ECLI:NL:RVS:2026:2259

ECLI:NL:RVS:2026:2259

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 202406272/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 21 januari 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland de aanvraag van [appellant] voor een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor de exploitatie van de melkveehouderij aan de [locatie] in Wamel, afgewezen. [appellant] heeft een natuurvergunning aangevraagd voor het houden van 153 melkkoeien, 37 stuks jongvee, 2 stieren en een paard aan de [locatie] in Wamel. In de aanvraag is aangegeven dat de beoogde situatie niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is ontleend aan de milieuvergunning die op 27 augustus 2001 is verleend. Dat kan volgens de aanvraag, omdat die milieuvergunning is getoetst aan de destijds geldende regelgeving over stikstofdepositie. De milieuvergunning is daarom een besluit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb.

Uitspraak

202406272/1/R2.

Datum uitspraak: 22 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

De erven van [appellant], [woonplaats] (de erven),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 augustus 2024 in zaak nr. 22/1166 in het geding tussen:

de erven

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2022 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor de exploitatie van de melkveehouderij aan de [locatie] in Wamel, afgewezen.

Bij uitspraak van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep van [appellant], dat na zijn overlijden door zijn erven is voortgezet, ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de erven hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op 30 maart 2026 op een zitting behandeld, waar de erven, vertegenwoordigd [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door ing. L. Polinder, rechtsbijstandverlener in Meppel, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Speekenbrink, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

De aanvraag om een natuurvergunning is ingediend op 13 december 2017. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellant] heeft een natuurvergunning aangevraagd voor het houden van 153 melkkoeien, 37 stuks jongvee, 2 stieren en een paard aan de [locatie] in Wamel. In de aanvraag is aangegeven dat de beoogde situatie niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is ontleend aan de milieuvergunning die op 27 augustus 2001 is verleend. Dat kan volgens de aanvraag, omdat die milieuvergunning is getoetst aan de destijds geldende regelgeving over stikstofdepositie. De milieuvergunning is daarom een besluit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb.

3. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat de aangevraagde activiteit leidt tot een toename van stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Volgens het college kan de referentiesituatie niet ontleend worden aan de milieuvergunning van 27 augustus 2001. Die vergunning valt niet onder artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, omdat uit de vergunning niet blijkt dat die is verleend met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn.

De uitspraak van de rechtbank

4. De rechtbank overweegt dat uit de tekst van de milieuvergunning niet kan worden afgeleid dat daarbij artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht zijn genomen. In de milieuvergunning wordt een toets aan de Habitatrichtlijn niet genoemd. Dat in de vergunning staat dat voldaan wordt aan de Interimwet Ammoniak en veehouderij, maakt dat niet anders. Die wet vormde niet de implementatie van de Habitatrichtlijn. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de milieuvergunning geen besluit is als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb. Het college heeft de vergunning terecht geweigerd.

Het hoger beroep

- Is de milieuvergunning van 27 augustus 2001 een besluit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb?

5. De erven betogen dat de rechtbank bij de uitleg van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat in 2001 geen natuurvergunning kon worden aangevraagd voor de bedrijfsvoering waarvoor op dat moment wel een milieuvergunning werd verleend. De erven stellen dat zij uit oogpunt van rechtszekerheid erop mogen vertrouwen dat aangevangen activiteiten mogen worden voortgezet. Het niet tijdig implementeren van de Europese richtlijnen mag niet aan hen worden tegengeworpen. Een ruimere toepassing van het overgangsrecht in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb ligt daarom in de rede.

6. Artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb luidt: "artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden".

7. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat de milieuvergunning niet is verleend met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn en de onder 5.4 en 5.5 opgenomen overwegingen waarop de rechtbank dat oordeel baseert. Daarbij betrekt de Afdeling dat de tekst van de milieuvergunning, zoals weergegeven onder 5.4 van de uitspraak van de rechtbank, geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat bij de verlening van de milieuvergunning een toets aan artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn heeft plaatsgevonden.

Voor een ruimere uitleg van deze bepaling zoals door de erven bepleit ziet de Afdeling geen ruimte. De door de erven bepleite ruimere uitleg komt er in feite op neer dat elke milieutoestemming die aangevraagd is voordat de Habitatrichtlijn in Nederland correct werd geïmplementeerd - dat is 1 oktober 2005 voor Vogelrichtlijngebieden en 1 februari 2009 voor Habitatrichtlijngebieden - ongeacht of daarbij een toets aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn heeft plaatsgevonden wordt aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, waardoor die milieuvergunde activiteit niet natuurvergunningplichtig is. Die uitleg komt in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie daarover. Daaruit volgt immers dat voor de vraag of voor een activiteit een beoordeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn moet plaatsvinden, niet de datum van de implementatie van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn relevant is, maar de datum waarop artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing werd voor een Natura 2000-gebied (vergelijk HvJ EU 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882, punten 76-77). Die data zijn in dit geval 11 oktober 1996 en 24 maart 2000. Dat het bevoegd gezag bij de verlening van de milieuvergunning in 2001, gelet op het verbod van omgekeerde verticale rechtstreekse werking, niet aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn heeft getoetst, omdat een derde zich in een procedure tegen de vergunning niet op die bepaling heeft beroepen, maakt het voorgaande niet anders. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtszekerheid zich er tegen verzet dat aan de milieuvergunning uit 2001 geen referentiesituatie kan worden ontleend.

Het betoog slaagt niet.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Besselink

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Verbeek

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026

388

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J. Verbeek

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?