202202145/1/R3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Bodegraven Centrum 2022" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 augustus 2025, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door F. van der Tempel, en de raad, vertegenwoordigd door H.W. Lauwers, L. Spek-de Blooy en F.G.A. Oldman, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 25 november 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Bij besluit van 22 februari 2023 heeft de raad het plan "Bodegraven Centrum 2022" vastgesteld. Het plan is opgesteld op basis van de mogelijkheden die het besluit Crisis- en herstelwet (hierna: Bu Chw) biedt en is een zogenoemd bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Het plan is grotendeels een conserverend plan zonder nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied betreft het centrum van Bodegraven, de naastgelegen gronden van brouwerij De Molen en het terrein van Versluys. De belangrijkste aanleiding voor het plan is het verankeren van de centrumvisie in het plan. In de centrumvisie wordt beoogd om een compacter en daarmee beter functionerend en levendiger winkelgebied te creëren. Daarnaast worden de geldende bestemmingsplannen herzien, met het oog op nieuwe beleidstukken op het gebied van archeologie, parkeren en kamerverhuur. Verder heeft de raad in het plan een aantal evenementenlocaties aangewezen. Met het oog op de Omgevingswet heeft de raad de regels over evenementen die gaan over de fysieke leefomgeving en die nu nog in de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk staan, overgeheveld naar het plan.
3. De relevante regels van het bestemmingsplan zijn opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
4.1. Omdat in dit geval sprake is van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kunnen verder op grond van artikel 7c, eerste lid, onder a en b, van het Bu Chw, in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wro, in het plan ook regels worden gesteld die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter invulling van maatschappelijke functies. De Afdeling zal daarom ook beoordelen of, voor zover dat aan de orde is, de raad voldoende heeft gemotiveerd dat hij het plan in overeenstemming met de in artikel 7c, eerste lid, onder a en b, van het Bu Chw, vermelde criteria heeft vastgesteld.
Beroep [appellant] en anderen
Ingetrokken beroepsgrond
5. Op de zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgrond over de begripsbepaling van horecaterrassen uit artikel 1.39 van de planregels ingetrokken.
Evenementen: waar, hoe vaak en wanneer?
6. In artikel 28.1.3, onder a, van de planregels is bepaald onder welke voorwaarden verspreid over het hele plangebied, uitgezonderd ter plaatse van twee gebiedsaanduidingen op het Raadhuisplein en op de Oude Markt, zonder omgevingsvergunning, maar na voorafgaande melding, evenementen toegestaan zijn. Ter plaatse van de gebiedsaanduidingen op het Raadhuisplein en de Oude Markt zijn ook evenementen toegestaan, maar daarvoor moet aan de voorwaarden in respectievelijk artikel 28.1.3, onder b, en artikel 28.1.3, onder c, van de planregels voldaan zijn om zonder omgevingsvergunning, maar na voorafgaande melding, evenementen te mogen organiseren. De voorwaarden in artikel 28.1.3, onder a, b en c, van de planregels gaan over bijvoorbeeld de frequentie en duur van evenementen, de maximale bezoekersaantallen en de tijdstippen waarbinnen die evenementen zijn toegestaan. Ook is in die bepalingen geregeld aan welke geluidsnormen moet worden voldaan. [appellant] en anderen kunnen zich om verschillende redenen niet verenigen met de evenementen die het bestemmingsplan mogelijk maakt op de verschillende locaties in het centrum van Bodegraven. Hiertoe voeren zij verschillende argumenten aan, die de Afdeling hieronder zal bespreken.
6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2478, onder 6.1, ligt het op de weg van de raad om te beoordelen of een bestemming die evenementen op een bepaalde locatie toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is. Ook dient de raad over het toegestane aantal evenementen per jaar, de soorten evenementen en de maximale bezoekersaantallen regels te stellen voor zover dit uit het oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid op een locatie van belang is. Deze beoordeling is een andere dan die op grond waarvan, in een concreet geval, voor een evenement al dan niet een vergunning wordt verleend.
Onjuiste nummering
7. Voordat de Afdeling de beroepsgronden van [appellant] en anderen over evenementen zal bespreken, stelt de Afdeling vast dat meerdere bepalingen in artikel 28.1.3, onder b, van de planregels onjuist genummerd zijn. De nummering van de bepalingen die volgen op artikel 28.1.3, onder b, onder 11, van de planregels gaat immers verder met de nummers 1 tot en met 8. De Afdeling overweegt echter dat uit de inhoud van de bepalingen kan worden afgeleid dat die bepalingen niet bij artikel 28.1.3, onder b, onder 11, van de planregels horen. Daardoor is duidelijk dat de raad heeft beoogd door te nummeren, wat betekent dat de raad eigenlijk heeft bedoeld om deze bepalingen als artikel 28.1.3, onder b, onder 12 tot en met 19 aan te duiden. De Afdeling zal deze bepalingen daarom in het vervolg van deze uitspraak aanduiden als artikel 28.1.3, onder b, onder 12 tot en met 19, van de planregels.
Hoeveelheid evenementen
8. [appellant] en anderen betogen dat artikel 28.1.3, onder a, en artikel 28.1.3, onder b, van de planregels, onduidelijk zijn. Hierover voeren zij aan dat de planregels ruimte bieden voor verschillende interpretaties over op welk deel van het plangebied deze bepalingen van toepassing zijn. Dit komt volgens hen door het woord "exclusief" in de aanhef van artikel 28.1.3, onder a, van de planregels en het woord "tevens" in de aanhef van artikel 28.1.3, onder b, van de planregels. Daardoor kunnen deze bepalingen zo gelezen worden dat, zowel wat onder a als wat onder b van artikel 28.1.3 van de planregels is bepaald, een grondslag biedt om evenementen op het Raadhuisplein te organiseren, vinden [appellant] en anderen. Volgens hen leidt dit tot onduidelijkheid over de toegestane hoeveelheid evenementen op het Raadhuisplein.
8.1. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat hij met artikel 28.1.3, onder b, van de planregels heeft beoogd te voorzien in een grondslag voor evenementen op het Raadhuisplein, met artikel 28.1.3, onder c, van de planregels heeft beoogd te voorzien in een grondslag voor evenementen op de Oude Markt, en met artikel 28.1.3, onder a, van de planregels heeft beoogd te voorzien in een grondslag voor evenementen in het hele plangebied, met uitzondering van de gronden waaraan de gebiedsaanduiding "overige zone - evenementlocatie Raadhuisplein" (hierna: evenementenlocatie op het Raadhuisplein) en de gebiedsaanduiding "overige zone - evenementlocatie Oude Markt" (hierna: evenementenlocatie op de Oude Markt) is toegekend. Het woord "exclusief" in artikel 28.1.3, onder a, van de planregels moet volgens de raad dus worden geïnterpreteerd als "met uitzondering van". Dat betekent dat artikel 28.1.3, onder a, van de planregels niet van toepassing is op de evenementenlocaties op het Raadhuisplein en de Oude Markt. Naar het oordeel van de Afdeling is dit voldoende duidelijk. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 28.1.3, onder a, van de planregels onduidelijk is.
In zoverre slaagt het betoog niet.
8.2. Over het woord "tevens" in artikel 28.1.3, onder b, van de planregels heeft de raad op de zitting toegelicht dat hij daarmee heeft beoogd duidelijk te maken dat op de evenementenlocatie op het Raadhuisplein ook evenementen toegestaan zijn. De raad heeft echter erkend dat het woord "tevens" de indruk kan wekken dat zowel het bepaalde in artikel 28.1.3, onder a, van de planregels als het bepaalde in artikel 28.1.3, onder b, van de planregels van toepassing is op de evenementenlocatie op het Raadhuisplein. De Afdeling is daarom van oordeel dat deze planregel onduidelijk is. Dat betekent dat het plan op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld.
In zoverre slaagt het betoog.
Mogelijkheden kermissen onvoldoende beperkt
9. [appellant] en anderen betogen dat de raad in de planregels ten onrechte geen beperkingen heeft opgenomen voor de duur, op- en afbouwtijd en bezoekersaantallen van kermissen, waardoor de kermissen volgens hen weken zouden kunnen duren. Verder wijzen [appellant] en anderen erop dat het plan jaarlijks meer dan twee kermissen in het plangebied mogelijk maakt, omdat artikel 28.1.3, onder b, van de planregels extra kermissen op het Raadhuisplein mogelijk maakt, terwijl op grond van artikel 28.1.3, onder a, onder 2, van de planregels, ook twee kermissen zijn toegestaan in het plangebied buiten het Raadhuisplein en de Oude Markt.
9.1. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat een kermis een evenement is, zodat de hiervoor bedoelde beperkingen die in de planregels voor evenementen zijn opgenomen, ook van toepassing zijn op kermissen. Verder heeft de raad op de zitting toegelicht dat hij beoogd heeft om twee keer per jaar, tijdens de Voorjaarsmarkt en de Najaarsmarkt, een kermis mogelijk te maken. Het is bedoeling dat de kermis plaatsvindt op de evenementenlocatie op het Raadhuisplein en voor een deel in de omgeving van die evenementenlocatie. Daarom heeft de raad in artikel 28.1.3, onder a, van de planregels bepaald dat er maximaal twee kermissen per jaar mogen plaatsvinden in het plangebied.
9.2. De Afdeling stelt vast dat in artikel 28.1.3, onder a en b, van de planregels beperkingen zijn opgenomen voor de dagen en tijdstippen waarop evenementen, inclusief op- en afbouw, mogen plaatsvinden, de duur en de bezoekersaantallen van zowel grootschalige als kleinschalige evenementen op het Raadhuisplein en in het gedeelte van het plangebied dat buiten de gebiedsaanduidingen van het Raadhuisplein en de Oude Markt ligt. De Afdeling acht de toelichting van de raad dat deze voorwaarden ook van toepassing zijn op kermissen toereikend. Voor zover [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat in de planregels geen beperkingen zijn opgenomen voor de duur, op- en afbouwtijd en bezoekersaantallen van kermissen, slaagt dit betoog dan ook niet.
9.3. Verder stelt de Afdeling vast dat op grond van artikel 28.1.3, onder a, onder 2, van de planregels in het in die bepaling bedoelde deel van het plangebied jaarlijks maximaal twee kermissen zijn toegestaan. Op de evenementenlocatie op de Oude Markt zijn kermissen op grond van artikel 28.1.3, onder c, onder 4, van de planregels niet toegestaan. In artikel 28.1.3, onder b, van de planregels heeft de raad echter niet voorzien in een maximum voor het aantal kermissen dat jaarlijks op het Raadhuisplein mag plaatsvinden. Dat betekent dat de raad met het plan in het plangebied meer kermissen mogelijk heeft gemaakt dan hij beoogd heeft. De Afdeling is daarom van oordeel dat het plan op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Dat betekent dat het betoog op dit punt slaagt.
Binnenplanse afwijkingsbevoegdheid
10. [appellant] en anderen betogen dat de raad in artikel 28.1.4 van de planregels geen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor een onbeperkt aantal evenementen had mogen opnemen, zonder voorwaarden te stellen aan de toepassing van die afwijkingsbevoegdheid.
10.1. Artikel 28.1.4 van de planregels luidt:
"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een evenementenactiviteit te verrichten anders dan de activiteiten genoemd in artikel 28.1.3."
10.2. De Afdeling overweegt dat voor zover de raad met de woorden "zonder omgevingsvergunning" heeft beoogd om de mogelijkheid open te houden om buiten de in het bestemmingsplan opgenomen voorwaarden alsnog met een omgevingsvergunning een evenement te kunnen organiseren, dat via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan. Dit dient niet in de planregels te worden opgenomen. Het is in dat geval aan de raad om de woorden "zonder omgevingsvergunning" uit de planregels te verwijderen. Voor zover de raad met de woorden "zonder omgevingsvergunning" heeft beoogd een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in het plan op te nemen, is het aan de raad om dit ook als zodanig in het plan te formuleren en daaraan voorwaarden te verbinden. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.
Het betoog slaagt.
Evenementen op zondag
11. [appellant] en anderen betogen dat het bestemmingsplan ten onrechte evenementen op zondag mogelijk maakt. Hiertoe voeren zij aan dat er voorheen in Bodegraven op zondag nooit evenementen plaatsvonden, mede omdat in Bodegraven veel waarde gehecht wordt aan de zondagsrust. Volgens [appellant] en anderen heeft de raad verder in het bestemmingsplan ten onrechte geen verbod op het op- en afbouwen van evenementen op zondag opgenomen. Ten slotte voeren [appellant] en anderen aan dat de raad in de zienswijzennota ten onrechte stelt dat evenementen op zondag mogelijk worden wegens de inhoud van de Visie Bodegraven Centrum 2016 (hierna: de centrumvisie). Volgens hen is het nooit het beleid van de gemeente geweest om evenementen op zondag mogelijk te maken.
11.1. De raad heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat hij met de planregels voor evenementen op zondag aansluiting heeft gezocht bij wat in de Zondagswet is bepaald. Op grond van artikel 28.1.3, onder a, onder 10, en artikel 28.1.3, onder b, onder 16, van de planregels mogen evenementen op zondag op het Raadhuisplein en in de rest van het plangebied, uitgezonderd de Oude Markt, slechts tussen 13:00 uur en 20:00 uur plaatsvinden. Op de Oude Markt, waaraan de kerk gelegen is, mogen op grond van artikel 28.1.3, onder c, onder 9, van de planregels alleen op maandag tot en met zaterdag evenementen georganiseerd worden. Op zondag mogen daar op grond van de planregels dus geen evenementen georganiseerd worden. De raad heeft op de zitting benadrukt dat dit betekent dat de op- en afbouw van evenementen op de Oude Markt ook niet op zondag plaats mag vinden. Tot slot is het op grond van artikel 28.1.3, onder a, onder 11, en artikel 28.1.3, onder b, onder 17, van de planregels niet toegestaan om bij evenementen op zondag muziek en omroepberichten ten gehore te brengen.
11.2. Gelet op de hiervoor beschreven beperkingen voor evenementen op zondag, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen [appellant] en anderen bij het behoud van hun zondagsrust. Het betoog van [appellant] en anderen dat de raad in zijn toelichting in de zienswijzennota ten onrechte naar de inhoud van de centrumvisie zou hebben verwezen, slaagt ook niet. In de centrumvisie is de doelstelling geformuleerd om het centrum aantrekkelijker te maken door er meer een ontmoetingsplek van te maken. De redenering van de raad dat het mogelijk maken van evenementen op zondag hieraan kan bijdragen, is naar het oordeel van de Afdeling begrijpelijk.
Het betoog slaagt niet.
Oude Markt niet geschikt voor evenementen
12. [appellant] en anderen betogen dat de Oude Markt niet geschikt is als evenementenlocatie. Hiertoe voeren zij aan dat de Oude Markt een kleine locatie is, waardoor het organiseren van evenementen op de Oude Markt leidt tot veiligheidsrisico’s. [appellant] en anderen vinden het onverantwoord dat het plan evenementen met 1000 bezoekers op de Oude Markt mogelijk maakt. Verder voeren [appellant] en anderen aan dat het in strijd met de centrumvisie is om de Oude Markt als evenementenlocatie aan te merken, omdat in de centrumvisie staat dat de Oude Markt niet geschikt is voor evenementen. Ook voorziet het plan volgens hen ten onrechte in de mogelijkheid om ’s avonds evenementen op de Oude Markt te organiseren.
12.1. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
12.2. Het betoog van een appellant dat een bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat voor andere personen een aanvaardbare veiligheidssituatie niet kan worden geborgd, stuit af op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb en kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, tenzij de veiligheidssituatie van derden ook aan zijn eigen veiligheidsbelang raakt. Dat heeft de Afdeling overwogen in de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.13. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de veiligheidssituatie van derden in dit geval raakt aan het veiligheidsbelang van [appellant] en anderen. Dat betekent dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestemmingsplan vanwege dit betoog, voor zover zij betogen dat bij evenementen op de Oude Markt geen aanvaardbare veiligheidssituatie kan worden geborgd.
12.3. Op pagina 21 van de centrumvisie staat dat de Oude Markt hoofdzakelijk op dagrecreatie wordt ingericht en dat evenementen in de avond op het Raadhuisplein zullen plaatsvinden. Zo is de Oude Markt volgens de centrumvisie geschikt voor evenementen zoals de streekmarkt en is het een mogelijkheid om ook de weekmarkt terug te verplaatsen naar de Oude Markt. Verder heeft de raad in zijn verweerschrift toegelicht dat er in 2019 een foodtruckfestival op de Oude Markt heeft plaatsgevonden, waardoor het standpunt van de raad over de geschiktheid van de Oude Markt als evenementenlocatie is gewijzigd. Op de zitting heeft de raad hieraan toegevoegd dat het uitgangspunt blijft dat de evenementen op de Oude Markt uitsluitend overdag plaatsvinden, maar dat evenementen af en toe ook in de avond toegestaan zijn.
12.4. De Afdeling volgt [appellant] en anderen niet in hun betoog dat in de centrumvisie staat dat de Oude Markt ongeschikt is voor evenementen. In de centrumvisie staat immers dat op de Oude Markt ruimte is voor activiteiten zoals een streekmarkt en dat het terug verplaatsen van de weekmarkt naar de Oude Markt op termijn een optie kan zijn. De Afdeling is daarom van oordeel dat in de centrumvisie niet volledig wordt uitgesloten dat op de Oude Markt evenementen plaatsvinden.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad echter niet toereikend gemotiveerd op welke wijze hij de centrumvisie heeft betrokken in zijn afweging om, op grond van artikel 28.1.3, onder c, onder 9, van de planregels, op de Oude Markt evenementen tot 23:00 uur of zelfs 00:00 uur in de avond mogelijk te maken. De Afdeling komt tot dat oordeel omdat in de centrumvisie staat dat het feit dat de Oude Markt hoofdzakelijk wordt ingericht voor dagrecreatie, betekent dat evenementen in de avond op het Raadhuisplein, en dus niet op de Oude Markt, zullen plaatsvinden. Door te volstaan met een verwijzing naar een foodtruckfestival in 2019, heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom hij er alsnog voor heeft gekozen evenementen tot 23:00 uur of zelfs 00:00 uur in de avond mogelijk te maken.
Het betoog slaagt.
Evenementen tijdens kerkdiensten
13. [appellant] en anderen betogen dat in het bestemmingsplan ten onrechte geen algeheel verbod op evenementen tijdens kerkdiensten is opgenomen. Hiertoe voeren zij aan dat het plan niet waarborgt dat er tijdens kerkdiensten geen geluid van of ten gevolge van een evenement te horen is. Dat organisatoren van evenementen op de Oude Markt op grond van artikel 28.1.3, onder c, onder 11, van de planregels afstemming moeten zoeken met het kerkbestuur van de kerk aan de Oude Markt, is volgens [appellant] en anderen onvoldoende. Hiermee wordt volgens hen niet hetzelfde resultaat bereikt als met een verbod op muziek tijdens een kerkdienst, een verbod op evenementen tijdens een kerkdienst en een verbod op op- en afbouw tijdens een kerkdienst. Hieraan voegen [appellant] en anderen toe dat het bestemmingsplan niet overeenkomt met het raadsvoorstel. Volgens hen staat op pagina 4 van het raadsvoorstel dat voor alle evenementen in het centrum van Bodegraven vereist is dat de organisator afstemming zoekt met het kerkbestuur, terwijl in artikel 28.1.3, onder c, onder 11, staat dat dit alleen geldt voor evenementen die op de Oude Markt plaatsvinden.
13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestemmingsplan vanwege dit betoog. Het ongestoord kunnen houden van kerkdiensten is namelijk niet het eigen belang van [appellant] en anderen, maar het belang van het bestuur van de kerk aan de Oude Markt.
13.2. Zoals de Afdeling hiervoor onder 12.1 heeft overwogen, mag de bestuursrechter een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt. Dat betekent dat appellanten zich in rechte op de norm van een goede ruimtelijke ordening kunnen beroepen om een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te bewerkstelligen voor zover die norm betrekking of mede betrekking heeft op hun eigen belangen. Dat heeft de Afdeling overwogen in de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.10.
De omstandigheid dat [appellant] en anderen de kerk aan de Oude Markt regelmatig bezoeken, is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende om een mogelijke aantasting van het belang van het ongestoord kunnen houden van kerkdiensten als een aantasting van hun eigen belangen te beschouwen. De norm van een goede ruimtelijke ordening strekt zich in zoverre niet tot bescherming van de belangen van [appellant] en anderen. Het relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan de vernietiging van het plan vanwege deze beroepsgrond.
Evenementen: geluid
14. [appellant] en anderen betogen dat de evenementen die het bestemmingsplan mogelijk maakt leiden tot strijd met de goede ruimtelijke ordening, omdat zij door deze evenementen geluidsoverlast zullen ervaren. Zij hebben hierover verschillende argumenten aangevoerd, die de Afdeling hieronder zal bespreken.
14.1. De raad heeft in paragraaf 5.2.3 van de plantoelichting toegelicht dat bij de vaststelling van de planregels over geluidbelasting door evenementen aansluiting is gezocht bij de nota "Evenementen met een luidruchtig karakter 1996" van de inspectie Milieuhygiëne Limburg (hierna: de Nota Evenementen). Uitgangspunt voor de normstelling in de Nota Evenementen is de bescherming van de binnenruimte van geluidsgevoelige objecten tegen geluidhinder. Daarbij dient in een woning, bij gesloten ramen en deuren, een normaal gesprek mogelijk te zijn. Gedurende de dag- en avondperiode mag het geluidsniveau ten gevolge van een evenement in de woning daarom niet hoger zijn dan 50 dB(A). Gedurende de nachtperiode speelt volgens de Nota Evenementen niet alleen de spraakverstaanbaarheid een rol, maar is ook het wel of niet kunnen slapen een belangrijk toetsingscriterium.
De raad heeft aan het plan ook het onderzoek "Geluid in de omgeving ten gevolge van evenemententerreinen te Bodegraven" van 9 november 2021, uitgevoerd door Peutz (hierna: het akoestisch onderzoek), ten grondslag gelegd. Uit het akoestisch onderzoek volgt onder andere hoeveel geluid er in de binnenruimten van de woningen rondom de evenementenlocaties optreedt. Het akoestisch onderzoek is als bijlage bij de plantoelichting opgenomen.
Meetduur van twee minuten onjuist
15. [appellant] en anderen betogen dat de raad in de normering van de maximale geluidbelasting door evenementen in artikel 28.1.3, onder a, onder 5, onder b, onder 3 en 4, en onder c, onder 2 en 3, van de planregels ten onrechte is uitgegaan van een gemiddelde maximale geluidbelasting bij een meetduur van twee minuten. Hierover voeren zij aan dat bij een wisselende geluidbelasting gedurende twee minuten veel meer ruimte is voor hoge pieken, zonder dat de toegestane gemiddelde geluidbelasting wordt overschreden, dan wanneer wordt uitgegaan van een gemiddelde maximale geluidbelasting bij een meetduur van één minuut. [appellant] en anderen wijzen erop dat bij een evenement in 2018 veel omwonenden geluidoverlast hebben ervaren, terwijl college toen bij het meten van de geluidbelasting is uitgegaan van een gemiddelde geluidbelasting over één minuut.
15.1. De Afdeling stelt vast dat in de planregels is voorgeschreven dat het meten en berekenen van de geluidbelasting in overeenstemming met de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999" (hierna: de Handleiding) moet gebeuren. In de Handleiding zijn eisen geformuleerd waaraan een meting moet voldoen. Een van deze vereisten is dat bij immissiemetingen de minimale meetduur tussen de twee en de vijf minuten moet bedragen. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de geluidmetingen niet de Handleiding heeft mogen voorschrijven. Het plan is op dit punt dan ook niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
Duur evenementen in strijd met goede ruimtelijke ordening
16. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte alleen heeft beoordeeld of een geluidbelasting van 70 dB(A) op een woninggevel aanvaardbaar is. Volgens hen had de raad ook in zijn beoordeling moeten betrekken of een dergelijke geluidbelasting op een woninggevel gedurende de hele dag, van 7:00 uur ’s ochtends tot 00:00 uur ’s avonds, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
16.1. De Afdeling stelt vast dat de raad in hoofdstuk 3 van paragraaf 8.3 van de plantoelichting heeft toegelicht dat, zowel rondom de evenementenlocaties op het Raadhuisplein en de Oude Markt, als op de evenementenlocatie als bedoeld in artikel 28.1.3, onder a, van de planregels, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd, omdat het aantal evenementendagen, de maximaal toegestane geluidniveaus en de tijden waarop de evenementen mogen plaatsvinden in de planregels zijn genormeerd. De Afdeling volgt [appellant] en anderen daarom niet in hun betoog dat de raad ten onrechte niet heeft beoordeeld of een geluidbelasting van 70 dB(A) op een woninggevel gedurende de hele dag, van 7:00 uur ’s ochtends tot 00:00 uur ’s avonds, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Het betoog slaagt niet.
Afwijking maximale geluidbelasting niet ruimtelijk aanvaardbaar
17. [appellant] en anderen betogen dat de afwijking van de maximaal toegestane geluidbelasting die in artikel 28.1.3, onder b, onder 4, van de planregels is opgenomen, niet strookt met een goede ruimtelijke ordening. Hierover voeren zij aan dat de afwijkingsmogelijkheid leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting in woningen. Volgens [appellant] en anderen is een geluidniveau van 60 dB(A) in woningen en een geluidbelasting van meer dan 80 dB(A) op gevels, in tuinen en op balkons gedurende vier aaneengesloten uren op vier evenementendagen per jaar niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Verder voeren zij aan dat in artikel 28.1.3, onder b, onder 4, van de planregels ten onrechte niet is vastgelegd dat aan die bepaling, op basis waarvan jaarlijks op vier evenementendagen gedurende vier aaneengesloten uren hogere geluidniveaus zijn toegestaan, alleen toepassing mag worden gegeven tijdens de Voorjaarsmarkt en de Najaarsmarkt.
17.1. De Afdeling stelt vast dat het op grond van artikel 28.1.3, onder b, onder 4, van de planregels is toegestaan om, in afwijking van de in artikel 28.1.3, onder b, onder 3, van de planregels geformuleerde maximaal toegestane geluidbelasting, op vier grootschalige evenementdagen gedurende vier aaneengesloten uren hogere geluidniveaus ten gevolge van muziekgeluid te produceren. Als die bepaling wordt toegepast, mag de geluidbelasting voor de gevels van woningen maximaal 87 dB(A) en het geluidniveau in woningen maximaal 60 dB(A) bedragen.
In hoofdstuk 3 van paragraaf 8.3 van de plantoelichting heeft de raad toegelicht dat in het algemeen wordt toegestaan dat de standaardgrenswaarden maximaal twaalf keer per kalenderjaar worden overschreden voor bepaalde typen activiteiten. Volgens de raad wordt hieraan voldaan, omdat op grond van artikel 28.1.3, onder b, onder 4, van de planregels slechts op vier dagen voor vier aaneengesloten uren is toegestaan dat de standaardgrenswaarden zijn overschreden. Daarom is volgens de raad sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De raad heeft daarnaast op pagina 5 van de zienswijzennota toegelicht dat de uitzondering in artikel 28.1.3, onder b, onder 4, van de planregels is bedoeld voor evenementen die reeds jaarlijks op het Raadhuisplein plaatsvonden, zoals de Voorjaarsmarkt en de Najaarsmarkt. De Afdeling stelt echter vast dat in de planregels niet is geregeld voor welke evenementen artikel 28.1.3, onder b, onder 4, van de planregels mag worden toegepast.
17.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad toereikend gemotiveerd dat de omstandigheid dat het plan bij evenementen op het Raadhuisplein jaarlijks op vier evenementendagen gedurende vier aaneengesloten uren een hogere geluidbelasting van 60 dB(A) toelaat, niet maakt dat sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving van het Raadhuisplein. Verder is de Afdeling van oordeel dat het feit dat in de planregels niet is verankerd voor welke evenementen artikel 28.1.3, onder b, onder 4, van de planregels mag worden toegepast, niet betekent dat het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld. Daartoe overweegt de Afdeling dat het vanuit ruimtelijk oogpunt niet relevant is of voor een evenement tijdens de Voorjaarsmarkt of de Najaarsmarkt, of voor een evenement dat op een ander moment op het Raadhuisplein plaatsvindt, toepassing wordt gegeven aan artikel 28.1.3, onder b, onder 4, van de planregels. Daarom is het niet noodzakelijk dat in de planregels wordt vastgelegd voor welke evenementen artikel 28.1.3, onder b, onder 4, van de planregels mag worden toegepast.
Het betoog slaagt niet.
Geluidproductie bij grootschalige evenementen op het Raadhuisplein ten onrechte niet genormeerd
18. [appellant] en anderen betogen dat in artikel 28.1.3, onder b, onder 3, van de planregels ten onrechte geen voorschrift over de maximaal toegestane geluidproductie bij grootschalige evenementen op het Raadhuisplein is opgenomen. Zij vrezen ervoor dat door het ontbreken van zo’n voorschrift op 20 m van het podium en voor de gevel van woningen hogere geluidniveaus kunnen voorkomen dan de geluidniveaus vermeld in Tabel 1, die is opgenomen bij artikel 28.1.3, onder b, onder 3, van de planregels.
18.1. De Afdeling stelt vast dat in artikel 28.1.3, onder b, onder 3, van de planregels maximale geluidniveaus zijn voorgeschreven voor grootschalige evenementen op het Raadhuisplein. Het betoog van [appellant] en anderen dat de geluidproductie van grootschalige evenementen op het Raadhuisplein niet is genormeerd, mist dan ook feitelijke grondslag.
Het betoog slaagt niet.
Locatie podia bij evenementen Raadhuisplein ten onrechte niet vastgelegd
19. [appellant] en anderen betogen dat de raad in artikel 28.1.3, onder b, van de planregels ten onrechte niet heeft vastgelegd waar de podia bij evenementen op het Raadhuisplein mogen worden opgesteld. De podia kunnen daardoor op andere plekken worden opgesteld dan waar in het geluidsonderzoek van is uitgegaan, wat er volgens [appellant] en anderen toe leidt dat het geluidniveau in woningen bij grootschalige evenementen hoger kan zijn dan de voorgeschreven 50 dB(A) in de Nota Evenementen.
19.1. De Afdeling stelt vast dat in Tabel 1, Tabel 2 en Tabel 3, die zijn opgenomen bij artikel 28.1.3, onder b, onder 3, 4 en 8, van de planregels, wordt verwezen naar figuur 4.1 op pagina 10 van het akoestisch onderzoek, dat deel uitmaakt van het plan. In figuur 4.1 is weergegeven waar op het Raadhuisplein Podium A, Podium B en Podium C mogen worden opgesteld. Op grond van artikel 28.1.3, onder b, onder 10, van de planregels is een andere podiumpositie dan Podium A of Podium B alleen toegestaan als met een akoestisch onderzoek wordt onderbouwd dat de geluidniveaus in woningen niet hoger zijn dan de maxima voorgeschreven in artikel 28.1.3, onder b, onder 3, 5 en 8, van de planregels.
Bovendien is in artikel 28.1.3, onder b, onder 3, 5 en 8, van de planregels voorzien in maximum voor het toegestane geluidniveau in woningen. De in die bepalingen opgenomen maxima voor het geluidniveau in woningen mogen niet worden overschreden, ongeacht hoe de podia bij een evenement op het Raadhuisplein zijn opgesteld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad op deze wijze voldoende geborgd dat de binnenruimten van woningen niet aan onaanvaardbare geluidniveaus zullen worden blootgesteld door de geluidbelasting van evenementen op het Raadhuisplein.
Het betoog slaagt niet.
Normering van het dB(C)-geluidniveau ontbreekt
20. [appellant] en anderen betogen dat de raad in artikel 28.1.3, onder a, onder 5, van de planregels ten onrechte geen normering voor de maximaal toegestane dB(C)-geluidniveaus van kleinschalige en grootschalige evenementen in het hele plangebied, met uitzondering van de Oude Markt en het Raadhuisplein, heeft opgenomen. Verder voeren [appellant] en anderen aan dat in artikel 28.1.3, onder b, onder 4 en 8, van de planregels voor evenementen op het Raadhuisplein ten onrechte niets is bepaald over de maximaal toegestane dB(C)-geluidniveaus in woningen. Dit geldt volgens hen ook voor artikel 28.1.3, onder c, onder 2 en 3, van de planregels, waarin voor zowel grootschalige als kleinschalige evenementen op de Oude Markt geen normering voor de maximaal toegestane dB(C)-geluidniveaus in binnenruimten is opgenomen. Dit heeft volgens [appellant] en anderen tot gevolg dat omwonenden kunnen worden blootgesteld aan onaanvaardbare dB(C)-geluidniveaus.
20.1. De Afdeling stelt vast dat op de evenementenlocatie bedoeld in artikel 28.1.3, onder a, van de planregels bij kleinschalige en grootschalige evenementen, met uitzondering van kermissen, alleen licht versterkte achtergrondmuziek van het Achtergrondmuziek Spectrum is toegestaan en bij kermissen normale muziek van het Standaard Popmuziek Spectrum is toegestaan. Dat volgt uit artikel 28.1.3, onder a, onder 1 en 5, van de planregels. Ook stelt de Afdeling vast dat voor kermissen in artikel 28.1.3, onder a, onder 3, van de planregels een maximum aan het toegestane dB(C)-geluidniveau is gesteld. Voor kleinschalige en grootschalige evenementen op de evenementenlocaties op de Oude Markt en het Raadhuisplein is in de planregels niet bepaald dat alleen licht versterkte achtergrond muziek is toegestaan. Echter zijn voor die evenementen in artikel 28.1.3, onder b, onder 3, 4 en 8, en onder c, onder 2 en 3, van de planregels ook normeringen van het toegestane dB(C)-geluidniveau opgenomen.
20.2. De raad heeft op de zitting toegelicht dat bij het bepalen of een normering voor het maximaal toegestane dB(C)-geluidniveau op een evenementenlocatie noodzakelijk is, een koppeling is gemaakt met het toegestane soort muziekgeluid. Omdat op de evenementenlocatie bedoeld in artikel 28.1.3, onder a, van de planregels, op grond van artikel 28.1.3, onder a, onder 1 en 5, van de planregels alleen licht versterkte achtergrondmuziek met het Achtergrondmuziek Spectrum en het Standaard Popmuziek Spectrum is toegestaan, is een specifieke normering van het dB(C)-geluidniveau daar volgens de raad niet nodig. Bij dat type muziekgeluid zal de hinder door dreunende bassen volgens de raad beperkt blijven.
In hoofdstuk 3 van paragraaf 8.3 van de plantoelichting heeft de raad bovendien toegelicht dat de geluidbelasting in dB(A) de sterkte van het geluid voor de gevoeligheid van het menselijk oor weergeeft, terwijl het maximeren van de dB(C)-geluidniveaus is bedoeld om hinder door dreunende bassen in de muziek te beperken. Dit draagt bij aan het borgen van het geluidniveau van 50 dB(A) in binnenruimten, waardoor een specifieke normering van het dB(C)-geluidniveau voor binnenruimten volgens de raad niet nodig is.
20.3. De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd over het niet normeren van het toegestane dB(C)-geluidniveau in verschillende bepalingen in de planregels geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld. Daartoe overweegt de Afdeling dat de motivering van de raad, dat het niet noodzakelijk is om voor de evenementenlocatie bedoeld in artikel 28.1.3, onder a, van de planregels een normering ten aanzien van het dB(C)-geluidniveau op te nemen, omdat daar alleen licht versterkte achtergrondmuziek toegestaan is, toereikend is.
Daarnaast volgt de Afdeling [appellant] en anderen niet in hun betoog dat omwonenden van de Oude Markt kunnen worden blootgesteld aan onaanvaardbare dB(C)-geluidniveaus. In artikel 28.1.3, onder c, onder 2 en 3, van de planregels is immers voor grootschalige en kleinschalige evenementen op de Oude Markt wel een normering van het toegestane dB(C)-geluidniveau voor de gevels van de woningen aan de Oude Markt en het toegestane dB(A)-geluidniveau in de binnenruimten van die woningen geformuleerd. Hierdoor heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden van de Oude Markt gewaarborgd is. Een normering van het toegestane dB(C)-geluidniveau in de binnenruimten van die woningen is hiervoor niet vereist. Daarbij merkt de Afdeling op dat bij evenementen op de Oude Markt op grond van artikel 28.1.3, onder c, onder 1, van de planregels ook alleen muziekgeluid van het Achtergrondmuziek Spectrum en het Standaard Popmuziek Spectrum is toegestaan, waardoor de hinder van dreunende bassen door het muziekgeluid beperkt zal blijven.
Het betoog slaagt niet.
Geluidbelasting in tuinen
21. [appellant] en anderen betogen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de geluidbelasting in tuinen, waardoor onzeker is of de geluidbelasting van evenementen in tuinen strookt met een goede ruimtelijke ordening. Ook had de raad volgens hen voorschriften over de geluidbelasting in tuinen moeten opnemen.
21.1. Zoals hiervoor onder 14.1 is omschreven, heeft de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan aansluiting gezocht bij de Nota Evenementen. Het uitgangspunt van de normstelling in die nota is de bescherming van de binnenruimte van geluidgevoelige objecten, zoals woningen, tegen geluidhinder. Daarbij moet in een woning, als de ramen en deuren gesloten zijn, een normaal gesprek gevoerd kunnen worden. De Nota Evenementen voorziet echter niet in een norm voor geluidbelasting in tuinen. De raad heeft verder op de zitting toegelicht dat hij een norm voor de geluidbelasting in tuinen niet noodzakelijk acht, omdat de tuinen in de omgeving van de evenementenlocaties voornamelijk aan de achterzijde van de woningen gelegen zijn. Omdat in de planregels normen voor geluidbelasting op de gevels van de woningen geformuleerd zijn, is het volgens de raad aannemelijk dat de geluidbelasting aan de achterzijde van de woningen, in de tuinen, ook aanvaardbaar zal zijn.
21.2. De Afdeling stelt voorop dat er geen wettelijke grens bestaat voor de geluidbelasting in tuinen. De geluidbelasting in tuinen kan echter wel van belang zijn bij het beantwoorden van de vraag of het bestemmingsplan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld. De Afdeling is van oordeel dat deze vraag in dit geval bevestigend moet worden beantwoord.
Daartoe overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft de toegestane geluidbelasting bij alle evenementen die het plan mogelijk maakt op 2 m voor de gevel gemaximeerd. Bij kermissen bedraagt de maximaal toegestane geluidbelasting op 2 m van de gevel op het Raadhuisplein op grond van artikel 28.1.3, onder b, onder 3, van de planregels 78 dB(A). Bij grootschalige evenementen op de Oude Markt is dit op grond van artikel 28.1.3, onder c, onder 2, van de planregels 80 dB(A) en in het overige deel van het plangebied is de maximaal toegestane geluidbelasting op 2 m van de gevels van woningen bij kermissen op grond van artikel 28.1.3, onder a, onder 3, van de planregels 78 dB(A). Bovendien heeft de raad niet alleen beperkingen gesteld aan de toegestane geluidbelasting, maar ook aan het aantal evenementendagen en de tijdstippen waarop de evenementen mogen plaatsvinden.
De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld. Daarbij betrekt de Afdeling dat de tuinen rondom de evenementenlocaties zijn gelegen in een centrumgebied, waarin evenementen niet ongebruikelijk zijn. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet noodzakelijk is om in de planregels normeringen op te nemen om de toegestane geluidbelasting in tuinen te maximeren.
Het betoog slaagt niet.
Verstoring van kerkdienst
22. [appellant] en anderen betogen dat evenementen in de buurt van de kerk aan de Oude Markt zullen leiden tot een onaanvaardbare verstoring van de kerkdiensten. Hiertoe voeren zij aan dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat de kerk een historisch gebouw is, waardoor de geluidwering minder is.
Zoals de Afdeling hiervoor onder 13.2 heeft geoordeeld, is de omstandigheid dat [appellant] en anderen de kerk aan de Oude Markt regelmatig bezoeken, onvoldoende om te concluderen dat een mogelijke aantasting van het belang van het ongestoord kunnen houden van kerkdiensten als een aantasting van hun eigen belangen moet worden beschouwd. Wat betreft de geluidbelasting in de kerk, strekt de norm van een goede ruimtelijke ordening ook in dit geval niet tot bescherming van de belangen van [appellant] en anderen. Dat betekent dat het relativiteitsvereiste ook in dit geval in de weg staat aan vernietiging van het bestemmingsplan vanwege dit betoog.
Geluidscumulatie ten onrechte niet beoordeeld
23. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte niet heeft beoordeeld of de cumulatie van geluid van twee evenementen die gelijktijdig plaatsvinden niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Zij vrezen voor geluidoverlast, omdat de planregels toelaten dat er op korte afstand van elkaar gelijktijdig twee evenementen georganiseerd kunnen worden, wat leidt tot een toename van de geluidbelasting voor omwonenden. Volgens [appellant] en anderen strookt dit niet met de norm van een goede ruimtelijk ordening.
23.1. De Afdeling is van oordeel dat de raad niet toereikend heeft gemotiveerd dat de cumulatie van het geluid van gelijktijdige evenementen niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. De raad heeft op zitting volstaan met de toelichting dat er nauwelijks geluidscumulatie door gelijktijdige evenementen op het Raadhuisplein en de Oude Markt zal optreden, omdat beide evenementenlocaties op 150 m afstand van elkaar liggen en er bebouwing aanwezig is tussen beide evenementenlocaties. Naar het oordeel van de Afdeling is dit echter onvoldoende voor de conclusie dat volledig is uitgesloten dat geluid van twee gelijktijdige evenementen op een afstand van 150 m cumuleert. Bovendien heeft de raad in zijn motivering niet betrokken dat op basis van de planregels niet is uitgesloten dat gelijktijdig met een evenement op het Raadhuisplein of de Oude Markt, ook evenementen op de evenementenlocatie bedoeld in artikel 28.1.3, onder a, van de planregels kunnen plaatsvinden. De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad wat betreft geluidscumulatie door gelijktijdige evenementen niet toereikend heeft gemotiveerd dat het plan op dit punt strookt met een goede ruimtelijke ordening.
Het betoog slaagt.
Parkeren
24. [appellant] en anderen betogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het plan voor wat betreft het aspect parkeren voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Hun betoog hierover kan worden onderverdeeld in twee deelvragen: 1) wat is de parkeerbehoefte? en 2) kan er worden voorzien in de parkeerbehoefte? Deze deelvragen zullen hieronder worden besproken.
Wat is de parkeerbehoefte?
25. [appellant] en anderen betogen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de bestaande parkeersituatie en de parkeerbehoefte die het plan genereert. Om een volledig beeld te krijgen van de parkeersituatie in het centrum van Bodegraven had de raad, vóór de vaststelling van het plan, onderzoek moeten doen naar de bestaande parkeersituatie. In het centrum van Bodegraven zijn volgens [appellant] en anderen in de bestaande situatie namelijk al grote parkeerproblemen. De parkeerdruk is hoog, vooral tijdens de kerkdienst op zondagavond. De raad heeft dat ten onrechte niet onderkend. Daarbij had de raad in het onderzoek moeten betrekken in hoeverre illegale bewoning een effect heeft op de parkeerdruk. Daarnaast heeft de raad volgens [appellant] en anderen onvoldoende onderzoek gedaan naar de parkeerbehoefte die het plan genereert naar aanleiding van de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de evenementen op de Oude Markt en het Raadhuisplein, de zaalaccommodatie in ’t Anker en de toename van woningen op de begane grond. Deze nieuwe ontwikkelingen leiden volgens [appellant] en anderen tot een toename in de parkeerbehoefte. Ook de stijging van het aantal auto’s in het centrum als gevolg van de nieuwe woningen die de komende jaren worden opgeleverd en de autonome stijging van het aantal auto’s in het centrum van Bodegraven zijn ten onrechte niet onderzocht.
25.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan een conserverend plan is dat maar beperkt nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, zodat er geen sprake zal zijn van een toename van de parkeerbehoefte ten opzichte van het vorige plan. De aanwijzingen van de Oude Markt en het Raadhuisplein als evenementenlocaties zijn nieuw ten opzichte van het vorige plan, maar het Raadhuisplein was op grond van het evenementenbeleid ook al een evenementenlocatie. Daarbij gaat het volgens de raad, zowel op de Oude Markt als op het Raadhuisplein, om kleinschalige evenementen specifiek voor de bewoners van Bodegraven. Een groot deel van de bezoekers zal dus lopend of met de fiets komen, zodat de parkeerbehoefte niet of nauwelijks zal toenemen. Daarbij is het niet de bedoeling van de raad om bezoekers van buiten Bodegraven aan te trekken. De aanwijzing van ’t Anker als zaalaccommodatie is ook nieuw, maar deze locatie werd ook onder het vorige plan al gebruikt voor onder andere recepties, bruiloften en vergaderingen.
25.2. De Afdeling stelt vast dat het plan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Zo zijn de aanwijzing van ’t Anker als zaalaccommodatie en de aanwijzingen van de Oude Markt en Raadhuisplein als evenementenlocaties nieuw ten opzichte van het vorige plan. Het plan maakt, anders dan [appellant] en anderen betogen, geen nieuwe woningen mogelijk. De Afdeling stelt vast dat de raad voorafgaand aan het vaststellen van het plan geen parkeeronderzoek heeft uitgevoerd. De raad heeft in de nota van zienswijzen alleen toegelicht dat het om incidentele kleinschalige evenementen gaat specifiek voor de bewoners van Bodegraven, waarbij een groot deel van de bezoekers te voet of met de fiets zal komen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hier ten onrechte mee volstaan. Op voorhand valt namelijk niet uit te sluiten dat de nieuwe ontwikkelingen invloed hebben op de parkeersituatie in het plangebied. Omdat de raad voorafgaand aan het vaststellen van het plan geen onderzoek heeft gedaan naar de bestaande parkeersituatie en de parkeerbehoefte die het plan genereert, is het besluit naar het oordeel van de Afdeling in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De Afdeling merkt nog op dat het effect van illegale bewoning op de parkeerdruk niet hoeft worden meegenomen in het onderzoek. Dit is een kwestie van handhaving.
Het betoog slaagt.
Kan er worden voorzien in de parkeerbehoefte?
26. [appellant] en anderen betogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze in de parkeerbehoefte voor de evenementen en kermissen, die op grond van artikel 28.1.3, onder a tot en met c, van de planregels op de Oude Markt en het Raadhuisplein zijn toegestaan, kan worden voorzien. De beschikbare parkeergarages die de raad noemt, zijn volgens [appellant] en anderen niet allemaal geschikt voor (langdurige) evenementen. De parkeergarage onder het Raadhuisplein is in particuliere eigendom en maar een beperkt deel van de dag geopend. Bezoekers van het centrum mogen hier maximaal twee uur parkeren. Daarnaast heeft de raad de aanwezige parkeerplaatsen bij het zwembad ten onrechte meegerekend. Op dagen dat evenementen worden gehouden, is het zwembad ook gewoon in bedrijf. Ook het parkeerterrein bij de ouderenwoonvoorziening De Meent is ten onrechte meegerekend. Van deze parkeerplekken is een groot deel in gebruik door de bewoners, medewerkers en bezoekers. Bovendien heeft de raad ten onrechte niet in zijn afweging betrokken dat de parkeerplaatsen op de Oude Markt niet gebruikt kunnen worden als daar een evenement plaatsvindt. Volgens [appellant] en anderen voorziet het plan dan ook in onvoldoende parkeergelegenheid bij deze evenementen. Dit volgt ook uit hun eigen parkeertellingen die zijn opgenomen in het beroepschrift. Verder is de raad er in de nota van zienswijzen ten onrechte van uitgegaan dat de parkeerplaatsen zich binnen een straal van 500 m van de evenementenlocaties moeten bevinden. Deze afstand wordt in de Nota parkeernormen niet genoemd.
26.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende is toegelicht dat het plan in voldoende parkeergelegenheid voorziet. De raad verwijst hiervoor naar de verschillende parkeerterreinen in het centrum van Bodegraven die samen 584 parkeerplaatsen hebben.
26.2. De Afdeling overweegt dat in overweging 25.2 is vastgesteld dat de raad voor de vaststelling van het plan geen parkeeronderzoek heeft uitgevoerd. De raad heeft geen onderzoek gedaan naar de bestaande parkeersituatie en de parkeerbehoefte die het plan genereert. Het enkel in kaart brengen van de feitelijke parkeerplaatsen is onvoldoende. De raad moet onderzoeken of deze parkeercapaciteit voldoende is om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Nu de raad dit niet heeft gedaan, is het onmogelijk om te beoordelen of het plan in de parkeerbehoefte kan voorzien, zodat het plan in zoverre gebrekkig is.
Het betoog slaagt.
Conclusie parkeren
27. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het plan voor wat betreft het aspect parkeren voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.
Verkeer
28. [appellant] en anderen betogen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de verkeerssituatie in het plangebied. Op de zitting hebben zij toegelicht dat zij vooral vrezen voor een knel in de verkeerscirculatie tijdens evenementen als gevolg waarvan er verkeersonveilige situaties kunnen ontstaan. Volgens [appellant] en anderen zijn er in de bestaande situatie namelijk al problemen met de verkeersafwikkeling. Zo staan er vaak auto’s illegaal geparkeerd, wat leidt tot verkeersopstoppingen. Ook zijn er verkeersopstoppingen bij de bevoorrading van de Jumbo, omdat de vrachtwagens die de Jumbo bevoorraden, vanwege hun lengte, niet goed kunnen wegrijden. Dit zal tijdens evenementen leiden tot een nog grotere knel in de verkeerscirculatie. Verder is op de verbeelding van het plan te zien dat de Marktstraat, die langs het Raadhuisplein loopt, is aangewezen als evenementenlocatie. Het is dus mogelijk dat deze belangrijke verbindingsweg tussen het noorden en het zuiden van het centrum van Bodegraven tijdens evenementen wordt afgesloten. Het wordt dan nog drukker op andere wegen in Bodegraven, zoals de Kerkstraat, de Noordstraat en de Burgemeester Crolesbrug.
28.1. De Afdeling overweegt over de illegaal geparkeerde auto’s die leiden tot verkeersopstoppingen in Bodegraven dat dit een kwestie van handhaving is die in deze procedure niet aan de orde is. Dit betoog kan er daarom niet toe leiden dat het plan op zichzelf onaanvaardbaar is.
Over de vrees voor een knel in de verkeerscirculatie tijdens evenementen overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt vast dat de raad voor de vaststelling van het plan geen verkeersonderzoek heeft uitgevoerd. De raad heeft geen onderzoek gedaan naar de bestaande verkeerssituatie en de verkeerssituatie als gevolg van het plan. Nu de raad dit niet heeft gedaan, is het onmogelijk om te beoordelen of het plan leidt tot een onaanvaardbare knel in de verkeerscirculatie, zodat het plan in zoverre gebrekkig is.
Het betoog slaagt.
Cultuurhistorische waarden voormalige begraafplaats
29. [appellant] en anderen betogen dat het plan ten onrechte parkeren op de voormalige begraafplaats mogelijk maakt. [appellant] en anderen vinden dat op de eeuwenoude begraafplaats, waar zichtbaar nog oude graven liggen, geen auto’s geparkeerd horen te worden. Daarnaast is de cultuurhistorische aanduiding op het perceel van de voormalige begraafplaats volgens [appellant] en anderen ten onrechte alleen op de verbeelding van het plan opgenomen en niet in artikel 11 van de planregels.
29.1. Zoals de Afdeling hiervoor onder 12.1 heeft overwogen, mag de bestuursrechter een besluit op grond van artikel 8:69a van de Awb niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt.
De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar de overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.77, dat regels die strekken tot bescherming van het algemeen belang van het behoud van cultuurhistorische waarden niet strekken ter bescherming van de belangen van een individuele appellant, tenzij de gevreesde aantasting van de cultuurhistorische waarden plaatsvindt in een gebied dat kan worden aangemerkt als de directe woon- en leefomgeving van de appellant. In dat geval bestaat een zo nauwe verwevenheid tussen het belang van appellant bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving en het algemene belang dat aan de orde is bij de bescherming van cultuurhistorische waarden, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belang.
29.2. De Afdeling overweegt, gelet op de afstand van de woningen van [appellant] en anderen tot de voormalige begraafplaats en de bebouwing die zich tussen de woningen van [appellant] en anderen en de voormalige begraafplaats bevindt, dat er in dit geval geen sprake is van nauwe verwevenheid. Bescherming van het behoud van de cultuurhistorische waarden van de begraafplaats is dus geen belang waarvoor [appellant] en anderen kunnen opkomen. Het relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan de vernietiging van het plan vanwege deze beroepsgrond.
Artikel 17.3.2 van de planregels ten onrechte gewijzigd
30. [appellant] en anderen betogen dat de raad artikel 17.3.2 van de planregels, welke planregel betrekking heeft op de bestemming "Wonen", ten onrechte heeft gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. In het ontwerpplan stond in artikel 17.3.2, aanhef en onder a, van de planregels het volgende:
"Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 17.2.1, onder g, teneinde een grotere uitbreiding van het hoofdgebouw toe te staan, mits
a. de uitbreiding plaatsvindt binnen het ‘bouwvlak’."
In het vastgestelde plan is artikel 17.3.2, aanhef en onder a, van de planregels geschrapt, zodat het college ook uitbreidingen van vrijstaande woningen kan toestaan buiten het bouwvlak. Vrijstaande woningen kunnen daardoor een groot oppervlakte krijgen, waardoor meer mensen in de woningen kunnen wonen en dat kan volgens [appellant] en anderen leiden tot een toename van de parkeerbehoefte. Dit is een verslechtering ten opzichte van het ontwerpplan.
Verder betogen [appellant] en anderen dat uit het besluit van 22 februari 2023 tot vaststelling van het plan niet volgt dat de raad amendementen heeft aangenomen ten aanzien van artikel 17.3.2 van de planregels. Het besluit van 22 februari 2023 tot vaststelling van het plan komt dus niet overeen met de daadwerkelijke inhoud van het plan. Dat is volgens [appellant] en anderen niet toegestaan.
30.1. De Afdeling overweegt dat de raad naar aanleiding van zienswijzen of ambtshalve wijzigingen kan aanbrengen in het vastgestelde plan ten opzichte van het ontwerpplan. Die wijzigingen hoeven, anders dan [appellant] en anderen betogen, niet in de vorm van amendementen te worden weergegeven.
De Afdeling overweegt daarnaast dat op grond van artikel 17.3.2 van de planregels kan worden afgeweken van artikel 17.2.1, onder g, van de planregels, waarin is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand" uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan. De Afdeling overweegt dat op de zitting is gebleken dat er in artikel 17.2.1 van de planregels verschrijvingen staan. Zo had wat is bepaald in artikel 17.2.1, onder d tot en met g, van de planregels in plaats van de aanduiding d tot en met g de aanduiding 1 tot en met 4 moeten hebben. Wat nu is bepaald in artikel 17.2.1, onder k, van de planregels had de aanduiding "g" moeten hebben. Het is dus niet de bedoeling geweest van de raad dat op grond van artikel 17.3.2 van de planregels kan worden afgeweken van de bepaling dat ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand" uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan. De vrees van [appellant] en anderen dat het uitbreiden van vrijstaande woningen op grond van artikel 17.3.2 van de planregels ook buiten het bouwvlak is toegestaan waardoor de parkeerdruk kan toenemen, is dus onterecht. De Afdeling overweegt dat, hoewel het een verschrijving betreft, deze verschrijving leidt tot verwarring en onduidelijkheid over de toegestane binnenplanse afwijkingsmogelijkheden. De Afdeling komt daarom tot het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld en dat artikel 17.2.1 van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld.
Het betoog slaagt.
Instandhouding parkeerplaatsen
31. [appellant] en anderen betogen dat de raad in artikel 26.2, onder a, van de planregels ten onrechte alleen de voorwaardelijke verplichting heeft opgenomen dat bij de oprichting of uitbreiding van een gebouw in voldoende parkeergelegenheid moet worden voorzien. De raad had in artikel 26.2, onder a, van de planregels ook een voorwaardelijke verplichtingen moeten opnemen voor de instandhouding van de parkeerplaatsen. Nu de raad dit niet heeft gedaan, kunnen de parkeerplekken na de oprichting of uitbreiding van het gebouw weer worden weggehaald.
31.1. De Afdeling overweegt dat de raad op de zitting heeft erkend dat in artikel 26.2, onder a, van de planregels ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting voor de instandhouding van parkeerplaatsen is opgenomen. De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.
Het betoog slaagt.
Conclusie
32. Gelet op wat de Afdeling onder 8.2, 9.3, 10.2, 12.4, 23.1, 25.2, 26.2, 28.1, 30.1 en 31.1 heeft overwogen, is het besluit van 23 februari 2022 tot vaststelling van het plan in strijd met de rechtszekerheid, in strijd met artikel 3:2 van de Awb en in strijd met artikel 3:46 van de Awb genomen. Het beroep is gegrond. Het besluit van 23 februari 2022 moet worden vernietigd.
Proceskosten
33. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk van 23 februari 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bodegraven Centrum";
III. veroordeelt de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk tot vergoeding van de bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IV. gelast dat de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
884-1116
BIJLAGE
Artikel 28 Algemene aanduidingsregels
28.1 Evenementen
28.1.1 Aanwijzing evenementenactiviteit
a. Als evenementenactiviteit wordt aangewezen elke voor publiek toegankelijke inrichting van vermaak, met uitzondering van:
1. bioscoopvoorstellingen;
2. markten als bedoeld in artikel 160 eerste lid onder h van de Gemeentewet;
3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
4. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
5. betoging, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; en
6. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van de gemeentelijke evenementenverordening.
b. Als evenementactiviteiten worden in ieder geval aangewezen:
1. een herdenkingsplechtigheid;
2. een braderie;
3. een optocht;
4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; en
5. een straatfeest of buurtbarbecue.
28.1.2 Normadressaat
De regels in dit lid gelden voor de organisator.
28.1.3 Toegestane activiteiten na melding
a. Binnen het plangebied, exclusief ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - evenementlocatie Oude Markt' en 'overige zone - evenementen locatie Raadhuisplein', zijn evenementenactiviteiten toegestaan na voorafgaande melding en onder de volgende voorwaarden:
1. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid op dit terrein is muziekgeluid met het Ultra Bass Spectrum, het Standaard Housemuziek Spectrum, het Standaard Dancemuziek Spectrum en het Standaard Popmuziek Spectrum niet toegestaan. Alleen muziek met het Achtergrondmuziek Spectrum en bij het Standaard Popmuziek Spectrum bij een kermis is in dit plangebied toegestaan;
2. ten hoogste 2 keer per jaar mag een kermis in dit plangebied plaatsvinden;
3. de 2 minuten gemiddelde geluidsniveaus ten gevolge van de kermis mag niet meer bedragen dan 78 dB(A) en 88 dB(C) voor de gevel van woningen;
4. de geluidsbronnen van de kermisattracties mogen niet gericht zijn op de dichtstbij gelegen woningen en er dient een afstand van tenminste 10 meter aangehouden te worden tussen de attractie en woningen;
5. bij zowel kleinschalige als grootschalige evenementen, uitgezonderd bij een kermis zie voorschrift 3, is alleen licht versterkte achtergrondmuziek toegestaan. De 2 minuten gemiddelde geluidsniveaus ten gevolge van muziekgeluid mogen niet meer bedragen dan 70 dB(A) voor de gevels van woningen;
6. metingen moeten uitgevoerd worden op de meethoogte waar een verblijfsruimte van een woonbestemming zich bevindt op een afstand van 2 meter van de gevel. Daarnaast moeten de metingen voldoen aan de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999 behoudens de toeslag voor muziekgeluid, de bedrijfsduurcorrectie, de gevelcorrectie alsmede de meteocorrectie;
7. het betreft een kleinschalig evenement, dat wil zeggen 250 tot 500 bezoekers gelijktijdig, dan wel een grootschalig evenement, dat wil zeggen 500 tot 1500 bezoekers gelijktijdig;
8. het aantal grootschalige evenementen is niet meer dan 5 per jaar en het aantal kleinschalige evenementen is niet meer dan 10 per jaar;
9. het grootschalig evenement duurt maximaal 6 dagen (inclusief op- en afbouw), een kleinschalig evenement duurt maximaal 5 dagen (inclusief op- en afbouw);
10. het evenement vindt plaats op maandag tot en met donderdag tussen 07:00 en 23:00 uur of op vrijdag en zaterdag tussen 07:00 en 24:00 uur, op zondag tussen 13:00 en 20:00 uur;
11. er mogen geen muziek en omroepberichten ten gehore worden gebracht op zondag;
b. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - evenementlocatie Raadhuisplein' zijn tevens evenementenactiviteiten toegestaan na voorafgaande melding onder de volgende voorwaarden:
1. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid op dit terrein is muziekgeluid met het Ultra Bass Spectrum en het Standaard Housemuziek Spectrum niet toegestaan.
2. Alleen bij grootschalige evenementen mag muziekgeluid van het Standaard Dancemuziek spectrum ten gehore worden gebracht.
3. De 2 minuten gemiddelde geluidsniveaus ten gevolge van muziekgeluid bij grootschalige evenementen mogen niet meer bedragen dan de in tabel 1 weergegeven waarden, waardoor het geluidsniveau in de woningen niet meer zal bedragen dan 50 dB(A).
4. In afwijking van het bepaalde in voorschrift 3 mag voor maximaal 4 grootschalige evenementdagen gedurende maximaal 4 aaneengesloten uren de 2 minuten gemiddelde geluidsniveaus niet meer bedragen dan de in tabel 2 weergegeven waarden, waardoor het geluidsniveau in de woningen niet meer zal bedragen dan 60 dB(A).
5. De 2 minuten gemiddelde geluidsniveaus ten gevolge van de kermis mag niet meer bedragen dan 78 dB(A) en 88 dB(C) voor de gevel van woningen, waardoor het geluidsniveau in de woningen niet meer zal bedragen dan 50 dB(A).
6. De geluidsbronnen van de kermisattracties mogen niet gericht zijn op de dichtstbij gelegen woningen en er dient een afstand van tenminste 10 meter aangehouden te worden tussen de attractie en woningen.
7. Bij kleinschalige evenementen mag muziekgeluid van het Standaard Popmuziek Spectrum of van het Achtergrondmuziek Spectrum ten gehore worden gebracht.
8. De 2 minuten gemiddelde geluidsniveaus ten gevolge van muziekgeluid bij kleinschalige evenementen mogen niet meer bedragen dan de in tabel 3 weergegeven waarden, waardoor het geluidsniveau in de woningen niet meer zal bedragen dan 45 dB(A).
9. het gebruik van meerdere podia tegelijkertijd voor het ten gehore brengen van muziekgeluid is niet toegestaan. Wel is het mogelijk om podia na elkaar te gebruiken.
10. Een andere podiumpositie dan podium A en B wordt alleen toegestaan als met een akoestisch onderzoek wordt aangetoond dat het binnenniveau ten hoogste hetzelfde bedraagt als genoemd in voorschrift 3, 5 of 8.
11. Metingen voor het podium (Front of House) moeten uitgevoerd worden op een meethoogte van 2 meter boven het maaiveld. De metingen voor het podium moeten bij voorkeur op een afstand zoals genoemd in de tabellen uitgevoerd worden. Als dit niet mogelijk is, dan moeten de maximaal toegestane geluidsniveaus hierop gecorrigeerd worden voor de andere meetpositie.
1. Metingen moeten uitgevoerd worden op de meethoogte waar een verblijfsruimte van een woning zich bevindt op een afstand van 2 meter van de gevel. Daarnaast moeten de metingen voldoen aan de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999 behoudens de toeslag voor muziekgeluid, de bedrijfsduurcorrectie, de gevelcorrectie alsmede de meteocorrectie.
2. Het betreft een kleinschalig evenement, dat wil zeggen 250 tot 500 bezoekers gelijktijdig, danwel een grootschalig evenement, dat wil zeggen 500 tot 1500 bezoekers gelijktijdig;
3. Het aantal grootschalige evenementen is niet meer dan 5 per jaar en het aantal kleinschalige evenementen is niet meer dan 10 per jaar;
4. Zowel kleinschalige als grootschalige evenementen duren maximaal 5 dagen (inclusief op- en afbouw);
5. Het evenement vindt plaats op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag tussen 07:00 en 23:00 uur en op vrijdag en zaterdag tussen 07:00 en 24:00 uur, op zondag tussen 13:00 en 20:00 uur;
6. er mogen geen muziek en omroepberichten ten gehore worden gebracht op zondag;
7. op dinsdagen gedurende de weekmarkt zijn geen evenementen toegestaan, met uitzondering van de Najaarsmarkt;
8. standplaatshouders op vrijdag en zaterdag dienen geen onevenredig hinder te ondervinden van evenementenactiviteiten. Indien noodzakelijk dient de organisator er voor zorg te dragen dat er door de standplaatshouder een alternatieve standplaats op het Raadhuisplein ingenomen kan worden.
c. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - evenementlocatie Oude Markt' zijn uitsluitend evenementenactiviteiten toegestaan na voorafgaande melding onder de volgende voorwaarden:
1. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid op dit terrein is muziekgeluid met het Ultra Bass Spectrum, het Standaard Housemuziek Spectrum en het Standaard Dance Muziek Spectrum niet toegestaan. Alleen muziek met het Standaard Popmuziek Spectrum en het Achtergrondmuziek Spectrum is op de Oude Markt toegestaan.
2. De 2 minuten gemiddelde geluidsniveaus ten gevolge van muziekgeluid bij grootschalige evenementen mogen niet meer bedragen dan de in tabel 4 weergegeven waarden voor de gevels van de daarbij behorende woningen, waardoor het geluidsniveau in de woningen niet meer zal bedragen dan 50 dB(A).
3. De 2 minuten gemiddelde geluidsniveaus ten gevolge van muziekgeluid bij kleinschalige evenementen mogen niet meer bedragen dan de in tabel 5 weergegeven waarden voor de gevels van de daarbij behorende woningen, waardoor het geluidsniveau in de woningen niet meer zal bedragen dan 45 dB(A).
4. Het is niet toegestaan om een kermis op de Oude Markt te laten plaatsvinden.
5. Metingen moeten uitgevoerd worden op de meethoogte waar een verblijfsruimte van een woonbestemming zich bevindt op een afstand van 2 meter van de gevel. Daarnaast moeten de metingen voldoen aan de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999 behoudens de toeslag voor muziekgeluid, de bedrijfsduurcorrectie, de gevelcorrectie alsmede de meteocorrectie.
6. Het betreft een kleinschalig evenement, dat wil zeggen 250 tot 500 bezoekers gelijktijdig, dan wel een grootschalig evenement, dat wil zeggen 500 tot 1000 bezoekers gelijktijdig;
7. Het aantal grootschalige evenementen is niet meer dan 4 per jaar en het aantal kleinschalige evenementen is niet meer dan 4 per jaar;
8. Het grootschalig evenement duurt maximaal 5 dagen (inclusief op- en afbouw), een kleinschalig evenement duurt maximaal 3 dagen (inclusief op- en afbouw);
9. Het evenement vindt plaats op maandag t/m donderdag tussen 08:00 uur en 23:00 uur; op vrijdag t/m zaterdag tussen 08:00 uur en 24:00 uur;
10. Er mag geen muziek en omroepen ten gehore worden gebracht voor 12:00 uur;
11. In verband met mogelijke kerk-, rouw- en trouwdiensten dient de organisator vooraf af te stemmen met het bestuur van de op de Oude Markt gesitueerde kerk.