202404747/1/R4.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Maartensdijk, gemeente De Bilt,
appellanten,
en
de raad van de gemeente De Bilt,
verweerder.
Procesverloop
[appellant A] en [appellant B] hebben op 5 juli 2024 beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 maart 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. F.E. Boonstra, advocaat in Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.A. Wentink-Quelle en W. de Rooij, zijn verschenen.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
Wat ging er aan het beroep vooraf?
1. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie 1] in Maartensdijk. Achter hun woning ligt het perceel [locatie 2]. Op dit perceel lag een kassencomplex dat inmiddels is gesloopt. Het perceel is nu in gebruik als parkeerterrein. Het perceel heeft de bestemming "Centrum" op grond van het bestemmingsplan "Maartensdijk 2009", vastgesteld door de raad van De Bilt op 29 april 2010 (hierna: het bestemmingsplan). [appellant A] en [appellant B] vrezen dat op het perceel een appartementencomplex van 15 m hoog wordt gebouwd.
2. Bij brief van 6 september 2023 hebben [appellant A] en [appellant B] de raad verzocht om het bestemmingsplan te actualiseren. Volgens [appellant A] en [appellant B] is het bestemmingsplan niet meer in overeenstemming met de regels van een goede ruimtelijke ordening.
De raad heeft op de zitting toegelicht dat hij het college van burgemeester en wethouders van De Bilt heeft verzocht om op de brief van [appellant A] en [appellant B] te reageren. Dat heeft het college bij brief van 5 december 2023, verzonden op 13 december 2023, gedaan. In de brief heeft het college toegelicht dat de eigenaar van het perceel [locatie 2] voornemens is om op het perceel een appartementencomplex, met op de begane grond winkelruimte, te bouwen met 14 woningen. In de brief staat ook dat het college de raad op 20 januari 2023 heeft geïnformeerd over de koppeling van de locatie Maertensplein met een andere te ontwikkelen locatie te Maartensdijk en dat het college in beginsel ten aanzien van de beide te ontwikkelen locaties een positieve grondhouding had aangenomen. In de brief heeft het college de raad tevens bericht dat het niet alleen belangrijk is om te zorgen voor een goede inpassing in de omgeving, maar ook voor participatie met de omgeving.
Bij brief van 29 december 2023 hebben [appellant A] en [appellant B] zich op het standpunt gesteld dat zij bereid zijn niet verder aan te dringen op actualisering van het bestemmingsplan als zij worden voorzien van een duidelijke, gedetailleerde schriftelijke afspraak, op basis van de mededeling van 20 januari 2023 van het college aan de raad.
Het college heeft bij brief van 28 maart 2024 de voorschotovereenkomst van 7 juni 2023 met de projectontwikkelaar (zijnde de gevraagde schriftelijk afspraak met de ontwikkelaar) naar [appellant A] en [appellant B] gestuurd en daarbij aangegeven hun eventuele aanvraag tot wijziging van het bestemmingsplan, gelet op hun brief van 29 december 2023, met het toesturen van deze overeenkomst als ingetrokken te beschouwen.
Bij e-mail van 15 april 2024 hebben [appellant A] en [appellant B] betwist dat hun verzoek als ingetrokken beschouwd mag worden en hebben zij opnieuw verzocht om een besluit op hun verzoek om actualisering van het bestemmingsplan.
Bij brief van 18 juni 2024 hebben [appellant A] en [appellant B] nogmaals verzocht om een besluit te nemen op hun verzoek.
Het college heeft namens de raad bij brief van 1 juli 2024 bevestigd dat het verzoek van [appellant A] en [appellant B] als ingetrokken wordt beschouwd.
Bij brief van 5 juli 2024 hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.
Het beroep
3. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad ten onrechte geen besluit heeft genomen op hun verzoek om actualisering van het bestemmingsplan. Volgens [appellant A] en [appellant B] volgt uit de brief die het college namens de raad heeft verzonden op 1 juli 2024 dat sprake is van een schriftelijke weigering om een besluit te nemen in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
[appellant A] en [appellant B] betwisten dat hun verzoek met de toezending van de voorschotovereenkomst als ingetrokken moet worden beschouwd. De inhoud van de voorschotovereenkomst is volgens [appellant A] en [appellant B] weinig concreet en zij kunnen hieruit niet afleiden wat de stand van zaken is met betrekking tot het perceel [locatie 2].
Beoordeling van het beroep
4. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van de schriftelijke weigering om een besluit te nemen op het verzoek van [appellant A] en van Beest om actualisering van het bestemmingsplan.
In dit verband acht de Afdeling het volgende van belang. In de brief van 29 december 2023 hebben [appellant A] en [appellant B] uiteengezet dat de kwestie op korte termijn in der minne kan worden geschikt als zij inzage krijgen in de schriftelijke afspraken met de projectontwikkelaar. Zij schrijven dat zij na ontvangst van die afspraken bereid zijn niet verder aan te dringen op actualisering. Naar het oordeel van de Afdeling kon de raad hieruit redelijkerwijs afleiden dat [appellant A] en [appellant B] geen besluit op hun verzoek meer wensten van de raad als zij de gevraagde schriftelijke afspraken zouden ontvangen.
De raad heeft bij brief van 28 maart 2024 de voorschotovereenkomst met de projectontwikkelaar aan [appellant A] en [appellant B] toegezonden. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat op dat moment, en nu nog steeds, geen verdere (schriftelijke) afspraken met de projectontwikkelaar zijn gemaakt. Na toezending van het betreffende document is de raad ervan uitgegaan dat aan het in de brief van 29 december 2023 opgenomen verzoek van [appellant A] en [appellant B] is voldaan. De raad heeft het verzoek als ingetrokken beschouwd.
Gelet op voornoemde omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad het verzoek van [appellant A] en [appellant B] in dit geval als ingetrokken mocht beschouwen. Van een schriftelijke weigering om een besluit te nemen, zoals bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb, is daarom geen sprake.
Overigens heeft de raad verder op de zitting toegelicht de vorige eigenaar failliet is gegaan en dat dat het perceel inmiddels is verworven door een nieuwe eigenaar. De raad heeft benadrukt in afwachting te zijn van de plannen van deze nieuwe eigenaar en toegezegd dat omwonenden geïnformeerd zullen worden zodra er concrete plannen zijn met betrekking tot de herontwikkeling van het perceel.
5. De Afdeling is onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
6. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Melenhorst
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
490-1187