202207084/1/R2.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. de minister van Klimaat en Groene Groei,
2. TenneT TSO B.V., gevestigd in Arnhem,
3. [appellant sub 3], wonend in Heerle, gemeente Roosendaal,
4. [appellant sub 4A], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4C], nu: zijn rechtsopvolger [appellant sub 4D], allen wonend in Wouwse Plantage, gemeente Roosendaal,
5. [appellante sub 5], gevestigd in Wouwse Plantage, gemeente Roosendaal,
6. Landgoed Wouwse Plantage B.V., gevestigd in Strijen, gemeente Hoeksche Waard,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Roosendaal,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Wouw 2020" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben de minister, TenneT, [appellant sub 3], [appellant sub 4A], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4D], [appellante sub 5] en Landgoed Wouwse Plantage beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 4A], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4D], [appellante sub 5] en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 december 2025, waar TenneT, vertegenwoordigd door mr. S. Zehenpfenning, [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], bijgestaan door mr. S. Oord, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, [appellante sub 5], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door [gemachtigde B], Landgoed Wouwse Plantage, vertegenwoordigd door mr. P.S.A. Overwater, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.P. Euverman, advocaat in Breda, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerp van het bestemmingsplan is op 18 januari 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. De raad wil met de vaststelling van het bestemmingsplan bestaande waarden en belangen in het plangebied vastleggen en gewenste ontwikkelingen mogelijk maken binnen de regels en op grond van de uitgangspunten die gelden voor onder meer de kwaliteit van het landschap, de natuur en cultuurhistorie. Het plangebied ligt in het westen van de gemeente Roosendaal.
2.1. In deze uitspraak gaat het over de beroepen van onder meer inwoners en bedrijven in het plangebied die het niet eens zijn met de inhoud van het bestemmingsplan. [appellant sub 3] is het niet eens met de gebiedsbegrenzing en toegekende bestemming voor zijn perceel. Ook Landgoed Wouwse Plantage is het niet eens met de toegekende bestemming voor een van haar percelen. De minister en TenneT zijn het niet eens met het bestemmingsplan, omdat de raad volgens hen geen rekening heeft gehouden met een rijksinpassingsplan die een hoogspanningsverbinding mogelijk maakt. Verder zijn [appellant sub 4A], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4D] en [appellante sub 5] het niet eens met de regels voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in het bestemmingsplan. De Afdeling bespreekt de beroepen in de bovengenoemde volgorde.
2.2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Het beroep van [appellant sub 3]
Gebiedsbegrenzing en toegekende bestemming
4. [appellant sub 3] betoogt dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet goed heeft gemotiveerd waarom de gebiedsbegrenzing voor zijn perceel aan de Spellestraat ongenummerd in Wouw niet is gewijzigd naar stedelijk gebied en daarbij aan zijn perceel niet de bestemming "Wonen" is toegekend. In zijn zienswijze heeft [appellant sub 3] de raad verzocht om aan zijn perceel de bestemming "Wonen" toe te kennen met de mogelijkheid om het perceel te splitsen in drie grotere kavels. Hij voert aan dat de raad gebruik had kunnen maken van de mogelijkheid om het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant te verzoeken de gebiedsbegrenzing in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) te wijzigen. [appellant sub 3] voert aan dat zijn perceel in het buitengebied vlakbij bestaande bebouwing ligt die ook voor wonen wordt gebruikt, waardoor de grens van het stedelijk gebied feitelijk al is opgeschoven naar het buitengebied. Hierdoor is de toekenning van de bestemmingen "Agrarisch met waarde - 1" en "Archeologie 2" voor zijn perceel niet passend.
4.1. In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling als dat initiatief voldoende concreet is, tijdig aan hem kenbaar is gemaakt en de raad op het moment van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan beoordelen.
4.2. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat hij niet de bestemming "Wonen" heeft hoeven toekennen aan het perceel van [appellant sub 3]. Ook heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant te verzoeken de gebiedsbegrenzing te laten wijzigen in de IOV. De wens van [appellant sub 3] is geen concreet initiatief waar de raad rekening mee moest houden. [appellant sub 3] heeft bijvoorbeeld geen ruimtelijke onderbouwing, schetsen of bouwtekeningen voor nieuwe woningen onder de gewenste bestemming "Wonen" aan de raad overgelegd. Vergelijk (onder 7.3 van) de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:49.
Het betoog slaagt niet.
Vergelijking met andere percelen
5. [appellant sub 3] betoogt dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, omdat andere percelen in agrarisch gebied wel een woonfunctie toegekend hebben gekregen. Hij voert aan dat nabij zijn perceel andere functies voor wonen aanwezig zijn en aan de noordoostkant van Wouw naast de oorspronkelijke lintbebouwing ook andere bebouwing is gerealiseerd op agrarische gronden. Ook op andere plaatsen in het buitengebied van Wouw is volgens hem medewerking verleend aan de bouw van woningen.
5.1. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de door [appellant sub 3] genoemde percelen geen gelijke gevallen zijn. Op basis van de enkele verwijzing door [appellant sub 3] naar bepaalde straten met lintbebouwing in Wouw kan niet worden aangenomen dat het gaat om gelijke gevallen. [appellant sub 3] heeft geen concrete vergelijkbare gevallen genoemd waarin de raad aan andere percelen in agrarisch gebied wel een woonfunctie heeft toegekend. Bovendien gaat het in de door [appellant sub 3] genoemde gevallen om bestaande bebouwing en niet om nieuwe initiatieven die recent met een bestemmingsplan mogelijk zijn gemaakt.
Het betoog slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond.
Het beroep van Landgoed Wouwse Plantage
De toegekende bestemming
7. Landgoed Wouwse Plantage betoogt dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet goed heeft gemotiveerd waarom aan haar perceel aan Plantage Centrum 2 in Wouwse Plantage niet de bestemming "Wonen" is toegekend. Hierover voert zij aan dat op dat perceel in de voormalige boerderij al twee leegstaande woningen en twee opslagruimtes aanwezig zijn. Deze boerderij heeft de bestemming "Cultuur en ontspanning" toegekend gekregen met onder meer de aanduiding "museum", terwijl volgens Landgoed Wouwse Plantage dat pand nooit als museum is gebruikt. De motivering van de raad dat met het bestemmingsplan feitelijke onjuistheden worden gecorrigeerd is volgens haar dan ook niet logisch en begrijpelijk. Zij voert daarnaast aan dat de door haar overgelegde onderzoeken en visies om de bestemming "Wonen" toe te kennen door de raad ten onrechte niet inhoudelijk zijn beoordeeld.
7.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet goed gemotiveerd waarom aan het perceel aan Plantage Centrum 2 in Wouwse Plantage niet de bestemming "Wonen" is toegekend. Landgoed Wouwse Plantage heeft een concreet initiatief tijdig kenbaar gemaakt met de visie van 2 april 2020, de inspraakreactie van 3 april 2020 en zienswijze van 26 februari 2021 waarin een ruimtelijke onderbouwing wordt gegeven waarom aan haar perceel de bestemming "Wonen" moet worden toegekend. De raad mocht dit concrete initiatief niet op voorhand terzijde schuiven met de enkele wens voor een integrale beoordeling van het hele landgoed. De raad verwijst weliswaar naar het cultuurhistorisch belang van het complex, bedoeld in artikel 3.31 van de IOV, en het belang van een integrale beoordeling van het hele landgoed, maar hij heeft niet goed gemotiveerd waarom dat in dit geval nodig is, en waarom die beoordeling aan toekenning van de gevraagde bestemming in de weg zou staan. Daarbij is van belang dat de uiterlijke verschijningsvorm van de boerderij als beeldbepalend pand volgens het initiatief niet wijzigt, de boerderij feitelijk al gedeeltelijk is ingericht voor wonen en in de afgelopen jaren op het landgoed andere ontwikkelingen zijn doorgevoerd op het gebied van wonen zonder dat de genoemde integrale beoordeling daar een voorwaarde voor was. Het besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering (artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht).
Het betoog slaagt.
8. Het beroep is gegrond. Wat verder is aangevoerd, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.
De beroepen van de minister en TenneT
9. De minister en TenneT betogen terecht dat de raad op grond van artikel 3.28, vijfde lid, van de Wro niet bevoegd was om het bestemmingsplan vast te stellen voor de gronden die zijn voorzien in het rijksinpassingsplan ‘Zuid-West 380 kV Oost’. De raad heeft dit ook erkend.
Het betoog slaagt.
10. Het beroep is gegrond.
Het beroep van [appellant sub 4A], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4D]
Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
11. [appellant sub 4A], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4D] betogen dat artikel 5.3.2 van de planregels van het bestemmingsplan over tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in strijd is met artikel 3.32 van de IOV, een goede ruimtelijke ordening en de rechtszekerheid. Ten eerste voeren zij aan dat de aanhef in artikel 5.3.2 van de planregels onduidelijk is. Ten tweede is volgens hen de verruiming van de maximale hoogte naar vier meter en de oppervlakte naar drie hectare voor teeltondersteunende voorzieningen in artikel 5.3.2, aanhef en onder b en c, van de planregels niet in overeenstemming met de genoemde waarden en kenmerken uit artikel 3.32, eerste lid, van de IOV. Ten derde heeft de raad volgens hen niet goed onderbouwd waarom hij in de planregel heeft bepaald dat de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ‘voor zover mogelijk’ moeten aansluiten op een agrarisch bouwvlak, terwijl in de nota van zienwijzen die nuance niet is toegelicht. Ten slotte voeren zij aan dat de maatstaf in artikel 5.3.2, aanhef en onder e, van de planregels dat er geen onevenredige aantasting van de in artikel 5.1 van de planregels omschreven waarden mag zijn zich niet verhoudt met de verplichting in artikel 3.32, eerste lid, van de IOV verplicht tot behoud, herstel, duurzame ontwikkeling en bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken.
11.1. De Afdeling is van oordeel dat de raad de afwijkingsbevoegdheid in artikel 5.3.2 van de planregels ruimtelijk niet goed heeft onderbouwd. De raad heeft namelijk niet toegelicht waarom hij in artikel 5.3.2, aanhef en onder b en c, van de planregels voor teeltondersteunende voorzieningen de maximale hoogte naar vier meter en de oppervlakte naar drie hectare heeft verruimd. Door dit niet toe te lichten heeft de raad niet kenbaar rekening gehouden met de waarden en kenmerken uit artikel 3.32, eerste lid, van de IOV. De verhoging en oppervlaktevergroting van de teeltondersteunende voorzieningen hebben namelijk een aanzienlijke ruimtelijke impact op onder meer de landschappelijke waarden en kenmerken die op grond van artikel 3.32, eerste lid, van de IOV behouden, hersteld of duurzaam ontwikkeld moeten worden.
11.2. Daarnaast heeft de raad in artikel 5.3.2, aanhef en onder d, van de planregels niet goed gemotiveerd waarom tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ‘voor zover mogelijk’ moeten aansluiten op een agrarisch bouwvlak. De onderbouwing van de raad dat op deze manier rekening wordt gehouden met de belangen van agrariërs is hiervoor onvoldoende. Met de nuance ‘voor zover mogelijk’ gaat de raad eraan voorbij dat de uitbreiding van teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak een negatief effect kan hebben op de openheid en zichtlijnen van het landschap, zoals is beschreven in de Plan-MER van 1 november 2020.
11.3. Ook heeft de raad in artikel 5.3.2, aanhef en onder e, van de planregels niet de maatstaf mogen opnemen dat er ‘geen onevenredige aantasting’ van de in artikel 5.1 van de planregels omschreven waarden mag zijn. De maatstaf ‘geen onevenredige aantasting’ verhoudt zich niet met de verplichting in artikel 3.32, eerste lid, van de IOV tot behoud, herstel, duurzame ontwikkeling en bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken. Dit gaat namelijk om een andere ruimtelijke toets voor de aanwezige waarden en kenmerken. De onderbouwing van de raad dat met deze maatstaf bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning de belangen van de agrariërs om tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren kunnen worden afgewogen tegen de waarden en kenmerken in artikel 5.1 van de planregels verhoudt zich niet met de wijze waarop artikel 3.32, eerste lid, van de IOV is geformuleerd.
11.4. Verder heeft de raad erkend dat de aanhef in artikel 5.3.2 van de planregels onduidelijk is en dus in strijd met de rechtszekerheid. De Afdeling sluit zich aan bij het oordeel hierover van de voorzieningenrechter in de uitspraak van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2411, onder 6. Gelet op de inhoudelijke gebreken in artikel 5.3.2 van de planregels ziet de Afdeling geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.
Het betoog slaagt.
Vervallen aanduiding
12. [appellant sub 4A], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4D] betogen dat het vervallen van de aanduiding ‘struweelvogels’ in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het vervallen van de aanduiding leidt volgens hen tot vermindering van de bescherming van de struweelvogels.
12.1. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het vervallen van de aanduiding ‘struweelvogels’ niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat dit de bescherming van de struweelvogels niet vermindert. Hierover heeft de raad toegelicht dat de aanduiding ‘struweelvogels’ weliswaar is vervallen, maar vervangen is door de aanduiding ‘groenblauwe mantel’ waar de bescherming van de struweelvogels deel van uitmaakt. Daarnaast kan het behoud en herstel van het leefgebied van de struweelvogels worden geschaard onder de in artikel 5.1, aanhef en onder i, van de planregels genoemde ecologische waarden en kenmerken van de bestemming "Agrarisch met waarden - 2".
Het betoog slaagt niet.
Definitie tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
13. [appellant sub 4A], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4D] betogen dat de definitie van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in artikel 1.123 van de planregels rechtsonzeker is. Volgens hen is het namelijk niet duidelijk hoe lang de teeltondersteunende voorzieningen of delen daarvan aanwezig mogen zijn.
13.1. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de definitie van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in artikel 1.123 van de planregels niet onduidelijk is. In dat artikel worden tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen namelijk gekoppeld aan een maximum van zes maanden per jaar. Hierover heeft de raad op zitting nog toegelicht dat dit ook geldt voor delen van teeltondersteunende voorzieningen, bijvoorbeeld de palen zonder afdekfolie. Teeltondersteunende voorzieningen of delen daarvan die langer dan zes maanden aanwezig zijn, worden aangemerkt als permanent.
Het betoog slaagt niet.
14. Het beroep is gegrond. Wat verder is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.
Het beroep van [appellante sub 5]
Toegekende bestemming en aanduiding
15. [appellante sub 5] betoogt dat de raad niet goed heeft gemotiveerd waarom voor haar percelen de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" en de aanduiding ‘groenblauwe mantel’ zijn toegekend, mede omdat haar percelen in het doorgroeigebied voor glastuinbouw liggen. Volgens haar heeft de raad slechts algemene waarden opgenomen en niet geconcretiseerd welke aanvullende waarden er zijn voor haar percelen. Hierdoor kan volgens haar geen gedegen afweging worden gemaakt van de aanwezige waarden en is het plan rechtsonzeker. Zij voert aan dat de raad in de plantoelichting ook geen beschrijving van deze waarden en kenmerken heeft opgenomen, terwijl dit wel verplicht is op grond van artikel 3.32, tweede lid, van de IOV.
15.1. De raad heeft aan de percelen van [appellante sub 5] de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" en de aanduiding ‘groenblauwe mantel’ mogen toekennen. De raad heeft met de toekenning van deze bestemming en aanduiding namelijk uitvoering gegeven aan de IOV. De percelen van [appellante sub 5] liggen in de groenblauwe mantel waarvoor op grond van artikel 3.32, eerste lid, van de IOV regels gelden voor de aanwezige waarden en kenmerken. Zoals ook uit paragraaf 5.2.1 van de plantoelichting volgt verdragen de waarden van natuur en landschap zich niet met een verdere toename van glastuinbouw in het doorgroeigebied.
15.2. Anders dan [appellante sub 5] betoogt, bevat de plantoelichting wel een beschrijving van de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken, waardoor er geen strijd is met artikel 3.32, tweede lid, van de IOV. Omdat de percelen in de groenblauwe mantel liggen, heeft de raad ook geen aparte beschrijving van de waarden en kenmerken voor de percelen van [appellante sub 5] hoeven geven. De aanwezige waarden en kenmerken zijn van toepassing op een groter gebied binnen de groenblauwe mantel dan enkel de percelen van [appellante sub 5]. Ook aan andere agrarische percelen rondom de percelen van [appellante sub 5] zijn deze bestemming en aanduiding toegekend. De Afdeling volgt dan ook niet het betoog dat de raad geen gedegen afweging over de aanwezige waarden en kenmerken voor de percelen van [appellante sub 5] kan maken. Dat kan hij namelijk op basis van de planregels over de groenblauwe mantel (artikel 5.1, aanhef en onder h en i, en artikel 34.60 van de planregels) en de in de toelichting beschreven waarden en kenmerken van het gebied.
Het betoog slaagt niet.
Permanente teeltondersteunende voorzieningen
16. [appellante sub 5] betoogt dat de raad in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, omdat zij geen permanente teeltondersteunende voorzieningen op grond van het bestemmingsplan kan realiseren terwijl andere agrarische bedrijven op grond van artikel 5.3.5 van de planregels wel voerplaten, sleufsilo's en andere voedervoorzieningen buiten het bouwvlak kunnen realiseren. Hierover voert zij aan dat niet valt in te zien wat het verschil is tussen permanente teeltondersteunende voorzieningen en voerplaten, sleufsilo's en andere voedervoorzieningen, mede gelet op de inbreuk op de omgeving.
16.1. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat permanente teeltondersteunende voorzieningen aan de ene kant en voerplaten, sleufsilo's en andere voedervoorzieningen aan de andere kant geen gelijke gevallen zijn. De raad heeft op zitting deugdelijk toegelicht dat de bouwwerken en het gebruik van elkaar verschillen in geur, agrarisch karakter en ruimtelijke impact. Daarnaast heeft de raad terecht toegelicht dat de IOV dit onderscheid ook maakt. Permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen de groenblauwe mantel zijn op grond van de IOV buiten het bouwvlak in beginsel niet toegestaan vanwege de invloed op het landschapsbeeld, de natuur en de waterhuishouding. Voor voerplaten, sleufsilo's en andere voedervoorzieningen zijn daarentegen geen specifieke regels gesteld in de IOV.
Het betoog slaagt niet.
Eerder verleende omgevingsvergunning
17. [appellante sub 5] betoogt dat het bestemmingsplan onzorgvuldig is vastgesteld, omdat de raad geen rekening heeft gehouden met de eerder aan haar verleende omgevingsvergunning van 31 mei 2022 voor teeltondersteunende voorzieningen op het perceel kadastraal bekend als gemeente Wouw, sectie N, perceelnummer 00462. Zij voert aan onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3335, onder 59.4, dat vergunde rechten moeten worden gerespecteerd.
17.1. In beginsel moet legaal bestaande bebouwing als zodanig in het bestemmingsplan worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daarvoor aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht als de raad aannemelijk maakt dat het bouwwerk op termijn zal worden verwijderd. Met het overgangsrecht wordt namelijk beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen.
17.2. De raad heeft het bestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld door geen rekening te houden met de eerder aan [appellante sub 5] verleende omgevingsvergunning. De raad heeft namelijk niet onderbouwd waarom de daarbij vergunde teeltondersteunende voorzieningen niet in het bestemmingsplan zijn bestemd. Daarbij heeft de raad geen toelichting gegeven dat nieuwe planologische inzichten hiervoor aanleiding hebben gegeven. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening heeft de raad dus niet goed gemotiveerd waarom hij van bestemmen heeft afgezien. Vergelijk (onder 20.5 van) de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2506. Het besluit is daarom in zoverre in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht genomen.
Het betoog slaagt.
18. Het beroep is gegrond.
Conclusie
18.1. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond. De beroepen van Landgoed Wouwse Plantage, de minister, TenneT, [appellant sub 4A], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4D] en [appellante sub 5] zijn gegrond. Het besluit van de raad van 21 juli 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan moet worden vernietigd, voor zover het gaat over:
1) de bestemming "Cultuur en ontspanning" en de functieaanduiding "museum" aan de Plantage Centrum 2 in Wouwse Plantage;
2) de gronden van het vastgestelde rijksinpassingsplan Zuid-West 380 Kv Oost’ van 12 juli 2022;
3) artikel 5.3.2 van de planregels en
4) het niet bestemmen van de vergunde teeltondersteunende voorzieningen op het perceel kadastraal bekend als gemeente Wouw, sectie N, perceelnummer 00462.
19. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 22, zijn op een nieuw te nemen besluit de Omgevingswet en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels van toepassing. Dat houdt onder meer in dat niet meer kan worden teruggevallen op het vóór 1 januari 2024 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, omdat in het ontwerpbestemmingsplan geen regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
20. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan, dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
21. De raad moet de proceskosten van Landgoed Wouwse Plantage, TenneT, [appellant sub 4A], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4D] en [appellante sub 5] vergoeden. De raad hoeft de proceskosten van [appellant sub 3] en de minister niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] ongegrond;
II. verklaart de beroepen van de minister voor Klimaat en Energie, TenneT TSO B.V., [appellant sub 4A], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4C]], [appellante sub 5]. en Landgoed Wouwse Plantage B.V. gegrond;
III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Roosendaal van 21 juli 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Wouw 2020" voor zover het gaat over:
- de bestemming "Cultuur en ontspanning" en de functieaanduiding "museum" aan de Plantage Centrum 2 in Wouwse Plantage;
- de gronden van het vastgestelde rijksinpassingsplan ‘Zuid-West 380 Kv Oost’ van 12 juli 2022;
- artikel 5.3.2 van de planregels;
- het niet bestemmen van de vergunde teeltondersteunende voorzieningen op het perceel kadastraal bekend als gemeente Wouw, sectie N, perceelnummer 00462;
IV. draagt de raad van de gemeente Roosendaal op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan, dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
V. veroordeelt de raad van de gemeente Roosendaal tot vergoeding:
- van bij TenneT TSO B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- van bij [appellant sub 4A]], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4C] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat het bestuursorgaan bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- van bij [appellante sub 5]. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- van bij Landgoed Wouwse Plantage B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de raad van de gemeente Roosendaal aan:
- de minister voor Klimaat en Energie het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 365,00 vergoedt;
- TenneT TSO B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 365,00 vergoedt;
- [appellant sub 4A]], [appellant sub 4B] en [appellant sub 4C]] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat het bestuursorgaan bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- [appellante sub 5]. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 365,00 vergoedt;
- Landgoed Wouwse Plantage B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 365,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
638-1135
BIJLAGE
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Artikel 3.31
1. Een bestemmingsplan van toepassing op Complex van cultuurhistorisch belang:
1) strekt tot bescherming van de cultuurhistorische waarden van het complex zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart;
2) bepaalt dat alleen de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.
2. In afwijking van het eerste lid is nieuwvestiging van functies mogelijk als is onderbouwd dat dit:
a. bijdraagt aan het behoud of het herstel van het cultuurhistorisch karakter van het complex;
b. past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarin het complex is gelegen.
Artikel 3.32
1. Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel:
a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken;
b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied;
c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.
2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.
Bestemmingsplan "Buitengebied Wouw 2020"
Artikel 1.123 tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
voorzieningen, geen kassen of andere gebouwen zijnde, in, op of boven de grond, die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden te laten plaatsvinden en uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden per jaar, bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolies, acryldoek, lage tunnels, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten, boomteelthekken en regenkappen
Artikel 5.1
De voor ''Agrarisch met waarden - 2'' aangewezen gronden zijn -naast agrarisch grondgebruik- bestemd voor:
[…]
h. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van waarden - aardkundig" tevens behoud en herstel van de aardkundige waarden;
i. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische, natuurlijke en hydrologische waarden en kenmerken;
[…]
Artikel 5.3.2
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.3, onder a, sub 3., teneinde buiten een agrarisch bouwvlak tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen op te kunnen oprichten/ te kunnen plaatsen mits dit niet zal leiden tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. In ieder geval is daarvan sprake indien uit een aerius-berekening blijkt dat de toename van de oppervlakte dierenverblijf, rekening houdend met de maximale bezetting daarvan hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Externe saldering is hierbij niet toegestaan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn noodzakelijk in het kader van de agrarische bedrijfsuitoefening;
b. de hoogte van de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer gedragen dan 4 m.;
c. de maximale oppervlakte aan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen bedraagt 3 ha. per agrarisch bedrijf;
d. de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen dienen voor zover mogelijk aan te sluiten op een agrarisch bouwvlak;
e. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden;
f. dit artikellid is niet van toepassing voor differentiatievlakken, die op de verbeelding de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen uitgesloten" hebben gekregen.
Artikel 5.3.5
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.3, sub a., onder 2., ten behoeve van het realiseren van voerplaten, sleufsilo's en andere voedervoorzieningen -niet zijnde gebouwen- aansluitend op het bouwvlak met de aanduiding 'veehouderij' op voorwaarde dat:
a. het bedrijf vanwege de bedrijfsvoering in overwegende is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
b. dit noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering;
c. dat er geen ruimte is binnen het bouwperceel;
d. dat dit niet mag leiden tot een bouwperceel groter dan 2 ha;
e. dat dit niet is toegestaan in de "overige zone - beperkingen veehouderijen", tenzij het een grondgebonden veehouderij betreft;
f. deze voorzieningen worden gerealiseerd direct aansluitend aan het bouwvlak;
g. de omvang niet meer bedraagt dan 0,5 ha.;
h. er aantoonbaar geen sprake is van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden;
i. verlening van omgevingsvergunning kan uitsluitend plaatsvinden indien wordt bijgedragen aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en dit aantoonbaar is verzekerd.