202501770/1/V6.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2025 in zaak nr. 24/6640 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Werk en Participatie (de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2024 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een aanvraag van [appellant] om ontheffing van de inburgeringsplicht afgewezen.
Bij besluit van 27 mei 2024 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.A.A. Moeijes, advocaat in Velsen-Zuid, is verschenen. De minister, vertegenwoordigd door mr. F. Hummel-Fekkes, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Als tolk trad op M. Ajouaou.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is een 47-jarige vrouw uit Marokko. Zij heeft wegens haar medische en psychische problematiek om ontheffing van de inburgeringsplicht gevraagd. [appellant] heeft psychische klachten, waardoor zij niet tegen druk, stress, spanning en lawaai kan. [appellant] heeft daarnaast een verminderd concentratievermogen en kan niet goed slapen. De minister heeft de aanvraag van [appellant] afgewezen, omdat zij volgens het medisch advies van Argonaut van 20 december 2023 (het medisch advies) niet uitbehandeld is voor haar psychische klachten.
2. De toepasselijke regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Op dit geding is de Wet inburgering (Wi) van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2022.
Oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om [appellant] te ontheffen van de inburgeringsplicht. Het is aan [appellant] om aan te tonen dat zij blijvend niet in staat is om het inburgeringsexamen te behalen en volgens de rechtbank is zij hierin niet geslaagd. Uit het medisch advies volgt namelijk dat er voor [appellant] behandelingsmogelijkheden voor haar klachten onbenut gebleven zijn. Daardoor is Argonaut tot de conclusie gekomen dat niet gesteld kan worden dat zij blijvend niet in staat is om binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. Er bestaan volgens de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van het medisch advies. Volgens de rechtbank slaagt [appellant]’s betoog niet dat het voor haar praktisch onmogelijk is om behandeld te worden.
Deskundigenadvies
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de inhoud van het medisch advies. De conclusie van het medisch advies vloeit volgens haar namelijk niet voort uit de bevindingen. Ook is het medisch advies in strijd met de Regeling inburgering en het Protocol medische advisering 2014 (het protocol). Daarnaast is in het medisch advies volgens [appellant] geen rekening gehouden met de praktische onmogelijkheid voor haar om behandeld te worden.
4.1. Een bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.
4.2. De Afdeling is het met de rechtbank eens dat de minister mocht afgaan op het medisch advies. Het medisch advies is namelijk zorgvuldig tot stand gekomen, de redenering daarin is begrijpelijk en de getrokken conclusies sluiten daarop aan. Uit het medisch advies volgt weliswaar dat [appellant] mentale klachten heeft die haar leervermogen negatief beïnvloeden. Maar Argonaut concludeert ook dat er behandelingsmogelijkheden onbenut zijn gebleven, waardoor zij [appellant] in staat acht binnen een termijn van vijf jaar aan haar inburgeringsplicht te voldoen.
4.3. Anders dan [appellant] aanvoert, is het niet aan Argonaut om aan te tonen dat zij binnen vijf jaar in staat zal zijn om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Het is namelijk aan [appellant] om aan te tonen dat zij door bijvoorbeeld een psychische belemmering blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Dit volgt uit artikel 6 van de Wi. Dat er andere, niet medische, redenen kunnen zijn waarom [appellant] niet in staat is om het inburgeringsexamen te behalen, zoals [appellant]’s gestelde analfabetisme, is geen onderdeel van de beoordeling die de minister in dit kader moet verrichten.
4.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant]’s betoog dat zij geen behandelingsmogelijkheden heeft, niet slaagt. [appellant] heeft dit namelijk niet aangetoond met de stukken die zij in beroep heeft overgelegd. In hoger beroep heeft [appellant] nadere stukken over haar medische geschiedenis overgelegd. Het gaat daarbij om passages uit een medisch journaal van [appellant]’s huisarts. Uit deze stukken blijkt dat er wachttijden zijn voor een medische behandeling voor [appellant]. Echter volgt niet uit de stukken dat de wachttijden zo lang zijn dat het voor [appellant] onmogelijk is om zich te laten behandelen. Op zitting heeft [appellant] bevestigd dat zij niet is ingeschreven op een wachtlijst van een behandelaar. [appellant] voert aan dat er geen behandelingsmogelijkheden voor haar in het Berbers beschikbaar zijn, maar uit de door haar overgelegde stukken volgt dat deze mogelijkheden wel bestaan. De Afdeling komt tot het oordeel dat [appellant] ook met de stukken in hoger beroep niet heeft aangetoond dat er geen behandelingsmogelijkheden voor haar zijn.
4.5. De Afdeling komt daarnaast tot het oordeel dat het advies niet in strijd is met de Regeling inburgering en het protocol. Het protocol bevat kaders en uitgangspunten voor de medische advisering bij aanvragen om ontheffing van het inburgeringsexamen. Uit het protocol volgt onder meer dat in sommige gevallen behandeling en/of hulpmiddelen nodig zijn om een verbetering van de medische klachten te bewerkstelligen. De medisch adviseur mag daarbij alleen algemeen gebruikelijke behandelingen in zijn advies opnemen. De medisch adviseur mag dus geen buitensporige inspanning van de betrokkene verwachten en moet medicalisering zoveel mogelijk vermijden. Argonaut heeft in het medisch advies geen specifieke medische behandeling voorgeschreven. Uit het medisch advies volgt namelijk alleen dat er nog behandelingsmogelijkheden voor [appellant]’s psychische klachten open staan. [appellant] verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 26 januari 2012, ECLI:NL:RBALK:2012:BV7977. In die uitspraak ging het om een medisch advies waarin specifieke behandelingssuggesties aan de betrokkene zijn gedaan. Die situatie doet zich hier niet voor.
4.6. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
5. [appellant] betoogt dat de minister haar in bezwaar had moeten horen. De minister mag alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt. Anders dan [appellant] betoogt, volgt uit het besluit van 27 mei 2024 dat de minister [appellant] om deze reden niet heeft gehoord. Gelet op wat [appellant] aan haar bezwaar ten grondslag heeft gelegd was er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat de bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit. Het betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen, faalt.
5.1. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Evenredigheid
6. [appellant] betoogt ten slotte dat het besluit van 27 mei 2024 onevenredige gevolgen heeft voor haar. Zij ervaart veel stress, omdat zij door dit besluit risico loopt op boetes en haar verblijfsvergunning ingetrokken kan worden wanneer zij het inburgeringsexamen niet haalt.
6.1. Zoals de grote kamer van de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, onder 9.10, staat het toetsingsverbod er bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan in de weg dat de bestuursrechter een bepaling uit een wet in formele zin toetst aan algemene rechtsbeginselen en ander ongeschreven recht. Omdat de minister het besluit van 27 mei 2024 heeft genomen op basis van een gebonden bevoegdheid in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wi, een wet in formele zin, kan de bestuursrechter het besluit niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel opgenomen in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. In de bovengenoemde uitspraak heeft de Afdeling uiteengezet dat aanleiding kan bestaan voor een zogenoemde contra-legem toepassing van algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht. Dat is het geval als zich bijzondere omstandigheden voordoen, die de wetgever niet of niet ten volle heeft verdisconteerd in zijn afweging en door deze bijzondere omstandigheden het toepassen van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht dat toepassing hiervan achterwege moet blijven. De omstandigheden die [appellant] heeft aangevoerd, zijn niet zo bijzonder dat er aanleiding bestaat voor een contra-legem toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Bovendien gaat het om onzekere toekomstige omstandigheden.
6.2. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Ruijter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
887-1196
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
[…]
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,
[…]
Wet inburgering (zoals deze wet gold ten tijde van de besluitvorming)
Artikel 6
1. Onze Minister ontheft de inburgeringsplichtige van de inburgeringsplicht, indien de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen.
[…]
Protocol medische advisering 2014 in Bijlage 4 Regeling inburgering
2.2. Algemeen
Dit medisch protocol bevat ten behoeve van de medisch adviseur aanwijzingen, richtlijnen en feiten om door middel van anamnese en lichamelijk onderzoek tot een goed oordeel en een onderbouwd advies te komen in het kader van een aanvraag voor ontheffing van het inburgeringsexamen.
De medisch adviseur kan al dan niet tot de overtuiging komen dat betrokkene op grond van medische stoornissen en daaruit voortvloeiende beperkingen niet in staat is het gehele inburgeringsexamen, binnen vijf jaar, ondanks de bijzondere examenomstandigheden (succesvol) te behalen
[…]
Naast het protocol gelden uiteraard de gedragsregels van artsen zoals die door de KNMG zijn vastgesteld en tevens de in de medische adviespraktijk gangbare inzichten (indicerende en adviserende artsen, verzekeringsartsen). Zo zal het onderzoek door de medisch adviseur op een voor betrokkene zo min mogelijk belastende wijze plaatsvinden. Lichamelijk onderzoek zal achterwege kunnen blijven indien de medisch adviseur op grond van de anamnese voldoende overtuiging voor zijn oordeel heeft verkregen. Bovendien zal reeds beschikbare informatie van de behandelsector in de overwegingen worden betrokken en kan indien nodig en met gerichte toestemming van betrokkene nadere informatie bij de behandelaar worden ingewonnen. De medisch adviseur zal (verdere) medicalisering zoveel mogelijk vermijden.
[…]
2.5 Weging en beoordeling
Beoordelingsnormen
Naast aandoeningen die blijvend van aard zijn, zijn er aandoeningen die tijdelijk zijn. Het is hierbij van belang om vast te stellen op welke termijn een dermate verbetering zal optreden waarna iemand wel in staat is het
inburgeringsexamen te behalen. In sommige gevallen zullen behandeling en/of hulpmiddelen nodig zijn om een verbetering te bewerkstelligen. Hierbij wordt alleen uitgegaan van algemeen gebruikelijke behandelingen en/of hulpmiddelen. Er mag niet van betrokkene verwacht worden dat hij buitensporige inspanningen zal verrichten ten aanzien van de (medische) behandeling.
[…]