor deze 14 woningen zijn minimaal 22,4 parkeerplaatsen nodig. In het plangebied moeten dus afgerond 30 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, aldus de plantoelichting.

9.6. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college voor de berekening van het aantal vereiste parkeerplaatsen niet heeft kunnen uitgaan van de minimale parkeernormen uit de beleidsregel parkeernormen. Hierbij betrekt de Afdeling allereerst dat het college erop heeft gewezen dat de voorziene woningen met een woonoppervlakte van minder dan 65 m2 relatief klein zijn. In dit kader is van belang dat gelet op de afmetingen van de drie bouwvlakken en de toegestane bouwhoogte het niet mogelijk is om grotere woningen in het plangebied te realiseren. Ten tweede betrekt de Afdeling hierbij dat aan huis verbonden beroepen gelet op artikel 4.3.2, onder c en d, van de wijzigingsplanregels enkel zijn toegestaan indien wordt aangetoond dat dit geen extra parkeerruimte vereist binnen het openbaar gebied en op eigen terrein is voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Ten derde ziet de Afdeling in de stelling van [appellanten sub 1] dat bewoners van woningen in de omgeving mogelijk in het wijzigingsplangebied zullen parkeren, geen grond voor het oordeel dat niet van de minimale parkeernormen had mogen worden uitgegaan, reeds omdat in het wijzigingsplangebied enkel hoeft te worden voorzien in het aantal parkeerplaatsen dat nodig is voor de functies die hierin mogelijk worden gemaakt.

9.7. De Afdeling overweegt verder dat ter plaatse van de gronden met de bestemming "Groen" in het wijzigingsplangebied onder meer parkeervoorzieningen zijn toegestaan. In paragraaf 4.2 van de toelichting staat een schets met de voorziene parkeerplaatsen. Uit deze schets tezamen bezien met de verbeelding van het wijzigingsplan blijkt naar het oordeel van de Afdeling dat ter plaatse van de bestemming "Groen" kan worden voorzien in 30 parkeerplaatsen die voldoen aan de afmetingen zoals opgenomen in de beleidsregel parkeernormen, de ASVV 2012 en de LIOR 7.0.

9.8. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het wijzigingsplangebied voldoende ruimte aanwezig is voor de realisering van voldoende parkeerplaatsen van de vereiste afmetingen en dat dus is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn.

Het betoog slaagt niet.

- wijzigingsvoorwaarde: uitvoerbaarheid: onevenredige toename verkeersbewegingen

10. [appellanten sub 1] voeren aan dat het plan zal leiden tot een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. In dit kader stellen zij dat ten onrechte de toekomstige situatie is afgezet tegen de situatie dat detailhandel is gevestigd in de bestaande bebouwing. Deze bebouwing staat immers al 5 tot 6 jaar leeg.

10.1. Artikel 5.4, aanhef en onder d, sub 2, van de regels van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" luidt als volgt: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemming "Detailhandel" te wijzigen in de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Groen" onder voorwaarde dat de uitvoerbaarheid aangetoond wordt, waarbij in ieder geval aangetoond moet worden dat geen onevenredige toename van de verkeersbewegingen optreedt". Uit deze formulering leidt de Afdeling af dat deze wijzigingsvoorwaarde betekent dat de wijziging in de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en/of "Groen" niet mag leiden tot een onevenredige toename ten opzichte van de verkeersbewegingen behorende bij de bestemming "Detailhandel". Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling dan ook terecht in het kader van de vraag of is voldaan aan deze wijzigingsvoorwaarde een vergelijking uitgevoerd tussen het aantal verkeersbewegingen behorende bij detailhandel en het aantal verkeersbewegingen dat de toegestane woningen zullen genereren. Dat de detailhandelsbebouwing al geruime tijd leeg staat, doet hieraan niet af, nu in de wijzigingsvoorwaarde de huidige feitelijke situatie niet als referentiesituatie is genoemd. Bovendien kan de detailhandelsbebouwing, zolang het wijzigingsplan niet in werking treedt, wederom in gebruik worden genomen.

In paragraaf 4.2 van de plantoelichting staat dat sprake is van een afname van het aantal motorvoertuigbewegingen na realisering van het plan ten opzichte van de situatie dat de te slopen detailhandelsbebouwing in gebruik is. [appellanten sub 1] hebben deze vaststelling in de plantoelichting niet bestreden. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde dat geen onevenredige toename van verkeersbewegingen optreedt.

Het betoog slaagt niet.

10.2. De Afdeling zal hierna onder 13 en verder ingaan op de vraag of het wijzigingsplan gelet op de gevolgen voor de verkeerssituatie op het Noordeinde in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

- wijzigingsvoorwaarde: uitvoerbaarheid: geen milieuhygiënische belemmeringen; luchtkwaliteit

11. [appellanten sub 1] betogen dat bij de berekeningen in het kader van de luchtkwaliteit ten onrechte is uitgegaan van een afname van het aantal motorvoertuigen als gevolg van dit plan. In dit kader wijzen zij erop dat de toekomstige situatie moet worden vergeleken met de huidige situatie van leegstaande detailhandelsbebouwing en dus niet met in gebruik zijnde detailhandelsbebouwing. In dit kader wijzen zij erop dat de bebouwing al 5 tot 6 jaar leeg staat.

11.1. De wijzigingsvoorwaarde in artikel 5.4, onder d, sub 6, van de regels van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" luidt dat de uitvoerbaarheid wordt aangetoond waarbij in ieder geval aangetoond moet worden dat er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn.

11.2. In paragraaf 5.6 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect luchtkwaliteit. Hierin staat dat de realisatie van de 20 woningen ver onder de grenzen blijft van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit). Daarmee heeft het plan niet of slechts in geringe mate invloed op de luchtkwaliteit. Verder staat in de plantoelichting dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden voor de achtergrondconcentraties die gelden voor fijnstof en stikstofdioxide. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de plantoelichting wat dit betreft onjuist is en dat het wijzigingsplan wel in betekenende mate leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Of in de plantoelichting al dan niet terecht staat dat het aantal motorvoertuigen per etmaal als gevolg van het plan afneemt, is gelet hierop niet relevant.

Het betoog slaagt niet.

- wijzigingsvoorwaarde: uitvoerbaarheid: geen milieuhygiënische belemmeringen; geur en geluid

12. [appellanten sub 1] betogen verder dat de afstand tussen de woningen en bedrijven in hun pand [locatie 2] – [locatie 3] gelet op de aspecten geluid en geur onvoldoende is. In het bijzonder wijzen zij op de in de buitenlucht aanwezige afzuiginstallatie van het restaurant en het laden en lossen, waarnaar onderzoek had moeten worden gedaan.

12.1. Ter plaatse van de bebouwing [locatie 2] – [locatie 3] zijn bedrijven gevestigd die vallen in milieucategorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (VNG-Brochure 2009). Aan de richtafstand van 10 m tot aan woningen in het gebied "rustige woonwijk", wordt in dit geval voldaan. Ter plaatse is tevens een restaurant toegestaan. Deze activiteit valt onder categorie A van de Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging. Activiteiten die vallen onder categorie A zijn zodanig weinig milieubelastend dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd, aldus de VNG-Brochure 2009. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat ondanks dat wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-Brochure 2009 ter plaatse van de voorziene woningen de geluid- en geurbelasting onaanvaardbaar zal zijn. De verwijzing naar de omstandigheden dat ter plaatse laden en lossen plaatsvindt en het restaurant beschikt over een afzuiginstallatie zijn in dit kader onvoldoende, omdat dit voor een restaurant nu juist behoort tot een normale bedrijfssituatie.

Het betoog slaagt niet.

Verkeer

13. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat eerst de noodzakelijke infrastructuurverbeteringen moeten worden doorgevoerd voordat uitvoering kan worden gegeven aan het plan. Door de realisering van 20 woningen in het plangebied komt er namelijk meer verkeer op het al overbelaste Noordeinde. Dat die weg overbelast is, blijkt onder meer uit het rapport "Actualisering VSP Roelofarendsveen" van Goudappel Coffeng van 18 december 2019 (verkeersrapport 2019). In dit kader hebben [appellant sub 2] en anderen erop gewezen dat sindsdien in de omgeving verschillende ontwikkelingen mogelijk zijn gemaakt die ook worden ontsloten via het Noordeinde. Het verkeer op deze weg is alleen maar toegenomen. Dit leidt volgens [appellant sub 2] en anderen, in het bijzonder tijdens spitsmomenten, tot verkeersonveilige situaties voor schoolgaande kinderen en andere langzaam verkeersdeelnemers.

[appellanten sub 1] voeren eveneens aan dat onveilige verkeerssituaties zullen ontstaan op het Noordeinde. In dit kader wijzen zij op de toename van het aantal verkeersbewegingen en stellen zij dat ten onrechte de toekomstige situatie is afgezet tegen de situatie dat detailhandel is gevestigd in de bestaande bebouwing. Deze bebouwing staat immers al 5 tot 6 jaar leeg.

13.1. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting staat dat sprake is van een afname van het aantal motorvoertuigbewegingen na realisering van het plan ten opzichte van de situatie dat de te slopen detailhandelsbebouwing in gebruik is. Geconcludeerd wordt dat een verbetering optreedt in het verkeersbeeld ter plaatse van het Noordeinde.

13.2. In het verkeersrapport 2019 zijn de huidige en toekomstige aantallen motorvoertuigen per etmaal en I/C-waardes op de wegen rondom het wijzigingsplangebied weergegeven. De I/C-waarde betreft de verhouding tussen de intensiteit en capaciteit van een wegvak. In het verkeersrapport 2019 staat dat bij een I/C-waarde groter dan 85% een overbelasting van het wegvak ontstaat. Het Noordeinde heeft een capaciteit van 5.000 motorvoertuigen per etmaal. In het verkeersrapport 2019 is het Noordeinde verdeeld in een zuidelijk wegvak - van de Kerkweg tot de Braassemdreef - en een noordelijk wegvak - ten noorden van de Braassemdreef. Op het noordelijke en zuidelijke wegvak zijn in 2019 aantallen van 5.735 respectievelijk 4.093 motorvoertuigen per etmaal geteld. De I/C-waardes zijn 115 respectievelijk 82%. Verder staan in tabel 2.3 van het verkeersrapport 2019 de ruimtelijke plannen die in de toekomst gerealiseerd gaan worden. Volgens tabel 4.3 leiden deze plannen op het noordelijke en zuidelijke wegvak van het Noordeinde tot een toename met 354 respectievelijk 707 motorvoertuigen per etmaal. De I/C-waardes op deze wegvakken zullen daardoor stijgen tot 122% en 96%. Dit betekent dat verkeersstromen niet op een verkeersveilige wijze kunnen worden afgewikkeld op het Noordeinde, aldus het verkeersrapport 2019.

13.3. De Afdeling stelt vast dat aan het wijzigingsplan geen verkeersonderzoek ten grondslag ligt. Uit de plantoelichting volgt dat het college op basis van een planologische vergelijking de verkeersgeneratie van het plan op het Noordeinde aanvaardbaar heeft geacht. Uit het verkeersrapport 2019 volgt echter dat het Noordeinde reeds overbelast is, zonder realisering van de 20 woningen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college ten onrechte niet beoordeeld of het, gelet op de feitelijke verkeerssituatie op het Noordeinde mede gelet op de langzaam verkeersdeelnemers, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening om de realisering van 20 woningen mogelijk te maken. Hierbij betrekt de Afdeling dat de verkeersgeneratie van hetgeen nu planologisch is toegestaan relevant is, maar - anders dan het college stelt - niet doorslaggevend is voor de vraag of na realisering van het wijzigingsplan sprake is van een aanvaardbare verkeerssituatie. Daarvoor is de feitelijke verkeerssituatie doorslaggevend. De hier aan de orde zijnde situatie is daarmee ook anders dan die in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 9 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3730) waarnaar het college heeft verwezen. Die uitspraak zag op de situatie dat de infrastructuur rondom het plangebied was ingericht op de verkeersintensiteit behorende bij de maximale planologische mogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan met een verkeersgeneratie die veel hoger was dan de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling. Daarom zag de voorzieningenrechter geen reden voor gerede twijfel of het bestemmingsplan op dit punt in de bodemprocedure in stand kan blijven. In de nu aan de orde zijnde situatie is daarentegen niet onderzocht of, gelet op de inrichting van de infrastructuur, een aanvaardbare verkeerssituatie kan worden bereikt na realisering van de 20 woningen en blijkt uit het verkeersrapport 2019 juist dat de infrastructuur rondom het plangebied de bestaande verkeersstromen al niet afdoende kan afwikkelen.

Het betoog van [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] slaagt.

13.4. Gelet op het vorenstaande is het wijzigingsplan op dit punt vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan moet wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro worden vernietigd.

13.5. De Afdeling ziet aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit van 18 juni 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Hof Noordeinde Roelofarendsveen" met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand kunnen worden gelaten. Hierop gaat zij in onder 19 en verder. Daaraan voorafgaand beoordeelt zij eerst de overige beroepsgronden die [appellanten sub 1] tegen het besluit van 18 juni 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Hof Noordeinde Roelofarendsveen" hebben ingebracht.

Ontsluitingsweg

14. [appellanten sub 1] voeren aan dat verkeersonveilige situaties zullen ontstaan doordat de ontsluitingsweg in het plangebied te smal is voor het verkeer dat hiervan gebruik zal maken. In dit kader wijzen zij erop dat de ontsluitingsweg een breedte heeft van slechts 4,3 tot 4,7 m. Deze ontsluitingsweg zal niet alleen worden gebruikt door bewoners van de voorziene woningen, maar ook door de bewoners en bezoekers van de woningen en bedrijven, waaronder een restaurant, aan het [locatie 1], [locatie 4], [locatie 5] en [locatie 2] tot [locatie 3] alsmede door langzaam verkeer van en naar de Meiraap en de achtergelegen wijken. Verder wijzen [appellanten sub 1] erop dat in paragraaf 4.2 van de plantoelichting staat dat de verkeersontsluiting wordt geregeld middels een nieuwe uitritconstructie als volwaardige zijstraat, maar hier is volgens hen geen ruimte voor.

14.1. Het wijzigingsplangebied vormt een hofje dat wordt ontsloten op het Noordeinde. De ontsluitingsweg is gesitueerd tussen de bebouwing en privéparkeerplaatsen van het [locatie 2] tot [locatie 3] en de erfafscheidingen en woningen aan het [locatie 1] en [locatie 4]. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de ontsluiting van het wijzigingsplan kan voldoen aan de hiervoor geldende maatvoering. Het wijzigingsplan kan immers als erf worden ingericht in de zin van paragraaf 11.1.1 van de ASVV 2021. Hiervoor geldt een vrije ruimte voor het rijdende gemotoriseerd verkeer van ongeveer 3 m en een loopstrook voor voetgangers van bij voorkeur 1,5 m breed en ter plaatse van een puntvernauwing minimaal 1,2 m breed. Vast staat dat aan deze maatvoering wordt voldaan. De huidige privéparkeerplaatsen behorende bij [locatie 2] tot [locatie 3] kunnen dan ook in gebruik blijven. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de ontsluitingsweg te smal is en dat verkeersonveilige situaties zullen ontstaan. Daarbij acht de Afdeling ook van belang dat op grond van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" ter plaatse 1.311 m2 aan detailhandel is toegestaan en dat de bijbehorende verkeersgeneratie een stuk hoger ligt dan bij de voorziene woningen.

Het betoog slaagt niet.

Financiële uitvoerbaarheid

15. [appellanten sub 1] betogen verder dat de bodem in het plangebied ernstig verontreinigd is. Gelet daarop betwijfelen zij of het plan financieel uitvoerbaar is.

15.1. Bij een beroep tegen een wijzigingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als het college redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is. Aan het wijzigingsplan ligt het "Rapport verkennend milieukundig bodemonderzoek, Noordeinde 96 Roelofarendsveen" van B&L Grondmanagement van 25 januari 2021 ten grondslag. Hierin wordt geconcludeerd dat de grond sterk verontreinigd is met asbest, koper en zink en dat voorafgaand aan de herontwikkeling van de locatie een saneringsplicht geldt. Deze enkele omstandigheid betekent echter niet, zoals [appellanten sub 1] stellen, dat het plan financieel-economisch niet uitvoerbaar is. [appellanten sub 1] hebben hun betoog dat het plan financieel-economisch niet uitvoerbaar zou zijn, verder niet onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Heevas B.V. was voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om de omgevingsvergunning op de hoogte van het bodemonderzoek en heeft ondanks de saneringsplicht de wens om zo snel mogelijk met de ontwikkeling te starten. Daaruit leidt de Afdeling af dat het plan uitvoerbaar is.

Het betoog slaagt niet.

Vergunning Hoogheemraadschap Rijnland

16. [appellanten sub 1] betogen dat binnen de beschermingszone van 2 m van het oppervlaktewater ten noorden, zuiden en westen van plangebied, ten onrechte bebouwing wordt opgericht zonder vergunning van het Hoogheemraadschap van Rijnland.

16.1. In paragraaf 5.3 van de plantoelichting is toegelicht dat op grond van de Keur Rijnland 2020 het plaatsen van een object in een beschermingszone van een hoofdwatergang vergunningplichtig is en dat voor overige watergangen een zorgplicht geldt, die per definitie wordt nageleefd als wordt voldaan aan de erkende maatregel. Verder staat er dat de oppervlaktewateren rondom het plangebied behoren tot de overige watergangen, zoals gedefinieerd in bijlage 1 van de Keur Rijnland 2020 en dat dit betekent dat, anders dan [appellanten sub 1] betogen, geen vergunning is vereist. Wel moet de zorgplicht worden nageleefd. In de plantoelichting is aan de hand van een beschrijving van de feitelijke situatie toegelicht dat het in dit geval mogelijk is om te voldoen aan de erkende maatregel zoals opgenomen in paragraaf 10.3 van de Uitvoeringsregels op grond van de keur van het hoogheemraadschap van Rijnland voor handelingen in het watersysteem en dus de zorgplicht na te leven. [appellanten sub 1] hebben gesteld noch aannemelijk gemaakt dat de plantoelichting in zoverre onjuist is. Gelet hierop wordt in hetgeen zij hebben aangevoerd, geen grond gevonden voor het oordeel dat de vereisten op grond van de Keur Rijnland 2020 op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan in de weg staan.

Het betoog slaagt niet.

16.2. Bij het onder 16.1 gegeven oordeel laat de Afdeling in het midden of het betoog van [appellanten sub 1] gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, kan leiden tot vernietiging van het plan.

Groen

17. [appellanten sub 1] voeren verder aan dat in het wijzigingsplangebied onvoldoende groen is voorzien. In dit kader wijzen zij erop dat ten onrechte is volstaan met enkele smalle groenstroken grenzend aan het oppervlaktewater, een enkele boom, sedumdakbedekking op de bergingen en half verharde parkeerplaatsen in de vorm van grasstenen.

17.1. In de plantoelichting staat dat realisering van het wijzigingsplan leidt tot een afname van het bebouwde oppervlak met 405 m2 en een afname van het verharde oppervlak met 500 m2. Hierdoor wordt een aanzienlijke vergroening van de locatie gerealiseerd, aldus de plantoelichting. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat het wijzigingsplan wat betreft het aspect groen niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog slaagt niet.

Woon- en leefklimaat [appellanten sub 1]

18. [appellanten sub 1] vrezen ten slotte voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat nu op korte afstand van hun woning 20 rijwoningen mogelijk worden gemaakt.

18.1. [appellanten sub 1] wonen aan het [locatie 1]St op een afstand van ongeveer 50 m van het eerste bouwvlak waar 7 woningen met een maximale bouwhoogte van 7 m zijn voorzien. Op deze locatie is op grond van het bestemmingsplan "Braassemerland 2019" eveneens een bouwhoogte van 7 m toegestaan. Ter plaatse staat nu een leegstand pand dat in gebruik was voor detailhandel. Gelet op deze afstand, de toegestane bouwhoogte en de omstandigheid dat ter plaatse reeds bebouwing staat, hebben [appellanten sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat hun uitzicht wordt aangetast. Verder hebben [appellanten sub 1] enkel gesteld maar niet nader onderbouwd dat zij geluidsoverlast zullen ondervinden van de 20 voorziene woningen. Gelet hierop alsmede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de stedenbouwkundige inpasbaarheid van de 20 voorziene woningen, de luchtkwaliteit, de ontsluitingsweg en het groen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat het college aan het belang gediend met de bouw van 20 woningen geen groter gewicht had mogen toekennen dan aan het belang van [appellanten sub 1] bij de realisering van minder woningen in het wijzigingsplangebied. Hierbij betrekt de Afdeling dat de behoefte aan woningen groot is. In paragraaf 3.3.2 van de plantoelichting staat in dit kader dat de provincie Zuid-Holland in 2021 een woningbehoefteraming heeft gemaakt. Voor de regio Holland Rijnland, waar Kaag en Braassem deel van uitmaakt, geldt volgens het provinciebestuur een gewenste woningvoorraadgroei van 27.400 woningen.

Het betoog slaagt niet.

Beoordelen in stand laten rechtsgevolgen

19. Zoals de Afdeling onder 13.5 heeft overwogen, ziet zij aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het besluit van 18 juni 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan in stand kunnen blijven. In dit kader is van belang dat naar aanleiding van de schorsing van het wijzigingsplan door de voorzieningenrechter van de Afdeling (uitspraak van 9 oktober 2024; ECLI:NL:RVS:2024:4052) alsnog onderzoek is gedaan naar de verkeerssituatie op het Noordeinde na realisering van het wijzigingsplan. Goudappel Coffeng heeft immers het rapport "Verkeersstudie Hof Noordeinde" van 4 april 2025 (verkeersstudie 2025) opgesteld.

19.1. Op de zitting hebben [appellant sub 2] en anderen benadrukt dat zij niet zozeer de doorstroming van motorvoertuigen relevant achten, maar de veiligheid van fietsers en andere langzaam verkeersdeelnemers die gebruik maken van het Noordeinde. In dit verband overweegt de Afdeling dat het wijzigingsplan niet had mogen worden vastgesteld indien de verkeerssituatie na realisering van het plan dusdanig onveilig is dat niet kan worden geoordeeld dat de vaststelling van het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Dit kan aan de orde zijn indien de verkeerssituatie op het Noordeinde al zo onveilig is dat geen enkele toename van verkeer aanvaardbaar is. Ook kan dit aan de orde zijn indien de toename van het verkeer als gevolg van het wijzigingsplan ertoe leidt dat de verkeerssituatie op het Noordeinde onaanvaardbaar wordt. Dit betekent dat de omstandigheid dat het uit het oogpunt van verkeersveiligheid wenselijk is om de verkeerssituatie op het Noordeinde te verbeteren, op zichzelf niet in de weg staat aan de vaststelling van een plan dat leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen.

19.2. In de verkeersstudie 2025 staat dat de capaciteit van het Noordeinde 5.000 motorvoertuigen per etmaal is en dat de verkeersveilige wegvakcapaciteit op het Noordeinde 4.250 is. Dit komt overeen met een IC-waarde van 85%. In paragraaf 3.1 en in tabel 3.3 van de verkeersstudie 2025 staat dat in 2024 verkeerstellingen hebben plaatsgevonden en dat per etmaal 3.225 motorvoertuigen zijn geteld, waarvan 444 respectievelijk 561 in de ochtendspits (07:00 - 09:00 uur) en avondspits (16:00 - 18:00 uur). De IC-waarde behorende bij het aantal van 3.225 motorvoertuigen per etmaal bedraagt 64,5%. Het plan leidt volgens hoofdstuk 2 van de verkeersstudie 2025 tot een toename per etmaal van 132 motorvoertuigen, waarvan 16 respectievelijk 23 in de ochtend- en avondspits. In het jaar 2040, in welk jaar wordt uitgegaan van 3.932 motorvoertuigen per etmaal, is de IC-waarde 78,6%. In paragraaf 3.2 van de verkeersstudie 2025 is geconcludeerd dat na realisering van het wijzigingsplan de verkeersdruk op het Noordeinde acceptabel is. De tellingen uit 2024 die ten grondslag liggen aan de verkeersstudie 2025 komen overeen met de tellingen uit 2023 zoals genoemd in het rapport "Quickscan verkeersveilig en toegankelijk Noordeinde" van Goudappel Coffeng en Waalpartners civil engineering van 31 januari 2024 (quickscan 2024). Op de zitting heeft het college in dit kader toegelicht dat door de coronaperiode het aantal motorvoertuigbewegingen is afgenomen en dat gelet daarop de conclusie in het verkeersrapport 2019 dat de IC-waardes in de toekomst te hoog zijn, is achterhaald. Verder heeft D. van Beusekom, werkzaam bij Goudappel Coffeng in een nader stuk, ontvangen op 25 februari 2026, gereageerd op het standpunt van [appellant sub 2] en anderen betreffende de verkeersveiligheid. D. van Beusekom concludeert dat gelet op de beperkte bijdrage van het wijzigingsplan aan het totaal aantal motorvoertuigen per etmaal en per spitsmoment, de invloed van het plan op de verkeersveiligheid op het Noordeinde beperkt is.

19.3. De Afdeling is van oordeel dat hetgeen [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, geen grond geeft voor het oordeel dat het college uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, in het bijzonder de verkeersveiligheid, het plan niet op deze wijze had mogen vaststellen. In dit kader is de Afdeling allereerst van oordeel dat het college zich onder verwijzing naar de reactie van D. van Beusekom op het standpunt heeft kunnen stellen dat gelet op de beperkte bijdrage van het wijzigingsplan aan het totaal aantal motorvoertuigen per etmaal en per spitsmoment, de invloed van het plan op de verkeersveiligheid voor fietsers en andere langzaam verkeersdeelnemers op het Noordeinde beperkt is. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat in paragraaf 3.2 van de verkeersstudie 2025 is geconcludeerd dat na realisering van het wijzigingsplan de verkeersdruk op het Noordeinde acceptabel is. Dat desondanks de verkeerssituatie uit het oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder voor fietsers en andere langzaam verkeersdeelnemers, onaanvaardbaar zal zijn, hebben [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] niet aannemelijk gemaakt. Op de zitting hebben [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] de conclusies uit de verkeersstudie 2025 niet weersproken. Wel hebben [appellant sub 2] en anderen eigen berekeningen gemaakt van het aantal motorvoertuigen per etmaal, maar deze zijn gebaseerd op cijfers uit het verkeersrapport 2019 dat in zoverre achterhaald is. Zij hebben verder ter onderbouwing van hun beroep verwezen naar de quickscan 2024 en de "Knelpunteninventarisatie Verkeersveiligheid Kaag en Braassem 2022, Concept", van 12 januari 2023 maar in deze rapporten wordt niet ingegaan op de gevolgen van het wijzigingsplan voor de verkeersveiligheid op het Noordeinde. Evenmin volgt uit deze rapporten dat op het Noordeinde sprake is van een dermate verkeersonveilige situatie dat iedere toename van het verkeer uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is. Verder staan in de quickscan 2024 en in de Knelpunteninventarisatie weliswaar conclusies met betrekking tot de verkeersdruk en verkeersveiligheid, maar deze zijn niet gebaseerd op gegevens in deze rapporten, maar op het verkeersrapport 2019 dat, zoals hiervoor onder 19.2 is overwogen, in zoverre is achterhaald. In de door [appellant sub 2] en anderen verstrekte meldingen die in de afgelopen drie jaar bij het gemeentebestuur zijn gedaan betreffende de verkeersveiligheid, ziet de Afdeling evenmin aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Hiervoor onder 19.1 is immers uiteengezet dat het enkele feit dat het uit het oogpunt van verkeersveiligheid wenselijk is om de verkeerssituatie op het Noordeinde te verbeteren, op zichzelf niet in de weg staat aan de vaststelling van een plan dat leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen.

Verder betrekt de Afdeling bij haar oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat na realisering van het plan de verkeerssituatie uit het oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbaar zal zijn, het volgende. Het college heeft op de zitting toegelicht dat er een alternatieve veiligere route voor fietsers is die nu via het tijdelijke fietspad loopt en in de toekomst door de nieuwe woonwijk, de zogenoemde fase 11 van Braassemerland. Het standpunt van [appellant sub 2] en anderen dat de alternatieve route verkeersonveilig is omdat het tijdelijke fietspad langs de 30 parkeerplaatsen in het wijzigingsplangebied loopt, volgt de Afdeling niet. Dat fietsers door woonerven met parkeerplekken fietsen komt immers zeer veel voor en [appellant sub 2] en anderen hebben geen bijzondere omstandigheden genoemd waarom juist in deze specifieke situatie sprake zou zijn van een zodanig onveilige situatie dat het college had moeten afzien van vaststelling van het wijzigingsplan.

Het betoog slaagt niet.

19.4. In de verkeersstudie 2025 wordt geconcludeerd dat na realisering van het wijzigingsplan de verkeersdruk op het Noordeinde acceptabel is. Gelet hierop mocht het college bij de keuze voor ontsluiting van het plangebied via het Noordeinde doorslaggevend gewicht toekennen aan het feit dat Heevas B.V. deze gronden in eigendom heeft. Het college kon dan ook afzien van de door [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] gewenste alternatieve ontsluiting via fase 11 van Braassemerland, op de gronden ten zuiden van het plangebied.

19.5. De Afdeling is van oordeel dat met de verkeersstudie 2025 en de door het college op de zitting gegeven toelichting het gebrek dat kleeft aan het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan, is hersteld. De Afdeling ziet hierin dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 18 juni 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan in stand te laten. Dat betekent dat plan blijft gelden.

DE OMGEVINGSVERGUNNING

20. [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] hebben op de zitting verklaard dat hun beroepsgronden gericht tegen het wijzigingsplan eveneens zijn gericht tegen de omgevingsvergunning.

20.1. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is het toetsingskader voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’. Dat is een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo houdt in dat het college uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als dat wel zo is, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken. Daarbij is van belang dat uit artikel 3.30, derde lid, jo. artikel 3.6, derde lid, van de Wro volgt dat bij de beoordeling op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo of de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, wordt getoetst aan het wijzigingsplan dat gecoördineerd is voorbereid met de omgevingsvergunning. Dat is dus het hiervoor besproken wijzigingsplan "Hof Noordeinde 2022".

20.2. De door [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] aangevoerde beroepsgronden hebben, met uitzondering van de beroepsgrond over parkeren, geen betrekking op de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo opgenomen weigeringsgronden. In dit verband is van belang dat hiervoor onder 20.1 is overwogen dat het bouwplan moet worden getoetst aan het wijzigingsplan en dus niet aan de voorwaarden voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan "Braassemerland 2019".

20.3. Met betrekking tot het betoog van [appellanten sub 1] dat te weinig parkeerplaatsen zijn voorzien, overweegt de Afdeling als volgt. Hiervoor onder 9.4 en 9.5 is geoordeeld dat op grond van de beleidsregel 30 parkeerplaatsen in het plangebied moeten worden gerealiseerd. Op bestektekening 101, die deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning, staat dat 30 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Gelet hierop wordt in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat niet wordt voldaan artikel 3.1, onder a, van het "Paraplubestemmingsplan parkeren Braassemerland". Op grond van die bepaling moet bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of gebruiken vaststaan dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de normen in de beleidsregel.

Het betoog slaagt niet.

20.4. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1], voor zover gericht tegen het besluit van 18 juni 2024 tot verlening van de omgevingsvergunning, is ongegrond.

CONCLUSIE

21. De beroepen van [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] voor zover gericht tegen het besluit van 18 juni 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Hof Noordeinde Roelofarendsveen" zijn gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd. Nu het college het gebrek in dit besluit heeft hersteld, ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten.

22. De beroepen van [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] voor zover gericht tegen het besluit van 18 juni 2024 tot verlening van de omgevingsvergunning zijn ongegrond.

23. Het college moet de door [appellanten sub 1] gemaakte proceskosten vergoeden. Aangezien onder 8.4 is geoordeeld dat het betoog over de stedenbouwkundige inpasbaarheid niet slaagt, komen de door hen gevraagde deskundigenkosten voor het opstellen van een advies over de stedenbouwkundige inpasbaarheid door Buro Waalbrug niet voor vergoeding in aanmerking.

24. Bij [appellant sub 2] en anderen is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voor zover gericht tegen het besluit van 18 juni 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Hof Noordeinde Roelofarendsveen" gegrond;

II. vernietigt het besluit van 18 juni 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Hof Noordeinde Roelofarendsveen";

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voor zover gericht tegen het besluit van 18 juni 2024 tot verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van 20 woningen achter Noordeinde 96 te Roelofarendsveen (project Hof Noordeinde) ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 187,00 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 187,00 aan [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.

w.g. Kaajan

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Kooten

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026

559

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?