202505178/1/V6.
Datum uitspraak: 22 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 augustus 2025 in zaak nr. 24/5251 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (het verzoek) afgewezen.
Bij besluit van 12 april 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 augustus 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. N.C. Blomjous, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. Laros, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] stelt afkomstig te zijn uit Guinee en geboren te zijn op [geboortedatum] 1984 in [plaats], Guinee. [appellant] heeft sinds 2007 een verblijfsvergunning regulier op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet. Op 7 januari 2022 heeft [appellant] het verzoek ingediend. Ter staving van zijn identiteit en nationaliteit heeft hij een consulaire identiteitskaart overgelegd, afgegeven op 17 juni 2016 door de Guinese ambassade in Brussel, en een Guinees paspoort, afgegeven op 29 augustus 2016 door de Guinese ambassade. Verder heeft hij een uittreksel uit het geboorteregister van Guinee met een kopie van een ‘Jugement supplétif’ (een rechterlijke beslissing ter vervanging van een geboorteakte) overgelegd, afgegeven op 29 december 2016.
1.1. De minister heeft het verzoek van [appellant] afgewezen, omdat hij twijfelt aan zijn identiteit en nationaliteit. Deze twijfel heeft de minister gebaseerd op het rapport leeftijdsonderzoek van 20 september 2001 (het leeftijdsonderzoek), opgesteld in het kader van een eerdere door [appellant] gevoerde asielprocedure. Hieruit volgt dat [appellant] ten tijde van zijn asielaanvraag van 16 mei 2000 meerderjarig moet zijn geweest en niet minderjarig zoals hij stelde. Volgens de minister nemen de door [appellant] overgelegde documenten de twijfels over zijn identiteit en nationaliteit niet weg, ondanks dat Bureau Documenten deze documenten in de verklaring van onderzoek van 13 februari 2024 echt heeft bevonden. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat voorafgaand aan de afgifte van de documenten geen deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden.
Oordeel van rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er gerede twijfel bestaat over de door [appellant] gestelde identiteit, gelet op het leeftijdsonderzoek. [appellant] heeft volgens de rechtbank de twijfel niet weggenomen met de door hem overgelegde documenten. Hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat [appellant] ter zitting heeft toegelicht dat hij de consulaire identiteitskaart heeft verkregen op basis van zijn eigen verklaringen en een taaltest. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat de autoriteiten van Guinee de door [appellant] opgegeven geboortedatum hebben geverifieerd. De consulaire identiteitskaart heeft vervolgens ten grondslag gelegen aan de aanvraag van het paspoort. Bij die aanvraag heeft [appellant] geen geboorteakte of een uittreksel uit het geboorteregister overgelegd. De rechtbank trekt onder deze omstandigheden de deugdelijkheid van het identificatieproces en de inhoudelijke juistheid van het afgegeven paspoort in twijfel. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de identiteit en nationaliteit van [appellant] niet buiten twijfel uit de overgelegde documenten volgt. Hierbij heeft zij gewezen op inconsistenties en onjuistheden in de documenten.
Heeft [appellant] de gerezen twijfel weggenomen?
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van een deugdelijk identificatieproces. Volgens hem is nergens gedefinieerd aan welke eisen een identificatieproces moet voldoen om de kwalificatie ‘deugdelijk’ te krijgen. [appellant] voert aan dat de Guinese autoriteiten volgens de Guinese maatstaven een deugdelijk identificatieproces hebben gevolgd. Hierbij wijst hij op het door hem overgelegde uittreksel uit het geboorteregister. Volgens [appellant] leiden de onregelmatigheden over de naam van zijn moeder in de overgelegde documenten niet tot de conclusie dat dit proces ondeugdelijk is geweest. [appellant] betoogt verder dat de Guinese autoriteiten niet over een sluitende persoonsregistratie beschikken, waarbij hij verwijst naar de koloniale geschiedenis en cultuur van het land. Dat Nederland een andere benadering hanteert, maakt volgens hem niet dat het onderzoek van de Guinese autoriteiten niet deugdelijk is geweest.
3.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4302, onder 5.5, volgt dat als een verzoeker authentieke documenten overlegt, dit niet zonder meer betekent dat de minister van de juistheid van de daarin vermelde feiten moet uitgaan. Bij het beoordelen of hij van de juistheid van deze feiten moet uitgaan, moet de minister onder meer bezien of voorafgaand aan de afgifte van het document een behoorlijk onderzoek in de vorm van een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden. Als de minister stelt dat er geen deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden, moet hij dit concreet onderbouwen. Het in algemene zin uiten van twijfels over de afgiftepraktijk van het desbetreffende brondocument in de afgevende staat, bijvoorbeeld door te wijzen op frauduleuze praktijken die zich incidenteel hebben voorgedaan, is hiervoor onvoldoende. Aan het individuele naturalisatieverzoek te relateren omstandigheden kunnen, eventueel in samenhang met twijfels over de algemene afgiftepraktijk, hiervoor wel voldoende zijn.
3.2. Hoewel [appellant] er terecht op wijst dat nergens gedefinieerd is wat een identificatieproces ‘deugdelijk’ maakt, kan dit hem niet baten. Deze definitie is namelijk niet eenduidig te geven, aangezien de afgiftepraktijk voor documenten per land verschilt. In dit geval heeft de minister zijn standpunt dat geen sprake is geweest van een deugdelijk identificatieproces mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht Guinee van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2014 (het ambtsbericht). Volgens de minister komen de door [appellant] beschreven aanvraag- en afgifteprocedures niet overeen met de procedures die omschreven staan in het ambtsbericht. Zo volgt uit het ambtsbericht dat een aanvrager van een biometrisch paspoort de volgende documenten moet overleggen: een kopie van de geboorteakte, niet zijnde een ‘Jugement supplétif’, een gecertificeerde kopie van de nationale identiteitskaart, een ‘certificat de résidence’, twee pasfoto’s en een stortingsbewijs van 500.000 Guinese Frank. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] niet met stukken heeft onderbouwd dat hij ten tijde van zijn paspoortaanvraag in het bezit was van deze documenten.
3.3. [appellant] heeft verklaard dat hij zijn Guinese paspoort heeft verkregen met de consulaire identiteitskaart, maar de minister wijst er terecht op dat aan de consulaire identiteitskaart niet dezelfde waarde kan worden gehecht als aan de nationale identiteitskaart die alleen in Guinee wordt uitgegeven. Op zitting bij de Afdeling heeft [appellant] gewezen op het bericht van de Canadese Immigratiedienst uit 2017 dat hij in beroep heeft overgelegd. Hieruit volgt dat het in 2016 mogelijk was om bij de Guinese ambassade een paspoort te verkrijgen. Een aanvrager moest hiervoor verschillende documenten overleggen, waaronder een consulaire identiteitskaart en een geboorteakte of een uittreksel uit het geboorteregister. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit dit bericht niet volgt dat een Guinees paspoort alleen op basis van een consulaire identiteitskaart werd afgegeven. De minister heeft er bovendien terecht op gewezen dat [appellant] heeft verklaard dat hij de consulaire identiteitskaart heeft verkregen op basis van zijn eigen verklaringen en een taaltest. [appellant] heeft ook verklaard dat hij geen geboorteakte of uittreksel uit het geboorteregister heeft overgelegd bij zijn paspoortaanvraag. Daarom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister mocht twijfelen aan de deugdelijkheid van het identificatieproces en de inhoudelijke juistheid van het afgegeven paspoort.
3.4. De minister heeft zich bovendien terecht op het standpunt gesteld dat het door [appellant] overgelegde uittreksel uit het geboorteregister niet ten grondslag heeft kunnen liggen aan zijn paspoort of consulaire identiteitskaart. Het uittreksel van het geboorteregister is namelijk afgegeven op 29 december 2016, terwijl het paspoort op 29 augustus 2016 is afgegeven en de consulaire identiteitskaart op 17 juni 2016. Zoals de rechtbank verder terecht heeft overwogen, komt de op het uittreksel van het geboorteregister vermelde naam van zijn moeder niet overeen met de naam van zijn moeder die vermeld is op de consulaire identiteitskaart. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2023, onder 5.5, volgt dat als de gegevens die in een brondocument staan, niet overeenkomen met gegevens die staan in andere documenten die een verzoeker ten grondslag heeft gelegd aan zijn naturalisatieverzoek, dit kan leiden tot twijfels over het identificatieproces. Gelet op al het voorgaande kan het betoog van [appellant] over het ontbreken van een sluitende persoonsregistratie in Guinee hem niet baten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij twijfelt aan de deugdelijkheid van de identificatieprocessen die ten grondslag liggen aan de overgelegde documenten. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat [appellant] de twijfels over zijn nationaliteit en identiteit niet heeft weggenomen met de overgelegde documenten.
3.5. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Overeem, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Overeem
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026
899-1196