202401070/1/R3.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Leutingewolde, gemeente Noordenveld,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 5 januari 2024 in zaken nrs. 22/3871 en 22/4468 in het geding tussen onder meer:
[appellant A]
en
het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een woning met carport, het oprichten van een berging, het kappen van twee bomen en het aanleggen van een uitrit op het perceel [locatie 1] in Leutingewolde (het perceel).
Bij besluit van 12 december 2022 heeft het college het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 16 januari 2023 heeft het college de bij besluit van 7 juli 2022 verleende omgevingsvergunning gewijzigd.
Bij uitspraak van 5 januari 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:789, heeft de rechtbank onder meer het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 december 2022 vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 13 februari 2023 (lees: 2024) heeft het college het bezwaar van [appellant A] opnieuw ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten, voor zover die was verleend voor het oprichten van een woning en een berging, het kappen van twee bomen en het aanleggen van een uitrit (het besluit van 13 februari 2024).
Het college heeft het door [appellanten] gemaakte bezwaar tegen dit besluit doorgezonden aan de Afdeling.
Bij besluit van 17 juli 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van het bij besluit van 7 juli 2022 vergunde bouwplan.
Het college heeft het door [appellanten] gemaakte bezwaar tegen dit besluit doorgezonden aan de Afdeling.
[appellanten] en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 december 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.F. Nuijens, advocaat in Groningen, en E. Oosterloo, is verschenen. Verder is op de zitting [partij] als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingsvet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op 7 juli 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het in strijd met het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2] in Leutingewolde" oprichten van een woning op het perceel. Op 16 januari 2023 heeft het college die omgevingsvergunning op verzoek van [partij] gewijzigd, waarmee is beoogd het bouwplan in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan. Daartoe worden de arkenelen vervangen door dakkappelen, zodat de maximale goothoogte niet langer wordt overschreden.
3. [appellanten] wonen naast het perceel op [locatie 3] en kunnen zich niet met de verleende omgevingsvergunning verenigen. De rechtbank heeft het beroep van [appellant A] tegen het besluit over de omgevingsvergunning gegrond verklaard. [appellanten] kunnen zich in een deel van de uitspraak niet vinden en hebben daarom hoger beroep ingesteld.
Hogerberoepsgronden
Hoger beroep [appellant B]
4. Het hoger beroep is mede ingediend door [appellant B]. De Afdeling stelt ambtshalve vast dat [appellant B] geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het [appellant B] niet kan worden verweten dat zij geen beroep heeft ingesteld. Dit leidt ertoe dat voor [appellant B] op grond van artikel 6:13 gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen hoger beroep openstaat. Het hoger beroep is om die reden niet-ontvankelijk, voor zover het door [appellant B] is ingesteld.
Geen ondergeschikte wijziging
5. [appellant A] was niet op de zitting aanwezig om zijn betogen toe te lichten. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant A] over de tekening waarop de arkenelen zijn vervangen door dakkapellen daarom zo, dat hij vindt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat die wijziging, die bij besluit van 16 januari 2023 is vergund, van ondergeschikte aard is. Voor zover [appellant A] daarover aanvoert dat die wijziging op de tekening weliswaar van ondergeschikte aard is, maar in de praktijk leidt tot een aanzienlijke wijziging van het bouwplan, heeft hij dat niet onderbouwd. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 11.2 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de wijziging waar [appellant A] op doelt van ondergeschikte aard is, waardoor voor die wijziging geen nieuwe aanvraag had hoeven worden ingediend en het college het bezwaar van [appellant A] tegen het wijzigingsbesluit terecht heeft doorgestuurd naar de rechtbank.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met het bestemmingsplan
6. [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de oppervlakte van de vergunde woning in strijd is met de maximale oppervlakte van 150 m2 die het bestemmingsplan toelaat. Daarover voert hij aan dat de rechtbank bij het bepalen van de oppervlakte van de vergunde woning een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de relevante planregels. [appellant A] brengt naar voren dat uit artikel 2.5 van de planregels volgt dat de oppervlakte van de woning moet worden gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en de buitenzijde van overige niet-ondergeschikte bouwonderdelen. Volgens [appellant A] is ter plaatse van een inham in het gebouw het dak weliswaar niet volledig gedekt, maar loopt de daklijn daar wel door middel van een zware constructie door. Om die reden is volgens hem sprake van een niet-ondergeschikt bouwonderdeel dat moet worden betrokken bij het bepalen van de oppervlakte. Als de oppervlakte op die manier wordt bepaald, wordt de maximaal toegestane oppervlakte volgens [appellant A] overschreden.
6.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat de oppervlakte van de inham op grond van artikel 1.35 en artikel 2.5 van de planregels niet wordt meegerekend bij het bepalen van de oppervlakte van de woning. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat volgens de bouwtekeningen bij de omgevingsvergunning het dak boven die inham niet doorloopt. Om die reden is de oppervlakte van de woning volgens de rechtbank niet in strijd met het bestemmingsplan.
6.2. Artikel 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels luidt:
"Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels:
[…]
c. de oppervlakte van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 150 m2, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt;
[…]."
Artikel 2 luidt:
"Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:"
Artikel 2.5 luidt:
"de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren en/of de buitenzijde van overige niet-ondergeschikte bouwonderdelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;"
Artikel 1.35 luidt:
"buitenwerks gevelvlak:
de buitenzijde van de daadwerkelijke wanden van een bouwwerk. Voor bouwwerken die niet of niet aan alle zijden door wanden omsloten worden, wordt de loodrechte projectie van de dakrand op het maaiveld als buitenwerkse gevelvlak aangemerkt;"
Artikel 2.9 luidt:
"[...]
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt."
6.3. Tussen partijen is niet in geschil dat als de oppervlakte van de inham wordt betrokken bij het bepalen van de oppervlakte van de woning, die oppervlakte groter is dan 150 m2 en dus in strijd met artikel 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in dit geval de inham moet worden betrokken bij het bepalen van de oppervlakte van de woning. Daarover overweegt de Afdeling als volgt. Weliswaar is de inham gelet op de tekeningen bij de omgevingsvergunning niet voorzien van een dak, maar de houten balken van de dakconstructie lopen boven de inham wel door. Omdat deze doorlopende balken onderdeel zijn van de constructie van de woning, kwalificeren deze balken naar het oordeel van de Afdeling als een niet-ondergeschikt bouwonderdeel in de zin van artikel 2.5 van de planregels, zodat die boven de inham doorlopende constructie betrokken moet worden bij het bepalen van de oppervlakte van de woning. Omdat verder de afstand tussen de gevel van de woning en de houten constructie boven de inham meer dan 0,5 m bedraagt, mag die doorlopende constructie gelet op artikel 2.9 van de planregels niet buiten beschouwing worden gelaten. Gelet op het voorgaande moet de oppervlakte van de inham op grond van artikel 2.5 van de planregels worden betrokken bij het bepalen van de totale oppervlakte van de woning, zodat die oppervlakte groter is dan de toegestane 150 m2 en dus in strijd met artikel 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels.
Het betoog slaagt.
Stikstof/relativiteit
7. [appellant A] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen beroep kan doen op het ontbreken van stikstofberekeningen, omdat het relativiteitsvereiste daaraan in de weg staat.
7.1. Artikel 8:69a van de Awb luidt:
"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
7.2. De Afdeling overweegt dat de bepalingen in de Wet natuurbescherming (Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat een natuurlijk persoon die zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, zich beroept op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Verder volgt uit deze uitspraak dat individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen.
7.3. Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijke verwevenheid kan worden aangenomen, moet onder meer rekening worden gehouden met de situering van de woning van de betrokkene. Indien het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de directe woonomgeving van betrokkene, is in beginsel sprake van verwevenheid zoals hiervoor bedoeld.
7.4. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Leekstermeergebied ligt op ongeveer 2 km afstand van de woning van [appellant A]. De Afdeling overweegt dat gelet op die afstand het Natura 2000-gebied geen onderdeel uitmaakt van zijn woon- en leefomgeving. Om die reden is zijn individuele belang niet verweven met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen. Omdat gelet daarop het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het plan op deze grond, is de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht niet inhoudelijk ingegaan op zijn betoog.
Conclusie hoger beroep
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 4 is het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], niet-ontvankelijk.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 6.3 is het hoger beroep voor het overige gegrond. Dat betekent in dit geval echter niet dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd, omdat het hoger beroep van [appellant A] alleen is gericht tegen de overwegingen en niet tegen de beslissing van de rechtbank.
10. Nu het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het bezwaar van [appellant A] heeft beslist, ziet de Afdeling aanleiding om dat besluit te beoordelen.
Besluit van 13 februari 2024
11. Bij besluit van 13 februari 2024 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het bezwaar van [appellant A] beslist. Het college heeft de bezwaren ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning op verzoek van [partij] gewijzigd in stand gelaten. Het gewijzigde bouwplan bestaat uit het oprichten van een woning, het oprichten van een schuur, het kappen van twee bomen en het aanleggen van een uitweg. Verder is met het besluit van 13 februari 2024 de oppervlakte van de woning teruggebracht en de carport vervallen.
12. Dit door het college hangende het hoger beroep genomen besluit is een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb. Dit betekent dat het hoger beroep van rechtswege daarop betrekking heeft.
Beroep tegen het besluit van 13 februari 2024
13. Zoals hiervoor is overwogen is het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], niet-ontvankelijk. Een ontvankelijkheidsgebrek aan het hoger beroep werkt slechts door voor zover het gebrek zich naar zijn aard ook tot het beroep van rechtswege uitstrekt. Daarvan is in dit geval sprake, nu het ontvankelijkheidsgebrek uitsluitend is gerelateerd aan het inroepen van rechtsbescherming. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant B] tegen het besluit van 13 februari 2024 is daarom ook niet-ontvankelijk.
Ten onrechte doorgezonden
14. [appellant A] betoogt dat het college het besluit van 13 februari 2024 ten onrechte naar de Afdeling heeft doorgezonden.
14.1. De Afdeling overweegt dat het besluit van 13 februari 2024, in ieder geval deels, is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. [appellant A] heeft hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak. Zoals hiervoor onder 12 is overwogen, wordt het besluit van 13 februari 2024 van rechtswege geacht mede onderwerp te zijn van dit geding. Dat betekent dat het hoger beroep van [appellant A] automatisch ook tegen dat besluit gericht is. Het besluit is dan ook terecht naar de Afdeling verzonden.
Het betoog slaagt niet.
Geen ondergeschikte wijziging
15. [appellant A] betoogt dat de omgevingsvergunning ten onrechte in stand is gelaten. Daartoe voert hij aan dat uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat het college een nieuwe omgevingsvergunning had moeten verlenen, met inachtneming van die uitspraak. In dat kader brengt hij naar voren dat de wijzigingen die met dat nieuwe besluit zijn toegestaan, hadden moeten worden vastgelegd in een nieuwe omgevingsvergunning.
15.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in bijvoorbeeld de uitspraak van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2530, is geen nieuwe aanvraag nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is en dient de vraag of de wijziging van ondergeschikte aard is, per concreet geval te worden beantwoord. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zo ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend.
15.2. Uit de gewijzigde omgevingsvergunning volgt dat de oppervlakte van de woning is teruggebracht, door de lengte van 20,15 m te verkorten naar 19,7 m. De uiterlijke verschijningsvorm van de woning, en daarmee de ruimtelijke uitstraling, wordt door die wijziging nauwelijks gewijzigd, zodat in zoverre sprake is van hetzelfde bouwplan. Verder is met het gewijzigde bouwplan de carport vervallen. Daardoor wijzigt de ruimtelijke uitstraling weliswaar, maar die wijziging is naar het oordeel van de Afdeling niet zo ingrijpend dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. Daarbij betrekt de Afdeling dat het bouwwerk slechts een klein onderdeel is van het aangevraagde bouwplan. Daarnaast is niet gebleken dat die wijziging, voor zover de ruimtelijke uitstraling daardoor wordt gewijzigd, leidt tot een aantasting van de belangen van derden, in dit geval [appellant A]. Bovendien verdwijnt er met het vervallen van de carport, ten opzichte van de aanvraag, een bouwwerk in een open landschap. Naar het oordeel van de Afdeling kunnen de wijzigingen worden beschouwd als wijzigingen van ondergeschikte aard, waarvoor geen nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning hoefde te worden ingediend.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met het bestemmingsplan
- Plaats van de schuur
16. [appellant A] betoogt dat de plaats waar de schuur op de situatietekening staat ingetekend in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2] in Leutingewolde". Daarover voert hij aan dat uit een uitspraak van de Afdeling blijkt dat de schuur niet op de ingetekende plaats mag worden gebouwd. Volgens [appellant A] moet de omgevingsvergunning op dat punt dan ook worden aangepast.
16.1. Artikel 4.2.3 van de planregels luidt:
"Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:
a. aan-, uitbouwen en bijgebouwen dienen binnen het bouwvlak, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen’ te worden gebouwd;
b. de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan bedraagt ten minste 3 m, dan wel niet minder dan de bestaande afstand indien deze minder bedraagt;
[…]."
16.2. [appellant A] heeft zijn stelling dat uit een uitspraak van de Afdeling volgt dat de schuur op grond van het bestemmingsplan niet op deze plaats mag worden gebouwd, niet geconcretiseerd, en de Afdeling ziet daarvoor ook geen grond. Daarover overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt vast dat de schuur is ingetekend op gronden die op de verbeelding van het plan de aanduiding 'bijgebouwen' hebben. Dat betekent dat het plan op grond van artikel 4.2.3, aanhef en onder a, van de planregels bijgebouwen ter plaatse van de ingetekende schuur toestaat. Verder is de afstand van de schuur tot het verlengde van de voorgevel van de woning meer dan de op grond van artikel 4.2.3, aanhef en onder b, van de planregels vereiste minimale afstand van 3 m. De Afdeling ziet in wat [appellant A] heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de plaats van de vergunde schuur in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
- Oppervlakte van de woning
17. [appellant A] betoogt dat het onduidelijk is hoe de oppervlakte van de woning met het gewijzigde besluit is teruggebracht naar de op grond van het bestemmingsplan toegestane 150 m2.
17.1. Voor zover [appellant A] betoogt dat de oppervlakte van de woning met de gewijzigde omgevingsvergunning nog steeds groter is dan 150 m2, en dus in strijd is met het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op de tekeningen bij het besluit van 13 februari 2024, is de lengte van de woning teruggebracht van 20,15 m naar 19,7 m. Onder verwijzing naar wat onder 6.3 is overwogen, stelt de Afdeling vast dat de oppervlakte van de woning met inbegrip van de gewijzigde lengte nog steeds groter is dan de op grond van artikel 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels toegestane 150 m2. Dat betekent dat de oppervlakte van de vergunde woning, ook met het gewijzigde bouwplan, in strijd is met het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt.
18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding om de overige beroepsgronden die [appellant A] heeft aangevoerd te bespreken.
Conclusie besluit van 13 februari 2024
19. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 13, is het beroep van [appellant B] tegen het besluit van 13 februari 2024 niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant A] tegen dat besluit is gegrond, zodat dat besluit zal worden vernietigd.
Besluit van 17 juli 2025
20. Het college heeft bij besluit van 17 juli 2025, naar aanleiding van een aanvraag van 14 februari 2025, aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van het bij besluit van 7 juli 2022 vergunde bouwplan. De wijziging houdt in dat de stroken riet tussen de dakkapellen worden vervangen door houten lamellen.
21. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, gelezen in samenhang met artikel 6:19 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
Beroep tegen het besluit van 17 juli 2025
22. Zoals hiervoor is overwogen is het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], niet-ontvankelijk. Een ontvankelijkheidsgebrek aan het hoger beroep werkt slechts door voor zover het gebrek zich naar zijn aard ook tot het beroep van rechtswege uitstrekt. Daarvan is in dit geval sprake, nu het ontvankelijkheidsgebrek uitsluitend is gerelateerd aan het inroepen van rechtsbescherming. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant B] tegen het besluit van 17 juli 2025 is daarom ook niet-ontvankelijk.
Ondergeschikte wijziging
23. [appellant A] betoogt dat het bouwplan met het besluit van 17 juli 2025 niet ondergeschikt is gewijzigd.
23.1. Zoals onder 15.1 is overwogen is voor de vraag of sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, zodat geen nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning hoeft te worden ingediend, van belang of redelijkerwijs van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. Daarbij is onder meer de ruimtelijke uitstraling van die wijziging van belang. Naar het oordeel van de Afdeling leidt het vervangen van het riet door houten lamellen tussen de dakkapellen niet tot een wijziging in de uiterlijke verschijningsvorm, en heeft die wijziging evenmin gevolgen voor de ruimtelijke uitstraling. Er is dan ook sprake van een wijziging van ondergeschikte aard, zodat voor die wijziging geen nieuwe aanvraag had hoeven worden ingediend.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met het bestemmingsplan
24. [appellant A] betoogt dat de woning nog altijd in strijd is met het bestemmingsplan.
24.1. De Afdeling stelt vast dat het bouwplan met het besluit van 17 juli 2025 slechts op één punt is gewijzigd, namelijk door de vervanging van het riet tussen de dakkapellen door houten lamellen. Zoals onder 17.1 is overwogen is de oppervlakte van de vergunde woning groter dan artikel 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels toelaat. Aangezien de oppervlakte van de vergunde woning met het nieuwe besluit ten opzichte van het besluit van 13 februari 2024 niet is gewijzigd, is die oppervlakte nog steeds in strijd met het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt.
25. Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding om de overige beroepsgronden die [appellant A] heeft aangevoerd te bespreken.
Conclusie besluit van 17 juli 2025
26. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 22, is het beroep van [appellant B] tegen het besluit van 17 juli 2025 niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant A] tegen dat besluit is gegrond, zodat dat besluit zal worden vernietigd.
Wat betekent deze uitspraak?
27. Het voorgaande betekent dat het college met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet of tevergeefs is aangevochten, opnieuw op het bezwaar van [appellant A] van 15 augustus 2022 moet beslissen. Daarbij dient het college alle na de initiële aanvraag aangevraagde wijzigingen te betrekken, voor zover die wijzigingen van ondergeschikte aard zijn, waarvoor geen nieuwe aanvraag is vereist.
Judiciële lus
28. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college te nemen besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Proceskosten
29. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep, voor zover het is ingesteld door [appellant B], niet-ontvankelijk;
II. verklaart het hoger beroep voor het overige gegrond;
III. verklaart het beroep van [appellant B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 13 februari 2023 (lees: 2024) niet-ontvankelijk;
IV. verklaart het beroep van [appellant A] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 13 februari 2023 (lees: 2024) gegrond;
V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 13 februari 2023 (lees: 2024), kenmerk OMG/2022/1451;
VI. verklaart het beroep van [appellant B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 17 juli 2025 niet-ontvankelijk;
VII. verklaart het beroep van [appellant A] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 17 juli 2025 gegrond;
VIII. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 17 juli 2025, kenmerk OMG/2025/0333;
IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld aan [appellant A] het door hem voor de behandeling van zijn hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 279,00.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buskermolen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
896-1157