202403327/3/R3.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1] en anderen (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend in Damwâld, gemeente Dantumadiel,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend in Damwâld, gemeente Dantumadiel,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Dantumadiel,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4537, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 12 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 26 maart 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Damwâld - Woningen Camstrastrjitte" te herstellen.
Bij besluit van 9 december 2025 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Damwâld- Woningen Camstrastrjitte" opnieuw en gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit).
[appellanten sub 2] hebben hierover een zienswijze naar voren gebracht.
De raad en [appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Tussenuitspraak
1. Het plan waarover de Afdeling tussenuitspraak heeft gedaan, voorziet in de ontwikkeling van zes woningen op een deel van een bestaande groenstrook op de hoek van de Ald Mear met de Camstrastrjitte in Damwâld.
2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 5.4 overwogen dat het besluit van 26 maart 2024 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, omdat niet kon worden vastgesteld of op de zienswijze van [appellant sub 1] was gereageerd. Onder 7.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling verder overwogen dat, omdat de raad de op de gronden van het plangebied gevestigde erfdienstbaarheid niet heeft betrokken bij de voorbereiding op het plan, het plan ook om die reden niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
3. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil heeft de Afdeling in de tussenuitspraak aanleiding gezien om de raad op grond van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op te dragen om de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken te herstellen.
Tussenconclusie
4. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, zijn de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] tegen het besluit van 26 maart 2024 gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd.
Het herstelbesluit van 9 december 2025
5. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 9 december 2025 het bestemmingsplan "Damwâld- Woningen Camstrastrjitte" opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Het herstelbesluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, geacht onderwerp te zijn van dit geding. Dit betekent dat van rechtswege een beroep van [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] tegen dit besluit is ontstaan.
6. De raad heeft met het herstelbesluit het bij het bestemmingsplan gevoegde beplantingsplan, waarvan de uitvoering en instandhouding als voorwaardelijke verplichting is verbonden aan het gebruik van de gronden van het plangebied, gewijzigd. In dat beplantingsplan is met het herstelbesluit aan de noordzijde van het plangebied voorzien in een alternatief tracé vanaf de Ald Maer richting onder meer het perceel van [appellanten sub 2], ten behoeve van hun erfdienstbaarheid.
Het beroep van rechtswege van [appellant sub 1]
7. [appellant sub 1] heeft naar aanleiding van het herstelbesluit geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant sub 1] geen bezwaren heeft tegen het herstelbesluit van 9 december 2025.
8. Het beroep van [appellant sub 1] gericht tegen het herstelbesluit is ongegrond.
Het beroep van rechtswege van [appellanten sub 2]
9. [appellanten sub 2] betogen dat de plantoelichting onjuist en onduidelijk is. Daarover voeren zij aan dat in paragraaf 6.1 van de plantoelichting staat dat de mogelijkheid om aan de noordzijde van het plangebied een sloot aan te leggen zal worden toegevoegd, terwijl in een telefoongesprek met een gemeenteambtenaar aan [appellanten sub 2] is medegedeeld dat die sloot zal worden gegraven. Volgens hen moet in de plantoelichting duidelijk worden gemaakt wat er gaat gebeuren. Daarnaast staat in paragraaf 6.1 van de plantoelichting dat de erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van drie percelen, terwijl het gaat om vijf percelen. Dat moet volgens [appellanten sub 2] worden aangepast.
[appellanten sub 2] betogen verder dat het niet duidelijk is of hun erfdienstbaarheid in het plan voldoende is geborgd. In dat kader voeren zij aan dat op het beplantingsplan, dat als bijlage 2 bij de regels zit, aan de noordzijde van het plangebied een sloot is te zien. Volgens hen is niet duidelijk welke invloed die sloot heeft op hun erfdienstbaarheid. Daarnaast brengen [appellanten sub 2] naar voren dat de breedte van het in het beplantingsplan geborgde tracé ten onrechte maar 3 m is, terwijl dat 4 m zou moeten zijn. Het beplantingsplan dient volgens hen op dat punt te worden aangepast.
9.1. Artikel 7.1 van de planregels luidt:
"Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:
a. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken ter plaatse van de bestemmingen 'Tuin' en 'Wonen' zonder de aanleg en instandhouding van de beplantingsmaatregelen en de ontsluitingsmaatregelen ten behoeve van erfdienstbaarheid conform het in Bijlage 2 opgenomen beplantingsplan teneinde te komen tot een goede inpassing;
[…]."
9.2. Over het betoog van [appellanten sub 2] dat de plantoelichting een onjuiste weergave van de erfdienstbaarheid bevat en daarin niet staat of aan de noordzijde van het plangebied een sloot wordt aangelegd, overweegt de Afdeling dat aan die plantoelichting geen juridische betekenis toekomt. De plantoelichting is immers geen bindend deel van het bestemmingsplan.
In zoverre slaagt het betoog niet.
9.3. Wat betreft het betoog van [appellanten sub 2] dat het beplantingsplan een sloot bevat waaruit volgt dat die zal worden aangelegd, en niet duidelijk is wat de gevolgen daarvan op de erfdienstbaarheid zijn, volgt de Afdeling dit niet. Gelet op artikel 7.1, aanhef en onder a, van de planregels dienen de beplantings- en ontsluitingsmaatregelen zoals die zijn opgenomen in het beplantingsplan aangelegd en in stand gehouden te worden. De aanleg van een sloot kwalificeert niet als beplantings- of ontsluitingsmaatregel, zodat het plan niet verplicht tot de aanleg van de sloot. Bovendien wordt de sloot, anders dan de te planten bomen en te realiseren watercompensatie, niet in de legenda bij het beplantingsplan genoemd. Nu het plan, gelet op de tekst van artikel 7.1, aanhef en onder a, van de planregels en de vermelding van het tracé op het beplantingsplan, de ontsluitingsmaatregelen ten behoeve van de erfdienstbaarheid wel verplicht, zal een mogelijk aan te leggen sloot daar geen afbreuk aan kunnen doen.
In zoverre slaagt het betoog niet.
9.4. Over het betoog dat onduidelijk is of de erfdienstbaarheid voldoende geborgd is, mede gelet op de breedte van het aan te leggen tracé, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt vast dat het beplantingsplan, dat op grond van artikel 7.1 van de planregels moet worden aangelegd en in stand gehouden, zoals dat is gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl, afwijkt van het beplantingsplan dat bij het vaststellingsbesluit is gevoegd. Op het beplantingsplan op ruimtelijkplannen.nl staat dat het alternatieve tracé dat ten behoeve van de erfdienstbaarheid aangelegd en in stand gehouden moet worden, een breedte van 4 m heeft. Op het beplantingsplan dat bij het vaststellingsbesluit is gevoegd, heeft dat alternatieve tracé een breedte van 3 m. De raad heeft desgevraagd bij brief van 24 februari 2026 toegelicht dat per abuis niet het juiste beplantingsplan bij het raadsvoorstel, en dus het vaststellingsbesluit, is gevoegd. In die brief licht de raad toe dat het beplantingsplan dat digitaal op ruimtelijkeplannen.nl beschikbaar is gesteld correct is.
Gelet op het voorgaande wijkt de door de raad beoogde planregeling die gepubliceerd is op ruimtelijkplannen.nl af van het plan zoals de raad dat blijkens het herstelbesluit heeft vastgesteld. Dat betekent dat onvoldoende duidelijk is hoe de erfdienstbaarheid in het plan is geborgd. Het herstelbesluit en het plan, in onderlinge samenhang bezien, zijn daarom in zoverre in strijd met de rechtszekerheid.
In zoverre slaagt het betoog.
9.5. De Afdeling ziet in het kader van de finale geschilbeslechting aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad. De Afdeling zal in dat kader wat betreft dit gebrek zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het beplantingsplan bij de planregeling dat door de raad is beoogd vast te stellen, en dat is gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl, geldt. Aangezien de breedte van het alternatieve tracé daardoor 4 m dient te bedragen wordt daarmee aan het betoog van [appellanten sub 2] dat het tracé te smal is tegemoetgekomen.
10. Gelet op overweging 9.4 zijn het herstelbesluit en het plan in onderlinge samenhang bezien, voor zover het gaat om het als bijlage 2 bij de planregels gevoegde beplantingsplan, in strijd met de rechtszekerheid.
Het beroep van [appellanten sub 2] tegen het herstelbesluit is gegrond, zodat het besluit in zoverre moet worden vernietigd.
11. Omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden hierdoor in hun belangen zijn geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, door te bepalen dat deze uitspraak voor wat betreft bijlage 2 bij de planregels, zoals hierna wordt weergegeven, in de plaats treedt van het herstelbesluit, voor zover dit wordt vernietigd.
Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad bij brief van 24 februari 2026 heeft toegelicht dat hij heeft beoogd bijlage 2 bij de planregels, zoals gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl, vast te stellen. Daarnaast heeft het aan te leggen tracé daarmee de door [appellanten sub 2] gewenste breedte.
Proceskosten
12. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Dantumadiel van 26 maart 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Damwâld - Woningen Camstrastrjitte" gegrond;
II. vernietigt dat besluit;
III. verklaart het beroep van [appellant sub 1], [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Dantumadiel van 9 december 2025 tot het opnieuw en gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan "Damwâld - Woningen Camstrastrjitte" ongegrond;
IV. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Dantumadiel van 9 december 2025 tot het opnieuw en gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan "Damwâld- Woningen Camstrastrjitte" gegrond;
V. vernietigt het besluit van 9 december 2025 van de raad van de gemeente Dantumadiel tot het opnieuw en gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan "Damwâld - Woningen Camstrastrjitte" voor zover het ziet op het als bijlage 2 bij de regels gevoegde beplantingsplan;
VI. bepaalt dat het beplantingsplan dat als bijlage bij deze uitspraak is gevoegd, waarop het aan te leggen tracé een breedte van 4 m heeft, als bijlage 2 bij de planregels bij het vaststellingsbesluit geldt;
VII. bepaalt dat onderdeel VI. van deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 9 december 2025, voor zover dit is vernietigd;
VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Dantumadiel tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 73,63, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IX. gelast dat de raad van de gemeente Dantumadiel aan [appellant sub 1], [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
X. gelast dat de raad van de gemeente Dantumadiel aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
884-1157
BIJLAGE