ECLI:NL:RVS:2026:2270

ECLI:NL:RVS:2026:2270

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 202506154/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Tussenuitspraak bestuurlijke lus

Samenvatting

Bij besluit van 14 november 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht onder meer de locatie Van Speijkstraat ter hoogte van nummer 6 in Utrecht aangewezen voor het plaatsen van een bovengrondse container voor groente, fruit en etensresten (gfe-container). Onder meer is de locatie Van Speijkstraat tegenover nummer 6, op de hoek met de M.H. Trompstraat aangewezen (locatie 4.09). De gfe-containers zijn volgens de bij het besluit behorende Beantwoording zienswijzen bedoeld voor bewoners van hoogbouw, appartementen, bovenwoningen en woningen op de begane grond zonder tuin. De betreffende huishoudens hebben nu geen kliko (140 liter), maar maken voor het apart inleveren van het gfe-afval meestal gebruik van een zogenoemde citybin (40 liter). Vanaf de plaatsing van de gfe-containers zullen de citybins niet meer worden geleegd. De gfe-container vervangt dus de citybin. Tuinafval mag en past niet in de gfe-container. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] wonen in de directe nabijheid van locatie 4.09. Zij zijn het niet eens met de plaatsing van een gfe-container op deze locatie.

Uitspraak

202506154/1/R1.

Datum uitspraak: 22 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in Utrecht,

2. [appellant sub 2], wonend in Utrecht,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2025 heeft het college onder meer de locatie Van Speijkstraat ter hoogte van nummer 6 in Utrecht aangewezen voor het plaatsen van een bovengrondse container voor groente, fruit en etensresten (gfe-container).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 maart 2026, waar [appellant sub 1A], bijgestaan door mr. R. Lie-A-Lien, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, [appellant sub 2], en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Rietberg en drs. R.P. Klaasen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Met het besluit van 14 november 2025 heeft het college 22 locaties aangewezen voor het plaatsen van gfe-containers in de Zeeheldenbuurt in Utrecht. Onder meer is de locatie Van Speijkstraat tegenover nummer 6, op de hoek met de M.H. Trompstraat aangewezen (locatie 4.09). De gfe-containers zijn volgens de bij het besluit behorende Beantwoording zienswijzen bedoeld voor bewoners van hoogbouw, appartementen, bovenwoningen en woningen op de begane grond zonder tuin. De betreffende huishoudens hebben nu geen kliko (140 liter), maar maken voor het apart inleveren van het gfe-afval meestal gebruik van een zogenoemde citybin (40 liter). Vanaf de plaatsing van de gfe-containers zullen de citybins niet meer worden geleegd. De gfe-container vervangt dus de citybin. Tuinafval mag en past niet in de gfe-container.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] wonen in de directe nabijheid van locatie 4.09. Zij zijn het niet eens met de plaatsing van een gfe-container op deze locatie.

Beoordelingskader

2. Bij de keuze van een locatie voor afvalcontainers moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de afvalcontainer. Als dat zo is, beoordeelt de Afdeling vervolgens of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

3. Bij het aanwijzen van een locatie hanteert het college de plaatsingsrichtlijnen zoals die zijn neergelegd in de "Beleidsregel Afwegingskader voor het bepalen van een locatie voor inzamelvoorzieningen en aanbiedplaatsen voor minicontainers gemeente Utrecht" van 4 maart 2025 (beleidsregel). In artikel 2 staan de algemene uitgangspunten opgenomen en in artikel 4 staat het kader specifiek voor locaties voor gfe-containers. Deze artikelen zijn opgenomen in de bijlage, die onderdeel is van deze uitspraak.

Beoordeling van de beroepsgronden

4. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat het aanwijzingsbesluit niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Zij hebben hierover aangevoerd dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan en onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze locatie voldoet aan de plaatsingsrichtlijnen in de beleidsregel. Volgens [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] heeft het college bij de keuze van de locatie ten onrechte meer gewicht toegekend aan het belang van een goede spreiding van gfe-containers dan aan de in artikel 4, eerste lid, van de beleidsregel voorgeschreven voorkeursvolgorde voor de plaatsing van een gfe-container.

Zij stellen dat de spreiding moet passen binnen deze voorkeursvolgorde en dat daarvan in dit geval geen sprake is. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben er op gewezen dat er in de buurt van de aangewezen locatie nauwelijks woningen zijn waarvoor de gfe-container volgens het aanwijzingsbesluit is bedoeld. Het college had de locatie dan ook moeten laten vervallen, net zoals het dat om die reden bij andere locaties heeft gedaan. Dat het college zich in plaats daarvan nu in de beroepsprocedure op het standpunt stelt dat de gfe-container ook is bedoeld voor huishoudens met een tuin maar zonder een zogenoemde achterom en ook voor bewoners van studentenhuizen, duidt volgens hen op willekeur en een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. Zij betwisten bovendien dat de gfe-container is bedoeld voor die bredere groep huishoudens en stellen daarnaast dat de door het college in beroep genoemde extra adressen rondom locatie 4.09 niet allemaal tot die bredere groep behoren.

4.1. In het verweerschrift heeft het college toegelicht dat rekening wordt gehouden met 60 tot 80 huishoudens per gfe-container. Verder heeft het college toegelicht dat het bij het aanwijzen van locaties streeft naar een goede spreiding over de wijk, zodat de loopafstand voor de beoogde gebruikers van de containers niet al te groot is. Daarbij is het doel om de gfe-containers te plaatsen in de nabijheid van de woningen waarvoor ze bedoeld zijn. Volgens het college zijn er in de buurt van locatie 4.09 meerdere woningen die gebruik moeten maken van de gfe-container. Het college heeft in beroep een kaart overgelegd waarop de aangewezen locaties in de wijk zijn ingetekend evenals de woonvlakken met meerdere woningen die volgens het college niet over een kliko beschikken en voor de inzameling van gfe dus zijn aangewezen op de gfe-container. Het college heeft in het verweerschrift aan de hand van deze kaart toegelicht dat er bij de grotere wooncomplexen aan de M.A. de Ruyterstraat, Bleyenburgstraat en F.C. Donderstraat drie locaties zijn aangewezen. In het daartussen liggende gebied bevinden zich ook bovenwoningen en woningen waar een kliko niet of moeilijk te plaatsen is. Dit gebied zal worden gedekt door de aangewezen locatie 4.09 samen met locatie 4.10 op de hoek Van Brakelstraat/Admiraal van Gentstraat. Omdat dit zorgt voor een goede spreiding in de wijk kon locatie 4.24 op de hoek Van Brakelstraat/M.H. Trompstraat vervallen. Het college acht het gelet op het algemene uitgangspunt van een goede spreiding uit artikel 2, tweede lid, van de beleidsregel aanvaardbaar en evenwichtig dat in dit gebied, met een grote spreiding van te bedienen woningen, niet voor alle woningen is voldaan aan de in artikel 4, eerste lid, onder a en b, van de beleidsregel vermelde voorkeursvolgorde.

4.2. Naar het oordeel van de Afdeling biedt de beleidsregel geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er een dwingende rangorde is tussen de toe te passen plaatsingsrichtlijnen, zoals [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen. Bij de keuze voor een locatie zal het college zowel het belang van een goede spreiding van inzamelvoorzieningen in de wijk als de voorkeursvolgorde voor locaties voor gfe-containers in de beoordeling moeten betrekken. In de toelichting van de beleidsregel is vermeld dat het college tot de meest optimale of meest aanvaardbare oplossing besluit als niet gelijktijdig aan alle richtlijnen kan worden voldaan.

4.3. De Afdeling stelt vast dat in het aanwijzingsbesluit en de daaraan ten grondslag liggende Beantwoording zienswijzen staat dat de voorziene gfe-containers alleen bedoeld zijn voor bewoners van hoogbouw, appartementen, bovenwoningen en woningen op de begane grond zonder tuin. Het aantal te plaatsen gfe-containers in de wijk is daarop afgestemd.

In de Beantwoording zienswijzen heeft het college toegelicht dat de locaties voor gfe-containers zijn bepaald aan de hand van de daarvoor in artikel 4 van de beleidsregel voorgeschreven voorkeursvolgorde en dat gfe-containers zo dicht mogelijk bij de ingang van hoogbouw, appartementen of bovenwoningen worden geplaatst. Naar het oordeel van de Afdeling volgt hieruit dat het aantal huishoudens dat gebruik gaat maken van de gfe-container mede bepalend is geweest voor de keuze van een locatie. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben de stelling van het college dat er rondom locatie 4.09 meerdere woningen zijn waarvoor de gfe-container volgens het aanwijzingsbesluit is bedoeld, gemotiveerd betwist. Zij hebben op de zitting een nadere toelichting gegeven over het type woningen in de op de kaart ingetekende groene woonvlakken. Daarmee hebben zij twijfel gezaaid over de deugdelijkheid en juistheid van het aan het besluit ten grondslag liggende onderzoek en de daarop gebaseerde conclusie dat er dichtbij bij de locatie meerdere woningen zijn waarvoor de gfe-container op de aangewezen locatie volgens het aanwijzingsbesluit is bedoeld. Omdat het college die twijfel op de zitting niet weg heeft kunnen nemen, is onduidelijk gebleven of het college bij de toetsing van de locatie aan de plaatsingsrichtlijnen van de juiste gegevens is uitgegaan. Aangezien het college in de zienswijzefase andere locaties heeft laten vervallen omdat er bij die locaties niet voldoende hoogbouw of bovenwoningen zijn en gfe-containers op die locaties uit een oogpunt van een evenwichtige spreiding van gfe-containers in de wijk volgens het college niet nodig zijn, heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd waarom locatie 4.09 in overeenstemming is met de plaatsingsrichtlijnen.

4.4. Het college heeft zich na het nemen van het aanwijzingsbesluit op het standpunt gesteld dat de voorziene gfe-container niet alleen is bedoeld voor de in het besluit vermelde type woningen, maar ook voor woningen met een tuin zonder achterom en voor studentenhuizen. De studenten worden daarbij ieder als een afzonderlijk huishouden aangemerkt. Daarvan uitgaande, heeft nader onderzoek in de omgeving van de locatie uitgewezen dat er in de buurt van de locatie voldoende woningen zijn waarvoor de gfe-container is bedoeld, aldus het college.

Nog daargelaten dat het college dit niet aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, heeft het college het motiveringsgebrek met deze aanvulling niet hersteld. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] hebben gemotiveerd betwist dat de huishoudens van de betreffende extra genoemde woningen en studentenhuizen gebruik gaan maken van de voorziene gfe-container. Zij hebben onweersproken toegelicht dat in de Zeeheldenbuurt de meeste woningen met een tuin geen achterom hebben en dat de bewoners daarvan gebruik maken van een kliko. Ook de bewoners van de op de kaart geel omcirkelde studentenhuizen maken gebruik van een kliko. In het licht van het aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag liggende uitgangspunt dat de gfe-container de citybin vervangt en er voor woningen met een kliko niets verandert, heeft het college niet duidelijk kunnen maken waarom ook woningen met tuin zonder achterom en studentenhuizen gebruik zullen maken van de voorziene gfe-container.

Het betoog slaagt.

5. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen verder dat het college bij de aanwijzing van de locatie onvoldoende rekening heeft gehouden met de locatie-specifieke omstandigheden. Zij wijzen er op dat een gfe-container op deze plek, dichtbij het gemeentelijk monument aan de M.H. Trompstraat 7 en een meer dan 100 jaar oude magnolia, zowel het straatbeeld en het beschermd stadsgezicht als de monumentale waarden van het pand aan M.H. Trompstraat 7 zal aantasten. Ook zal een gfe-container op deze locatie afbreuk doen aan de recreatieve functie van deze plek bij een tuintje met bankje. De stank van de gfe-container en het afval dat mensen naast de container zullen plaatsen, zullen tot overlast leiden. Daardoor zal het perkje met bankje minder aantrekkelijk worden om te gebruiken, aldus [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2]. Dat het bijplaatsen van afval in Utrecht al een groot probleem is, blijkt volgens hen ook uit de overgelegde foto’s van containers in de Zeeheldenbuurt.

5.1. Niet in geschil is dat de locatie voldoet aan de verschillende afstandseisen uit de plaatsingsrichtlijnen in de beleidsregel. De locatie van de gfe-container is door de zogenoemde commissie BInG, een groep deskundigen vanuit verschillende ambtelijke afdelingen die veranderingen in de openbare ruimte van Utrecht toetsen, beoordeeld op de ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing. De commissie BInG heeft geen bezwaar tegen locatie 4.09. Verder volgt uit de door de Boom Inspecteurs uitgevoerde Boom Effect Analyse van 12 december 2025 dat de plaatsing van de container slechts zeer beperkte invloed zal hebben op de boom direct naast de locatie en dat de gfe-container geen negatieve effecten zal hebben voor de magnolia in de tuin van M.H. Trompstraat 7.

Over de ligging van de locatie binnen beschermd stadsgezicht heeft het college verder toegelicht dat het gebied waarin de locatie is voorzien geen beschermd stadsgezicht is. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat afvalcontainers tegenwoordig een normaal onderdeel van het straatbeeld vormen in Utrecht en dat de voorziene gfe-container in dit geval ook geen afbreuk zal doen aan de monumentale villa aan M.H. Trompstraat 7. De container komt namelijk op 5 m afstand van de erfafscheiding en op nog grotere afstand van de gevel van de villa.

Het college verwacht verder niet dat de recreatieve functie van het perkje met bankje onaanvaardbaar zal worden aangetast als gevolg van stank en van afval dat naast de container zal worden geplaatst. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat de gfe-container minimaal één keer per week zal worden geleegd. Door de ingebouwde vulgraadsensor is een goede monitoring mogelijk, zodat de gfe-container tijdig geleegd zal worden. Daarnaast zal de container een paar keer per jaar van binnen en van buiten worden schoongemaakt. Als er desondanks toch sprake is van stank, kan de container op aanvraag vaker worden schoongemaakt. Ratten en muizen hebben volgens het college geen toegang tot het afval in de container, omdat de container is afgesloten en de kieren zo smal mogelijk zijn gemaakt. Wat betreft de stelling dat afval naast de container zal worden geplaatst, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat dit geen reden is om de container niet te plaatsen. Als er afval naast de container ligt, wordt het zo snel mogelijk opgeruimd.

Uit het voorgaande volgt dat het college de locatie-specifieke situatie in de beoordeling van de geschiktheid van locatie 4.09 heeft betrokken. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de toetsing van de locatie door de commissie BInG niet deugt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college verder voldoende gemotiveerd dat de plaatsing van een gfe-container op de voorziene locatie geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het straatbeeld en de monumentale villa aan de M.H. Trompstraat 7. In de geuite vrees voor stankhinder bij gebruikmaking van het bankje bij het perkje heeft het college, gelet op zijn toelichting op dit punt, ook geen belemmering voor aanwijzing van de locatie hoeven zien. Dat geldt ook voor de vrees voor hinder van zwerfafval. Het tegengaan van bijplaatsen van afval bij de container is namelijk een kwestie van handhaving. De Afdeling verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4327, onder 5.

Dit betoog slaagt niet.

Alternatieve locaties

6. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen verder dat het college de locatie niet mocht aanwijzen omdat er geschiktere alternatieven zijn. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wijzen in dit verband op de bestaande ORAC-locatie aan de Poortstraat. [appellant sub 2] stelt ook dat bestaande ORAC-locaties geschikter zijn, net als de niet onderzochte locatie aan de Admiraal van Gentsraat tegenover nummer 2.

6.1. Het college heeft over de bestaande ORAC-locaties waaronder die aan de Poortstraat toegelicht dat deze te ver verwijderd zijn van de woningen waarvoor de gfe-container is bedoeld. Omdat de aangedragen alternatieve locatie aan de Admiraal van Gentstraat 2 aan de rand van het tussenliggende gebied en dus niet centraal van de woningen ligt, is ook deze volgens het college minder geschikt.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich met deze motivering op het standpunt mogen stellen dat deze alternatieve locaties niet geschikter zijn voor plaatsing van de gfe-container dan locatie 4.09 en dus niet in de weg staan aan de aanwijzing van de locatie.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7. De conclusie is dat het besluit van 14 november 2025, voor zover dat betrekking heeft op de aanwijzing van locatie 4.09, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd en niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college opdragen om het onder 4.3 geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak. Het college kan dit doen door, met inachtneming van wat onder 4.3 is overwogen, na te gaan hoeveel woningen er in de buurt van de locatie 4.09 zijn waarvoor de gfe-container volgens het aanwijzingsbesluit is bedoeld. Het college moet vervolgens toereikend motiveren dat deze locatie, in het licht van de in artikel 2 en 4 van de beleidsregel opgenomen richtlijnen over een goede spreiding en de te hanteren voorkeursvolgorde, aanvaardbaar is en het besluit daarom in stand kan blijven, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit nemen. In die motivering moet het college ook de vervallen locatie op de hoek Van Brakelstraat/M.H. Trompstraat betrekken, aangezien het vervallen van die locatie samenhangt met de aanwijzing van locatie 4.09.

Het college moet de Afdeling, [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] de uitkomst schriftelijk meedelen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Bij de voorbereiding van een eventueel gewijzigd of nieuw besluit hoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast.

8. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin onder 4.3 is overwogen:

a. het onder 4.3 omschreven gebrek in het besluit van 14 november 2025 te herstellen;

b. de Afdeling en partijen de uitkomst mee te delen en een eventueel nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Van Ravels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Deen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026

604

BIJLAGE

Beleidsregel Afwegingskader voor het bepalen van een locatie voor inzamelvoorzieningen en aanbiedplaatsen voor

minicontainers gemeente Utrecht

Artikel 2 Algemene uitgangspunten

1. Er wordt gestreefd naar een voldoende dekkend netwerk van inzamelvoorzieningen.

2. Er wordt gestreefd naar een goede spreiding van de inzamelvoorzieningen.

3. De locatie moet zoveel mogelijk voldoen aan de richtlijnen van verschillende beleidsvelden, genoemd in het Handboek Openbare Ruimte (HOR).

a. Afwijkingen op het HOR kunnen aan de commissie BInG voorgelegd worden en, wanneer goed gemotiveerd, goedkeuring krijgen.

4. Er wordt gestreefd de richtlijn "Voetpaden voor iedereen" van Stichting Bouw Advies Toegankelijkheid (BAT) zoveel mogelijk te volgen bij het plaatsen van de inzamelvoorzieningen;

5. Bij het aanwijzen van locaties krijgt het algemeen belang voorrang op het individuele belang.

6. De inzamelvoorziening of aanbiedplaats is zonder belemmeringen bereikbaar voor inzamelvoertuigen;

7. Het inzamelvoertuig hoeft bij voorkeur niet achteruit te rijden om de inzamelvoorziening of aanbiedplaats te bereiken

8. Er wordt rekening gehouden met beperkingen en obstakels in de onder- en bovengrond

[…].

Artikel 4 Kader met betrekking tot locaties voor gfe containers

1. De locaties voor plaatsing van gfe containers in volgorde van voorkeur, zijn:

a. zo dicht mogelijk bij woningen of de ingang van een wooncomplex;

b. tussen een bestaande (gedeeltelijk) ondergrondse container voor restafval en de woning dan wel ingang van een wooncomplex;

c. naast een bestaande (gedeeltelijk) ondergrondse container.

2. De afstand van de gfe container tot de erfgrens bedraagt minimaal 2 meter, gemeten vanuit het hart van de gfe container.

3. De afstand van de gfe container tot de gevel bedraagt minimaal 3 meter, gemeten vanuit het hart van de gfe container.

4. In afwijking van de afstand genoemd in artikel 4 lid 3, bedraagt de afstand van de gfe container tot de gevel minimaal 2 meter, gemeten vanuit het hart van de gfe container, indien er sprake is van een blinde gevel.

5. Er moet voldoende ruimte zijn om de minicontainer uit de behuizing te halen en naar het inzamelvoertuig te rollen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?