202505731/1/A2.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder.
Procesverloop
Bij uitspraak van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3853, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 juni 2024 in zaak nrs. 24/2258 en 24/2267 vernietigd, het besluit van de staatssecretaris van 19 maart 2024 vernietigd, de staatssecretaris opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in de uitspraak van de Afdeling is overwogen en bepaald dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Bij besluit van 2 oktober 2025 heeft de staatssecretaris het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 10 januari 2024 opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J.R. Roethof, advocaat in Arnhem, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. T.C. Tesselhof, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft op 23 november 2023 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd voor de functie van begeleider gehandicaptenzorg bij Samen100Care B.V. in Waddinxveen. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen en de afwijzing in bezwaar gehandhaafd. Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat in het Justitieel Documentatie Systeem binnen de voor [appellant] geldende terugkijktermijn van vier jaar één strafbaar feit geregistreerd staat dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormt voor de behoorlijke uitoefening van de functie van begeleider gehandicaptenzorg (het objectieve criterium). Op 11 mei 2023 is hij namelijk in eerste aanleg veroordeeld wegens drugshandel en het aanwezig hebben van drugs tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Hoewel de staatssecretaris het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG erkent, heeft hij zich op het standpunt gesteld dat hij het risico voor de samenleving te groot vindt om een VOG af te geven, omdat aan [appellant] een niet-lichte straf is opgelegd en het laatste contact met justitie op 11 mei 2023 nog te kort geleden is (het subjectieve criterium).
Uitspraak van 13 augustus 2025
2. In de uitspraak van 13 augustus 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat gelet op het samenstel van de volgende omstandigheden de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan [appellant] geen VOG wordt verstrekt. Allereerst heeft de staatssecretaris in zijn besluit van 19 maart 2024 niet uitdrukkelijk meegewogen dat [appellant] een first-offender is, terwijl uit paragraaf 3.1.4.1 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 volgt dat de hoeveelheid antecedenten juist één van de omstandigheden van het geval is die altijd bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt betrokken. Ook heeft de staatssecretaris niet toegelicht hoe de jonge leeftijd van [appellant] en de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, zijn meegewogen. Verder heeft de staatssecretaris het gegeven dat de reclassering, mede omdat [appellant] een first-offender is, slechts een beperkt advies heeft kunnen uitbrengen niet zonder nadere toelichting ten nadele van [appellant] mogen laten meewegen. Daarnaast heeft de staatssecretaris in het kader van de evenredigheidsbeoordeling onvoldoende aandacht gehad voor het feit dat de werkgever van [appellant] het risico op medicatiemisbruik als laag inschat en hem omschrijft als een ‘goede werknemer die altijd betrouwbaar is en zijn werk met passie doet’.
Beroep
3. [appellant] heeft op de zitting toegelicht dat zijn betoog erop neerkomt dat het besluit van 2 oktober 2025 niet met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025 is genomen.
3.1. [appellant] heeft terecht aangevoerd dat het besluit van 2 oktober 2025 in wezen een herhaling is van het eerder door de Afdeling vernietigde besluit van 19 maart 2024 en dat de staatssecretaris dus geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling. Dit heeft de gemachtigde van de staatssecretaris ook op de zitting erkend en daarbij vermeld dat de staatssecretaris blijft vasthouden aan de gronden voor de eerdere afwijzing. Alleen al hierom is het beroep gegrond en vernietigt de Afdeling het besluit van 2 oktober 2025.
3.2. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 10 januari 2024 te herroepen, de staatssecretaris op te dragen om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak aan [appellant] een VOG voor de functie van begeleider gehandicaptenzorg te verstrekken en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Daarvoor is van belang dat de Afdeling de staatssecretaris al een keer de mogelijkheid heeft geboden om alsnog te motiveren waarom het belang van de samenleving om te weigeren [appellant] een VOG te verstrekken zwaarder weegt dan het belang van [appellant] om een VOG te krijgen. De staatssecretaris heeft ervoor gekozen van die geboden mogelijkheid geen gebruik te maken. Onder deze omstandigheden weegt het belang van [appellant] om eindelijk duidelijkheid te krijgen nu zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om nog een keer de gelegenheid te krijgen zijn besluit alsnog voldoende te motiveren.
4. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 2 oktober 2025;
III. herroept het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 10 januari 2024;
IV. draagt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak aan [appellant] een Verklaring Omtrent het Gedrag voor de functie van begeleider gehandicaptenzorg te verstrekken;
V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 2 oktober 2025;
VI. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 194,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
284-1160