ECLI:NL:RVS:2026:2274

ECLI:NL:RVS:2026:2274

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 202503284/1/V6
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 17 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (het verzoek) afgewezen. [appellant] stelt de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben. Hij verblijft meer dan twintig jaar in Nederland en heeft sinds 15 juni 2007 een verblijfsvergunning op grond van de Regeling Afwikkeling Nalatenschap Oude Vreemdelingenwet (Ranov). Op 1 februari 2021 heeft [appellant] het verzoek ingediend. Ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit heeft [appellant] een aantal documenten overgelegd. Daarnaast heeft de minister in deze naturalisatieprocedure enkele documenten uit het vreemdelingendossier van [appellant] betrokken.

Uitspraak

202503284/1/V6.

Datum uitspraak: 22 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 28 april 2025 in zaak nr. 24/1154 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 7 september 2023 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 april 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.P.G. van Bel, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] stelt de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben. Hij verblijft meer dan twintig jaar in Nederland en heeft sinds 15 juni 2007 een verblijfsvergunning op grond van de Regeling Afwikkeling Nalatenschap Oude Vreemdelingenwet (Ranov). Op 1 februari 2021 heeft [appellant] het verzoek ingediend. Ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit heeft [appellant] een aantal documenten overgelegd. Daarnaast heeft de minister in deze naturalisatieprocedure enkele documenten uit het vreemdelingendossier van [appellant] betrokken. Samen gaat het om de volgende documenten:

- een Sierra Leoons paspoort, afgegeven op 5 juli 2012 in Freetown, Sierra Leone, en geldig tot 5 juli 2017;

- een ‘certified true copy’ van een geboorteakte, afgegeven op 11 november 2014;

- een Sierra Leoons paspoort, afgegeven op 25 juni 2020 in Freetown, Sierra Leone, en geldig tot 25 juni 2025;

- een verklaring van de Sierra Leoonse ambassade in Brussel van 25 september 2020, gelegaliseerd op 1 oktober 2020;

- een Sierra Leoons paspoort, afgegeven op 9 februari 2022 in Freetown, Sierra Leone, en geldig tot 9 februari 2027;

- een verklaring van de Sierra Leoonse ambassade in Brussel van 7 maart 2022.

1.1. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat hij twijfelt aan de identiteit en nationaliteit van [appellant]. De minister heeft deze twijfel gebaseerd op een taalanalyse die het Bureau Land en Taal (nu: Team Onderzoek en Expertise Land en Taal) in een eerdere door [appellant] gevoerde asielprocedure heeft verricht. Uit het rapport taalanalyse van 8 mei 2006 volgt dat [appellant] eenduidig niet herleidbaar is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Sierra Leone en eenduidig herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen Guinee. De minister heeft er daarnaast op gewezen dat Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (Bureau Documenten) de geboorteakte van 11 november 2014 en het paspoort van 5 juli 2012 weliswaar echt heeft bevonden in de verklaring van onderzoek van 28 april 2015, maar dat dit paspoort een andere spelling van de voornaam van [appellant] bevat en een andere geboorteplaats vermeldt dan de geboorteakte. Het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar heeft de minister bij besluit van 18 augustus 2022 ongegrond verklaard.

1.2. Hiertegen heeft [appellant] beroep ingesteld. De rechtbank heeft vervolgens bij tussenuitspraak van 20 februari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2154, geoordeeld dat het besluit van 18 augustus 2022 in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Hieraan heeft de rechtbank onder meer ten grondslag gelegd dat de minister niet had gemotiveerd waarom hij de latere Sierra Leoonse paspoorten, afgegeven op 25 juni 2020 en 9 februari 2022, en de verklaringen van de Sierra Leoonse ambassade van 25 september 2020 en 7 maart 2022 niet had voorgelegd aan Bureau Documenten. Ook had hij volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom hij niet van deze documenten uitging. Omdat de minister deze gebreken niet binnen de door de rechtbank gegeven termijn had hersteld, heeft de rechtbank het besluit van 18 augustus 2022 vernietigd in haar einduitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2817, en de minister opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Dit heeft geleid tot het besluit van 7 september 2023, waarbij de minister het bezwaar van [appellant] opnieuw ongegrond heeft verklaard. De minister heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij aan de twee later overgelegde Sierra Leoonse paspoorten en de verklaringen van de Sierra Leoonse ambassade niet de door [appellant] gewenste waarde kan hechten, omdat er volgens hem geen deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden bij de afgifte van deze documenten.

Oordeel van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het eerder geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek met het besluit van 7 september 2023 heeft hersteld en het verzoek van [appellant] terecht heeft afgewezen. Volgens de rechtbank mocht de minister zijn twijfels over de identiteit en nationaliteit van [appellant] baseren op het rapport taalanalyse van 8 mei 2006. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [appellant] de gerezen twijfels niet heeft weggenomen met de overgelegde documenten. Volgens de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij het identificatieproces dat vooraf is gegaan aan de afgifte van de documenten in twijfel heeft getrokken. Het gaat daarbij om meerdere aspecten die in onderlinge samenhang zoveel vragen oproepen, dat ze de gerezen twijfel niet wegnemen. Zo wijst de rechtbank erop dat de schrijfwijze van de voornaam van [appellant] in de geboorteakte van 14 november 2014 en het paspoort van 5 juli 2012 niet overeenkomen. Daarnaast is onduidelijk welk brondocument ten grondslag heeft gelegen aan dit eerste paspoort. Volgens de rechtbank zijn de laatste twee paspoorten wellicht geen verlenging van het eerste paspoort, maar is het aannemelijk dat de Sierra Leoonse autoriteiten het eerste paspoort als belangrijke bron beschouwen voor latere documenten. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de minister het verzoek terecht heeft afgewezen.

Heeft [appellant] de gerezen twijfels weggenomen?

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij met de overgelegde documenten de gerezen twijfels niet heeft weggenomen. Volgens [appellant] is hij op grond van de Ranov vrijgesteld van het overleggen van een gelegaliseerde geboorteakte en hoeft hij alleen een authentiek bevonden paspoort over te leggen. [appellant] voert aan dat hij drie paspoorten heeft overgelegd die Bureau Documenten authentiek heeft bevonden. Dit geldt ook voor de door hem overgelegde geboorteakte van 11 november 2014 en de verklaringen van de Sierra Leoonse ambassade. [appellant] erkent dat de spellingwijze van zijn voornaam in het eerste paspoort, afgegeven op 5 juli 2012, afwijkt van de geboorteakte van 11 november 2014, maar dat geldt volgens hem niet voor de twee latere paspoorten. [appellant] voert verder aan dat hij alle paspoorten heeft verkregen op de wijze die omschreven is in het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2011 over Sierra Leone (het ambtsbericht). Dit betekent dat aan de afgifte van zijn authentiek bevonden paspoorten een deugdelijk identificatieproces vooraf is gegaan. De overweging van de rechtbank dat aannemelijk is dat de Sierra Leoonse autoriteiten het eerste paspoort als leidend beschouwen, is volgens [appellant] gebaseerd op een aanname. [appellant] wijst verder op de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4302, waaruit volgt dat in het internationaal verkeer een belangrijke bewijsfunctie aan paspoorten wordt toegekend.

3.1. De Afdeling stelt allereerst vast dat [appellant] geen hogerberoepsgrond heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister zijn twijfels over de identiteit en nationaliteit van [appellant] mocht baseren op het rapport taalanalyse van 8 mei 2006. Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of [appellant] met de door hem overgelegde documenten de gerezen twijfels heeft weggenomen.

3.2. Volgens de Handleiding RWN, paragraaf 2.3.5.6 van het beleid voor artikel 7 van de RWN, is met ingang van 1 november 2021 de verzoeker die in 2007 of 2008 een Ranov-verblijfsvergunning heeft gekregen en meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht, vrijgesteld van het overleggen van een paspoort en een geboorteakte. Volgens paragraaf 2.3.5.1 van het beleid voor artikel 7 van de RWN kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit, bijvoorbeeld naar aanleiding van een taalanalyse, een reden vormen voor afwijzing, ook als de verzoeker is vrijgesteld van het documentvereiste. Uit de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer van 7 juli 2021 volgt namelijk dat, afgezien van het documentvereiste, de overige naturalisatievereisten onverminderd blijven gelden, waaronder de bestaande regel dat, indien de minister twijfelt aan de gestelde nationaliteit, hij het naturalisatieverzoek afwijst (Kamerstukken II 2020/21, 19 637, nr. 2757, pagina’s 6 en 7). Het is in dat geval aan de verzoeker om deze twijfel weg te nemen. Dit kan bijvoorbeeld door een paspoort of andere identificerende documenten over te leggen.

3.3. Gelet op het voorgaande wijst [appellant] er in beginsel terecht op dat hij op grond van zijn Ranov-vergunning is vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte. Dit neemt echter niet weg dat het aan hem is om de gerezen twijfels weg te nemen met identificerende documenten, zoals een paspoort. [appellant] heeft terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2023, onder 5.6, waaruit volgt dat in het internationale rechtsverkeer aan paspoorten een belangrijke bewijsfunctie wordt toegekend. Dat betekent dat de minister in beginsel van de juistheid van de gegevens in een door een bevoegde autoriteit afgegeven paspoort moet uitgaan. Dit laat echter onverlet dat de minister bij de beoordeling van de juistheid van de gegevens van het paspoort mag betrekken of er een deugdelijk identificatieproces aan de afgifte van het paspoort vooraf is gegaan.

3.4. De Afdeling ziet dat [appellant] zich heeft ingespannen om documenten te verkrijgen ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit. [appellant] wijst er ook terecht op dat Bureau Documenten de door hem overgelegde paspoorten echt heeft bevonden. De Afdeling is desondanks met de rechtbank van oordeel dat [appellant] met de overgelegde documenten, waaronder de drie paspoorten, de gerezen twijfels niet heeft weggenomen. Hoewel aan authentieke paspoorten een belangrijke bewijsfunctie toekomt, mag de minister, gelet op het hiervoor onder 3.3 uiteengezette kader, bij de beoordeling van de juistheid van de paspoortgegevens ook betrekken of aan de afgifte een deugdelijk identificatieproces is voorafgegaan. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij twijfelt aan het identificatieproces dat aan de documenten ten grondslag ligt. Het gaat daarbij inderdaad om verschillende aspecten van de documenten die in onderlinge samenhang zoveel vragen oproepen, dat deze de gerezen twijfels niet wegnemen. Zo heeft de minister er terecht op gewezen dat de geboorteakte van 11 november 2014 en de in beroep overgelegde geboorteakte van 12 december 2012 niet ten grondslag kunnen liggen aan het eerste paspoort, dat is afgegeven op 5 juli 2012, aangezien deze geboorteaktes van latere datum zijn. [appellant] heeft niet inzichtelijk gemaakt welk brondocument wel ten grondslag ligt aan het eerste paspoort. Daar komt bij dat de schrijfwijze van de voornaam van [appellant] in het eerste paspoort niet overeenkomt met de schrijfwijze in de geboorteakte van 11 november 2014. Hoewel de schrijfwijze van zijn naam in de twee latere paspoorten wel overeenkomt met die in de geboorteakte van 11 november 2014, wijkt de in het paspoort van 25 juni 2020 vermelde geboorteplaats af van die in de geboorteakte. De minister heeft er verder terecht op gewezen dat het opmerkelijk is dat in de overgelegde documenten de door de IND toegekende geboortedatum is opgenomen.

3.5. [appellant] voert verder terecht aan dat de overweging van de rechtbank dat de Sierra Leoonse autoriteiten het eerste paspoort als leidend beschouwen, op een aanname is gebaseerd. Dit kan echter niet leiden tot het door [appellant] beoogde doel. Immers, ook als ervan uit wordt gegaan dat de twee latere paspoorten geen verlengingen zijn van het eerste paspoort, blijft staan dat onduidelijk is welke brondocumenten daaraan ten grondslag liggen. [appellant] heeft hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. [appellant] voert verder tevergeefs aan dat hij de in het ambtsbericht omschreven procedure heeft gevolgd om de twee latere paspoorten te verkrijgen. Uit het ambtsbericht volgt namelijk dat het niet mogelijk is om door tussenkomst van een Sierra Leoonse ambassade een paspoort aan te vragen. Paspoorten worden uitsluitend afgegeven door het ‘Passport Departement’ van het ‘Immigration Office’ in Freetown, Sierra Leone. Ook in de brief van de Sierra Leoonse ambassade in Brussel van 2 juni 2020 staat dat de ambassade geen paspoorten afgeeft. Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar van 13 april 2023 volgt echter dat [appellant] heeft verklaard dat hij de paspoorten bij de Sierra Leoonse ambassade heeft opgehaald. Deze wijze van afgifte komt niet overeen met de in het ambtsbericht omschreven procedure.

3.6. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] met de overgelegde documenten de gerezen twijfels niet heeft weggenomen en dat de minister het verzoek terecht heeft afgewezen.

3.7. De hogerberoepsgrond slaagt niet.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Overeem, griffier.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Overeem

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026

899-1196

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.A. Overeem

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?