202200036/1/R4.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Schelluinen, gemeente Molenlanden,
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 november 2021 in zaak nr. 20/6459 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden.
Procesverloop
Bij brief van 15 juli 2020 heeft het college [appellant] bericht niet te zullen ingaan op zijn verzoek om een akoestisch onderzoek en om maatwerkvoorschriften op te leggen aan [partij].
Bij mondelinge uitspraak van 19 november 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 november 2025, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Tordoff, advocaat in Middelburg, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] woont aan de [locatie] in Schelluinen. Zijn woning grenst aan de melkveehouderij van [partij]. [appellant] heeft bij het college meerdere malen aangegeven overlast, hinder en schade te ondervinden van [partij].
2. Op 28 mei 2019 heeft het college de Veelschrijversrichtlijn gemeente Molenlanden 2019 (hierna: Veelschrijversrichtlijn) vastgesteld en van toepassing verklaard op het dossier van [appellant]. De Veelschrijversrichtlijn bevat algemene regels aan de hand waarvan herhaaldelijke berichten, verzoeken en/of klachten binnen zogeheten 'veelschrijversdossiers' beantwoord kunnen worden met een algemene boodschap waarin tot uitdrukking komt dat deze berichten, verzoeken en/of klachten niet verder in behandeling zullen worden genomen.
3. Bij brief van 13 juli 2020 heeft [appellant] het college verzocht om een akoestisch onderzoek te verrichten bij [partij] en deze maatschap maatwerkvoorschriften op te leggen om de overlast te verminderen. In reactie heeft het college in zijn brief van 15 juli 2020 laten weten dat het het verzoek van [appellant] niet inhoudelijk gaat behandelen.
4. Op 8 december 2020 heeft [appellant] beroep ingesteld. Volgens hem weigert het college ten onrechte zijn verzoek te behandelen. In de uitspraak van 19 november 2021 heeft de rechtbank de brief van het college van 15 juli 2020 gekwalificeerd als een weigering om te beslissen op het verzoek van [appellant]. Volgens de rechtbank moest [appellant] eerst bij het college de bezwaarprocedure doorlopen voor hij in beroep kon. De rechtbank heeft het beroepschrift van [appellant] op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aangemerkt als een bezwaarschrift dat het college in behandeling moet nemen en verklaart het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk.
5. Naar aanleiding van de uitspraak van 19 november 2021 zijn twee procedures ontstaan.
6. Enerzijds heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 19 november 2021 waarin de rechtbank het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaart. Dit hoger beroep behandelt de Afdeling in deze procedure.
7. Anderzijds heeft het college het bezwaarschrift van 8 december 2020 in behandeling genomen en op 13 juli 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college verzocht [appellant] om het laten uitvoeren van een akoestisch onderzoek en dit is volgens het college geen verzoek om het nemen van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 28 mei 2025, in zaak nr. 22/443, overwogen dat hoewel het klopt dat een verzoek om het doen van akoestisch onderzoek geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, een verzoek om het vaststellen van maatwerkvoorschriften dit wel is. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] voor zover het ziet op het verzoek om maatwerkvoorschriften vast te stellen gegrond verklaard. Ook heeft de rechtbank het besluit van 13 juli 2022 vernietigd voor zover daarin niet is beslist op het (bezwaar tegen de weigering op het) verzoek om maatwerkvoorschriften vast te stellen en heeft zij het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daarbij heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling van € 1.500,00 aan schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn voor de duur van de totale procedure. Op zitting heeft [appellant] aangegeven geen hoger beroep te hebben ingesteld tegen deze uitspraak. Deze uitspraak is inmiddels in rechte onaantastbaar en ligt hier niet ter beoordeling voor.
Procesbelang
8. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of [appellant] procesbelang heeft bij zijn hoger beroep. Desgevraagd heeft [appellant] op zitting aangevoerd dat hij belang heeft bij het hoger beroep omdat hij een oordeel wil over de deugdelijkheid van de motivering van het college bij het besluit van 15 juli 2020. Ook wijst [appellant] erop dat de redelijke termijn voor de duur van de procedure is overschreden.
8.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
8.2. Het doel van [appellant] is het verkrijgen van een inhoudelijk oordeel over (de behandeling van) zijn verzoek om een akoestisch onderzoek en maatwerkvoorschriften in het besluit van 15 juli 2020. Dit doel kan niet met dit hoger beroep worden bereikt. Aangezien de rechtbank met de uitspraak van 28 mei 2025 al een in rechte onaantastbaar inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de besluitvorming van het college op dit verzoek van [appellant], en zoals hij wil het college heeft opgedragen om alsnog een besluit te nemen op zijn verzoek om maatwerkvoorschriften te stellen. Dat wat [appellant] met zijn hoger beroep feitelijk wil bereiken, namelijk het verkrijgen van een inhoudelijk oordeel, is dus al bereikt. De Afdeling is daarom van oordeel dat [appellant] geen procesbelang heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn hoger beroep. Ook het verzoek om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn levert geen procesbelang op. Op dit verzoek kan namelijk apart worden beslist, wat de Afdeling hierna zal doen.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
9. [appellant] verzoekt om een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn.
9.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
9.2. De redelijke termijn is begonnen met het bezwaarschrift van 8 december 2020. Omdat de rechtbank in de uitspraak van 28 mei 2025 al een schadevergoeding heeft vastgesteld van € 1.500,00 vanwege het overschrijden van de redelijke termijn, begrijpt de Afdeling het verzoek van [appellant] in deze zaak zo dat hij een aanvullende schadevergoeding wenst.
9.3. Het bezwaarschrift van [appellant] is ontvangen op 8 december 2020. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 1 jaar en ruim 1 maand overschreden. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,00. De rechtbank heeft al een schadevergoeding vastgesteld van € 1.500,00. Om die reden heeft [appellant] geen recht op een aanvullende schadevergoeding.
Conclusie
10. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
11. Het verzoek om aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
418-1165